23.11.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 344/42
Hogere voorziening ingesteld op 12 augustus 2013 door Europese Commissie tegen het arrest van het Gerecht (Tweede kamer) van 30 mei 2013 in zaak T-454/10, Associazione Nazionale degli Industriali delle Conserve Alimentari Vegetali (Anicav), Agrupación Española de Fabricantes de Conservas Vegetales (Agrucon)/Europese Commissie
(Zaak C-457/13 P)
2013/C 344/73
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Europese Commissie (vertegenwoordigers: A. Marcoulli en K. Skelly als gemachtigden)
Andere partijen in de procedure: Associazione Nazionale degli Industriali delle Conserve Alimentari Vegetali (Anicav), Agrupación Española de Fabricantes de Conservas Vegetales (Agrucon), Associazione Italiana Industrie Prodotti Alimentari (AIIPA), Confederazione Cooperative Italiane
Conclusies
Rekwirante verzoekt het Hof:
—
het arrest van het Gerecht volledig te vernietigen;
—
de zaak zelf af te doen door het beroep in de zaken T-454/10 en T-482/11 niet-ontvankelijk en/of ongegrond te verklaren;
—
verzoeksters in eerste aanleg te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in de kosten van deze hogere voorziening.
Voor het geval dat het Hof het arrest van het Gerecht handhaaft, verzoekt de Commissie het Hof eerbiedig:
—
de gevolgen van artikel 52, lid 2 bis, tweede alinea, van verordening nr. 1580/2007 (1), van artikel 50, lid 3, van uitvoeringsverordening nr. 543/2011 (2) en van artikel 60, lid 7, van laatstgenoemde verordening definitief te handhaven met betrekking tot de betalingen die krachtens die bepalingen aan producentenorganisaties zijn verricht vóór 15 oktober van het jaar waarin het Hof arrest zal wijzen of vóór enige latere datum die het Hof zal vermenen te behoren met betrekking tot betalingen die verband houden met vóór 30 mei 2013 goedgekeurde operationele programma’s.
Middelen en voornaamste argumenten
De Commissie verzoekt het Hof in de onderhavige zaak, het bestreden arrest van het Gerecht volledig te vernietigen, de zaak zelf af te doen door het beroep in de zaken T-454/10 en T-482/11 niet-ontvankelijk en/of ongegrond te verklaren en verzoeksters in eerste aanleg te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in de kosten van deze hogere voorziening.
Deze hogere voorziening is ingesteld ten vervolge op de door verzoeksters in eerste aanleg ingestelde beroepen tot nietigverklaring van (i) artikel 52, lid 2 bis, van en bijlage VIII bij verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie en (ii) de artikelen 50, lid 3, en 60, lid 7, van verordening nr. 543/2011 van de Commissie.
Verzoeksters in eerste aanleg zijn verwerkers van groenten en fruit die aanvoerden dat bovengenoemde bepalingen indirect financiering door de Unie van bepaalde door producentenorganisaties verrichte verwerkingsactiviteiten toestaan.
Het Gerecht was van oordeel dat de beroepen ontvankelijk waren. Het oordeelde dat het verlenen van steun aan producentenorganisaties waarvan de producten hetzij door de organisatie zelf hetzij door een derde werden verwerkt, neerkwam op het verlenen van steun voor verwerkingsactiviteiten die buiten de werkingssfeer van de integrale-GMO-verordening (3) viel. Bovendien was het Gerecht van oordeel dat de Commissie geen steun mocht verlenen die leidde tot ongelijke behandeling ten nadele van de verwerkers die geen lid van een producentenorganisatie zijn, en ten voordele van producentenorganisaties voor zover deze verwerkingsactiviteiten verrichten.
De Commissie betoogt dat het Gerecht bij deze conclusie op drie punten blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting.
Ten eerste voert de Commissie aan dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de beroepen van verzoeksters in eerste aanleg ontvankelijk waren. Volgens de Commissie zijn de betrokken maatregelen regelgevende maatregelen van algemene strekking die uitvoeringsmaatregelen van de lidstaten vergen om rechtsgevolgen te kunnen sorteren. Verder voert de Commissie aan dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de betrokken maatregelen verzoeksters in eerste aanleg rechtstreeks raken. Om tot deze conclusie te komen oordeelde het Gerecht dat de situatie van verzoeksters in eerste aanleg dezelfde was als die van concurrenten van een ontvanger van staatssteun. Volgens de Commissie is deze zienswijze van het Gerecht onjuist.
Wat de grond van de zaak betreft, betoogt de Commissie dat het Gerecht de bepalingen van de integrale-GMO-verordening onjuist heeft uitgelegd en in het bijzonder niet naar behoren rekening heeft gehouden met de beoordelingsmarge die de Raad aan de Commissie heeft verleend voor het vaststellen van regels ter uitvoering van de integrale-GMO-verordening.
Ten slotte betoogt de Commissie dat het Gerecht het non-discriminatiebeginsel onjuist heeft uitgelegd door te oordelen dat het ook van toepassing is op regelingen waarbij financiële steun wordt verleend op grond van de integrale-GMO-verordening.
Voor het geval dat het Hof deze hogere voorziening zou afwijzen, verzoekt de Commissie het Hof, krachtens de discretionaire bevoegdheid die artikel 264 VWEU hem verleent, de gevolgen van haar beslissing op te schorten tot 15 oktober van het jaar waarin het arrest zal wijzen. De Commissie vordert een dergelijke opschorting om te verzekeren dat de gevolgen van de beslissing van het Hof op gelijke wijze voor alle producentorganisaties zullen gelden en niet zullen leiden tot ongeoorloofde hardheid voor producentenorganisaties.
(1) Verordening (EG) nr. 1580/2007 van de Commissie van 21 december 2007 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de verordeningen (EG) nr. 2200/96, (EG) nr. 2201/96 en (EG) nr. 1182/2007 van de Raad in de sector groenten en fruit (PB L 350, blz. 1).
(2) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (PB L 157, blz. 1).
(3) Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (integrale-GMO-verordening) (PB L 299, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy