23.11.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 344/45
Hogere voorziening ingesteld op 28 augustus 2013 door MOL Magyar Olaj- és Gázipari Nyrt tegen het arrest van het Gerecht (Zevende kamer) van 27 juni 2013 in zaak T-367/12, MOL Magyar Olaj- és Gázipari Nyrt./Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
(Zaak C-468/13 P)
2013/C 344/77
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: MOL Magyar Olaj- és Gázipari Nyrt. vertegenwoordiger: K. Szamosi, advocaat)
Andere partij in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM), Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, SA
Conclusies
Rekwirante verzoekt het Hof:
—
het arrest van het Gerecht (Zevende kamer) van 27 juni 2013 in zaak T-367/12 te vernietigen, alsook beslissing R 2532/2011-2 van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt van 30 mei 2012 te vernietigen voor zover daarbij het beroep van interveniënte is toegewezen en de afwijzing van de oppositie van interveniënte is vernietigd;
—
subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor een nieuwe uitspraak;
—
verweerder te verwijzen in de kosten van zowel de procedure in eerste aanleg als de onderhavige procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter onderbouwing van haar hogere voorziening voert rekwirante de hiernavolgende middelen aan:
—
de vaststellingen van het Gerecht betreffende de niet-ontvankelijkheid van de door rekwirante bij het BHIM aangevoerde argumenten zijn enerzijds irrelevant en anderzijds ongerechtvaardigd en onjuist, zodat het Gerecht artikel 44 van het Reglement voor de procesvoering en artikel 21 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geschonden.
—
Er was geen reden noch rechtsgrondslag om de door rekwirante in de procedure voor het Gerecht overgelegde bewijzen niet in aanmerking te nemen, zodat het Gerecht artikel 65, lid 2, van verordening nr. 207/2009 (1) en artikel 135, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering heeft geschonden door de door rekwirante overgelegde bewijzen niet-ontvankelijk te verklaren.
—
Het Gerecht heeft verordening nr. 207/2009 geschonden bij de afbakening van het relevante publiek en de vaststelling van het belang ervan voor de beoordeling van het gevaar voor verwarring.
—
Het Gerecht heeft verordening nr. 207/2009 geschonden en is voorbijgegaan een vaste rechtspraak waar het heeft geoordeeld dat de betrokken diensten als identieke diensten moeten worden beschouwd.
—
Het Gerecht heeft geen duidelijke en afzonderlijke beoordeling verricht van de visuele, auditieve (fonetische) en begripsmatige overeenstemming. Het Gerecht heeft evenmin de relevante omstandigheden van de zaak onderzocht in het licht van deze beoordeling, zodat het verordening nr. 207/2009 heeft geschonden.
—
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de kamer van beroep terecht had vastgesteld dat gevaar voor verwarring bestond tussen de oudere merken van interveniënte en het door rekwirante aangevraagde gemeenschapsmerk.
(1) Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy