16.11.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 336/9
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bayerische Verwaltungsgericht München (Duitsland) op 2 september 2013 — Andre Lawrence Shepherd/Bondsrepubliek Duitsland
(Zaak C-472/13)
2013/C 336/19
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bayerisches Verwaltungsgericht München
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Andre Lawrence Shepherd
Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland
Prejudiciële vragen
1.
Moet artikel 9, lid 2, sub e, van richtlijn 2004/83/EG (1) aldus worden uitgelegd dat voor de daarin bedoelde bescherming enkel personen in aanmerking komen wier concrete militaire taken de rechtstreekse deelneming aan gevechtshandelingen, dus gewapend optreden, omvat dan wel die het bevel tot gewapend optreden kunnen geven (alternatief 1), of kan die bescherming zich ook uitstrekken tot andere leden van de strijdkrachten, wier taken beperkt blijven tot de logistieke en technische ondersteuning van de troepen buiten de eigenlijke gevechtsactie en slechts indirect van invloed zijn op de eigenlijke gevechtshandelingen (alternatief 2)?
2.
Indien de eerste vraag in de zin van het tweede alternatief wordt beantwoord:
Moet artikel 9, lid 2, sub e, van richtlijn 2004/83/EG aldus worden uitgelegd dat het vervullen van militaire dienst tijdens een (internationaal of nationaal) conflict in overwegende mate of stelselmatig misdrijven of handelingen in de zin van artikel 12, lid 2, van deze richtlijn dan wel het aanzetten daartoe zou moeten inhouden (alternatief 1), of volstaat het dat de asielzoeker aantoont dat de strijdkrachten waartoe hij behoort, zich in het gebied waar zij zijn ingezet incidenteel schuldig hebben gemaakt aan misdrijven in de zin van artikel 12, lid 2, sub a, van richtlijn 2004/83/EG, waarbij het zowel om specifieke militaire acties als om excessen van individuele personen kan gaan (alternatief 2)?
3.
Indien de tweede vraag in de zin van het tweede alternatief wordt beantwoord:
Wordt vluchtelingenbescherming enkel verleend indien met een grote mate van waarschijnlijkheid en dus buiten redelijke twijfel valt te verwachten dat ook in de toekomst schendingen van het internationaal humanitair recht zullen plaatsvinden, of volstaat het dat de asielzoeker aannemelijk weet te maken dat het concrete conflict (onvermijdelijk of waarschijnlijk) met dergelijke misdrijven gepaard zal gaan en dat daarom niet valt uit te sluiten dat hij daarbij betrokken zou kunnen raken?
4.
Sluit het feit dat schendingen van het internationaal humanitair recht door de militaire rechter niet worden getolereerd dan wel worden bestraft, het verlenen van vluchtelingenbescherming overeenkomstig artikel 9, lid 2, sub e, van richtlijn 2004/83/EG uit, of speelt deze omstandigheid geen rol?
Dient er zelfs een vervolging voor het Internationaal Strafhof te hebben plaatsgevonden?
5.
Staat het feit dat de troepeninzet en de bezettingssituatie de instemming van de internationale gemeenschap hebben of op een mandaat van de VN-Veiligheidsraad berusten, aan toekenning van de vluchtelingenstatus in de weg?
6.
Is het een voorwaarde voor het verlenen van vluchtelingenbescherming overeenkomstig artikel 9, lid 2, sub e, van richtlijn 2004/83/EG dat de asielzoeker bij het vervullen van zijn dienstplicht conform het Statuut inzake het Internationaal Strafhof zou kunnen worden veroordeeld (alternatief 1), of wordt vluchtelingenbescherming reeds verleend als de asielzoeker weliswaar geen strafrechtelijke veroordeling heeft te vrezen, maar desondanks de vervulling van zijn militaire dienst niet met zijn geweten in overeenstemming kan brengen (alternatief 2)?
7.
Indien de zesde vraag in de zin van het tweede alternatief wordt beantwoord:
Sluit het feit dat de asielzoeker de mogelijkheid om een reguliere dienstweigeringsprocedure te volgen, niet heeft benut, hoewel hij daartoe de gelegenheid heeft gehad, de toekenning van de vluchtelingenstatus overeenkomstig bovengenoemde bepalingen uit, of kan vluchtelingenbescherming ook worden verleend als er sprake is van een actuele gewetensbeslissing?
8.
Vormen een oneervol ontslag uit het leger, de oplegging van een vrijheidsstraf en een daaraan gerelateerde maatschappelijke uitsluiting en achterstelling een daad van vervolging in de zin van artikel 9, lid 2, sub b of sub c, van richtlijn 2004/83/EG?
(1) Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PB L 304, blz. 12).
Full & Egal Universal Law Academy