9.11.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 325/16
Hogere voorziening ingesteld op 16 september 2013 door GRE Grand River Enterprises Deutschland GmbH tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 3 juli 2013 in zaak T-205/12, GRE Grand River Enterprises Deutschland GmbH/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)
(Zaak C-494/13 P)
2013/C 325/28
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirante: GRE Grand River Enterprises Deutschland GmbH (vertegenwoordigers: I. Memmler en S. Schulz, Rechtsanwältinnen)
Andere partijen in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), Villiger Söhne GmbH
Conclusies
—
het arrest van het Gerecht van 3 juli 2013 in zaak T-205/12 en de beslissing van de eerste kamer van beroep van 1 maart 2012 in zaak R 387/2011-1 vernietigen;
—
verwerende partij verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirante voert één middel aan, te weten onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009. (1)
Ter staving van haar middel betoogt rekwirante het volgende:
Het Gerecht heeft het begrip „dezelfde waren” onjuist uitgelegd, daar zij „sigaren” heeft gelijkgesteld met het ruimere begrip „tabaksproducten”. Aldus heeft het Gerecht de beschermingsomvang van het oppositiemerk ten onrechte uitgebreid.
Het Gerecht heeft het begrip „soortgelijke waren” onjuist uitgelegd, daar het ook bij de beoordeling van de soortgelijkheid van de waren de specifieke waren „sigaren” en het ruimere begrip „rokersartikelen” niet globaal soortgelijk had mogen achten.
Bij de vergelijking van de tekens heeft het Gerecht de leer van de globale beoordeling onjuist toegepast, daar het enkel de bestanddelen „LIBERTAD” en „LIBERTE” heeft vergeleken en daarbij alle andere bestanddelen van de merken buiten beschouwing heeft gelaten.
In het bijzonder hebben evenwel een aantal andere bestanddelen van de conflicterende merken een dominerende betekenis, onder meer de kleurencombinatie van het litigieuze merk en van het oppositiemerk en de aanduiding „LA”.
Tevens heeft het Gerecht de door het Hof van Justitie geformuleerde beginselen inzake begripsmatige overeenstemming onjuist toegepast, daar het onvoldoende de onderscheiden talen van de merken in aanmerking heeft genomen.
Gelet op al deze elementen is het oordeel van het Gerecht onjuist.
(1) Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy