30.11.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 352/9
Hogere voorziening ingesteld op 23 september 2013 door Philips Lighting Poland S.A., Philips Lighting BV tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 11 juli 2013 in zaak T-469/07, Philips Lighting Poland S.A. en Philips Lighting BV/Raad van de Europese Unie
(Zaak C-511/13 P)
2013/C 352/16
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirantes: Philips Lighting Poland S.A., Philips Lighting BV (vertegenwoordigers: M.L. Catrain González, abogada, E.A. Wright, H. Zhu, barristers)
Andere partijen in de procedure: Raad van de Europese Unie, Hangzhou Duralamp Electronics Co., Ltd, GE Hungary Ipari és Kereskedelmi Zrt. (GE Hungary Zrt), Europese Commissie, Osram GmbH
Conclusies
Rekwirantes verzoeken het Hof om:
—
het arrest te vernietigen en de litigieuze verordening nietig te verklaren voor zover deze hen betreft;
—
de Raad te verwijzen in rekwirantes’ kosten met betrekking tot de procedure voor het Gerecht en de onderhavige procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Met deze hogere voorziening verzoeken rekwirantes om het arrest te vernietigen en de litigieuze verordening nietig te verklaren op de volgende gronden:
1)
Het Gerecht heeft een onjuiste uitlegging gegeven van artikel 9, lid 1, van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 (1) (hierna: „basisverordening”), door te oordelen dat de Raad artikel 9, lid 1 a fortiori mag toepassen in gevallen die buiten de werkingssfeer van die bepaling vallen (namelijk wanneer een klacht niet is ingetrokken maar enkel steun heeft verloren). De ruime uitlegging van artikel 9, lid 1 door het Gerecht vindt geen steun in de bewoordingen of de opzet van de bepalingen van de basisverordening. Zij wordt ook tegengesproken door de praktijk van de instellingen van de afgelopen 25 jaar, waarin een beroep op artikel 9, lid 1 na intrekking van een klacht altijd heeft geleid tot beëindiging van het daarmee samenhangende onderzoek.
2)
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de artikelen 4, lid 1, en 5, lid 4, van de basisverordening onjuist uit te leggen en bijgevolg onjuist toe te passen bij het bepalen van de „bedrijfstak van de Gemeenschap”. Dat heeft geleid tot de foutieve conclusie dat een „groot deel” van de totale communautaire productie moet worden bepaald aan de hand van slechts een van de twee in artikel 5, lid 4, bedoelde drempels, namelijk die van 25 %. De onjuiste afbakening van de „bedrijfstak van de Gemeenschap” heeft de vaststelling van de schade door de instellingen aangetast, die niet is gebeurd op basis van de gevolgen van de invoer met dumping op de „bedrijfstak van de Gemeenschap” in de zin van artikel 3, lid 1, van de basisverordening, en zoals bepaald in artikel 5, lid 4, maar op basis van de situatie van de „onderneming die voor voortzetting van de maatregelen was” of de „producent met het grootste productievolume”. Geen van beide begrippen wordt in de basisverordening gebruikt om „schade” vast te stellen.
(1) Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 56, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy