22.2.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 52/26
Hogere voorziening ingesteld op 26 november 2013 door Hansa Metallwerke AG e.a. tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 16 september 2013 in zaak T-375/10, Hansa Metallwerke AG e.a./Europese Commissie
(Zaak C-611/13 P)
2014/C 52/48
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirantes: Hansa Metallwerke AG, Hansa Nederland BV, Hansa Italiana Srl., Hansa Belgium, Hansa Austria GmbH (vertegenwoordigers: H.-J. Hellmann en S. Cappellari, Rechtsanwälte)
Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Raad van de Europese Unie
Conclusies
Rekwirantes verzoeken,
I.
het arrest van het Gerecht van 16 september 2013, Hansa Metallwerke AG e.a./Commissie (T-375/10) te vernietigen en de zaak af te doen als volgt:
1)
de beschikking van verweerster van 23 juni 2010 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/39.092 — Badkameruitrustingen), die op 30 juni 2010 ter kennis is gebracht van rekwirantes, nietig te verklaren, voor zover zij hen betreft,
subsidiair,
de geldboete te verlagen;
2)
verweerster te verwijzen in de kosten.
II.
uiterst subsidiair,
het bestreden arrest te vernietigen en de zaak terug te verwijzen voor afdoening door het Gerecht.
Middelen en voornaamste argumenten
Om te beginnen betogen rekwirantes dat het Gerecht het door het Unierecht erkende beginsel van het persoonlijke karakter van straffen en sancties heeft geschonden. Het Gerecht is er meer bepaald aan voorbijgegaan dat de nieuwe versie van de richtsnoeren van de Commissie voor de berekening van geldboeten de algemene berekeningsmethode in 2006 ingrijpend heeft gewijzigd, vooral voor ondernemingen met een beperkt productassortiment. Ten gevolge van deze onjuiste rechtsopvatting is het Gerecht zijn verplichting om de door verweerster vastgestelde geldboete aan een grondig onderzoek te onderwerpen niet nagekomen of heeft zij hierbij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
Voorts verwijten rekwirantes het Gerecht dat het zijn overwegingen betreffende het beginsel van het persoonlijke karakter van straffen ontoereikend heeft gemotiveerd. Meer bepaald is het Gerecht niet ingegaan op het belangrijke arrest van de Achtste Kamer in zaak T-211/08 (1) en evenmin op het kennelijk gewijzigde standpunt dat de Commissie in haar beschikking in zaak COMP/39.452 heeft ingenomen, hoewel rekwirantes hier tijdens de mondelinge behandeling uitvoerig over hebben gesproken.
Ten slotte stellen rekwirantes dat het door het Unierecht erkende vertrouwensbeginsel is geschonden. Bij de beoordeling van het gedrag van de Commissie, die ondanks de in de administratieve procedure gedane belofte de geldboete in de beschikking niet heeft verlaagd, is het Gerecht voorbijgegaan aan het doorslaggevende belang dat in het kader van de toepassing van de mededeling betreffende immuniteit tegen geldboetes en vermindering van geldboetes in kartelzaken toekomt aan de samenwerking met de Commissie, die op vertrouwen moet zijn gebaseerd.
(1) Arrest van 16 juni 2011, Putters International/Commissie (Jurispr. blz. II-3729).
Full & Egal Universal Law Academy