25.1.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 24/16
Hogere voorziening ingesteld op 27 november 2013 door Repsol Lubricantes y Especialidades e.a. tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 16 september 2013 in zaak T-496/07, Repsol Lubricantes y Especialidades e.a./Commissie
(Zaak C-617/13 P)
2014/C 24/28
Procestaal: Spaans
Partijen
Rekwirantes: Repsol Lubricantes y Especialidades SA, Repsol Petróleo SA en Repsol SA (vertegenwoordigers: L. Ortiz Blanco, J.L. Buendía Sierra, M. Muñoz de Juan, Á. Givaja Sanz en A. Lamadrid de Pablo, abogados)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
Rekwirantes verzoeken het Hof:
1)
het bestreden arrest te vernietigen voor zover:
—
Repsol Petróleo SA en Repsol YPF SA (thans Repsol SA) hoofdelijk en gezamenlijk aansprakelijk zijn gesteld;
—
bij de berekening van de geldboete de periode 1998-2002 ten onrechte in aanmerking is genomen;
—
het Gerecht het door de Commissie vastgestelde basisbedrag van de geldboete ten onrechte heeft overgenomen, zonder dat het zijn bevoegdheid tot volledige rechterlijke toetsing heeft uitgeoefend, en het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden;
2)
de litigieuze beschikking in diezelfde zin nietig te verklaren;
3)
de geldboete krachtens zijn volle rechtsmacht te verlagen tot het bedrag dat het passend oordeelt;
4)
vast te stellen dat de procedure voor het Gerecht buitensporig en ongerechtvaardigd lang heeft geduurd, wat indruist tegen het recht op effectieve rechterlijke bescherming en op een eerlijke behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn (artikel 47 van het Handvest en artikel 6 EVRM);
5)
de Commissie te verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
1)
Repsol betoogt ten eerste dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting wat de methode betreft die het in het bestreden arrest heeft toegepast bij de beoordeling van de bewijzen ter ondersteuning van het argument dat dochteronderneming Repsol Lubricantes y Especialidades SA over volledige en daadwerkelijke commerciële autonomie beschikt of, subsidiair, dat het bestreden arrest onvoldoende is gemotiveerd.
2)
Repsol stelt ten tweede dat het Gerecht in het bestreden arrest de mededeling inzake medewerking van 2002 onjuist heeft uitgelegd.
3)
Repsol stelt ten derde dat het Gerecht in het bestreden arrest artikel 261 VWEU en het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden, doordat het niet heeft voldaan aan zijn verplichting de sancties op inbreuken op het mededingingsrecht aan een volledige rechterlijke toetsing te onderwerpen.
4)
Repsol betoogt ten slotte dat het Gerecht artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (1) en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens heeft geschonden voor zover het zijn arrest niet binnen een redelijke termijn heeft gewezen.
(1) PB 2000, C 364, blz. 1.
Full & Egal Universal Law Academy