15.2.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 45/19
Hogere voorziening ingesteld op 27 november 2013 door Zucchetti Rubinetteria SpA tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 16 september 2013 in zaak T-396/10, Zucchetti Rubinetteria/Europese Commissie
(Zaak C-618/13 P)
2014/C 45/35
Procestaal: Italiaans
Partijen
Rekwirante: Zucchetti Rubinetteria SpA (vertegenwoordigers: M. Condinanzi, P. Ziotti en N. Vasile, avvocati)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
—
het bestreden arrest vernietigen voor zover het Gerecht daarin heeft verworpen het beroep in zaak T-396/10 voor zover rekwirante verzocht om intrekking of vermindering van de geldboete die haar was opgelegd bij artikel 2 van het litigieuze besluit C(2010) 4185 definitief van de Commissie van 23 juni 2010 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/39.092 — Badkamersanitair);
—
en, de zaak zelf afdoen in de zin van artikel 61 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, door de bij genoemd besluit van de Commissie opgelegde geldboete in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht in te trekken of althans te verlagen;
—
hoe dan ook de Commissie verwijzen in de kosten van de onderhavige hogere voorziening alsmede in de kosten van zaak T-396/10.
Middelen en voornaamste argumenten
Schending van het Unierecht wat de berekening van de geldboeten en de beoordeling van de ernst van de inbreuk betreft, tegenstrijdige en ontoereikende motivering alsmede onvolledige rechterlijke toetsing. In het bijzonder: schending van artikel 23, leden 2 en 3, van verordening (EG) nr. 1/2003 (1) en van de beginselen van persoonlijke verantwoordelijkheid, evenredigheid en gelijke behandeling bij de toepassing van sancties op antitrustgebied.
In het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat het litigieuze besluit tegenstrijdig en onrechtmatig was voor zover daarin werd aanvaard dat Zucchetti Rubinetteria SpA een minder ernstige inbreuk had begaan dan de aan het kartel deelnemende multinationals — daar zij er geen deel van uitmaakte en niet op de hoogte was van de uitbreiding van het kartel tot andere markten dan de Italiaanse — doch daaruit niet de noodzakelijke consequenties zijn getrokken voor de bepaling van de omvang van de geldboete. De toepassing van dezelfde vermenigvuldigingscoëfficiënten en de uitsluiting van verzachtende omstandigheden, en de dienovereenkomstige verwerping van het beroep ook op het punt van de intrekking of de verlaging van de opgelegde geldboete, leidt dus tot schending van bovengenoemde algemene beginselen en van het bepaalde in de punten 25 en 29 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten, alsmede van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003.
(1) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy