8.2.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 39/8
Hogere voorziening ingesteld op 28 november 2013 door Orange, voorheen France Télécom, tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 16 september 2013 in zaak T-258/10, Orange/Commissie
(Zaak C-621/13 P)
2014/C 39/15
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirante: Orange, voorheen France Télécom (vertegenwoordigers: H. Viaene en D. Gillet, avocats)
Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Franse Republiek, Département des Hauts-de-Seine, Sequalum SAS
Conclusies
Rekwirante verzoekt het Hof:
—
het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 16 september 2013 in zaak T-258/10, Orange/Europese Commissie, te vernietigen en, indien het Hof van oordeel is dat het beschikt over alle gegevens die het nodig heeft om zelf de zaak af te doen, beschikking C(2009) 7426 definitief van de Commissie van 30 september 2009 betreffende de compensatie voor lasten die verband houden met de delegatie van de openbare dienst voor de totstandbrenging en de exploitatie van een zeer snel elektronischecommunicatienetwerk in het departement Hauts-de-Seine (steunmaatregel N 331/2008 — Frankrijk) nietig te verklaren;
—
subsidiair, het bestreden arrest te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, dat de procedure zal overdoen;
—
de Commissie, het departement en Sequalum te verwijzen in alle kosten van de procedure, met uitzondering van die welke zijn opgekomen aan de Franse Republiek;
—
vast te stellen dat de Franse Republiek haar eigen kosten zal dragen.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert rekwirante vier middelen aan.
Ten eerste stelt rekwirante dat het Gerecht de krachtens de artikelen 36 en 53, eerste alinea, van het Statuut van het Hof op hem rustende motiveringsplicht niet is nagekomen, aangezien het zich in onvoldoende mate en op tegenstrijdige wijze heeft uitgesproken over het middel volgens hetwelk er geen sprake is van marktfalen. Rekwirante verwijt het Gerecht meer bepaald dat het haar argument heeft afgewezen, dat het THD 92-project niet als een dienst van algemeen economisch belang kan worden beschouwd, aangezien er geen sprake is van marktfalen omdat concurrerende exploitanten vergelijkbare diensten aanbieden.
Ten tweede verwijt rekwirante het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van het tijdstip waarop moet worden nagegaan of zich een dergelijk marktfalen voordoet. Volgens rekwirante moet dat worden onderzocht op het ogenblik waarop de maatregel wordt genomen die ertoe strekt marktfalen te verhelpen.
Ten derde verwijt rekwirante het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van punt 78 van de richtsnoeren (1), voor zover het heeft geoordeeld dat in het kader van de „gedetailleerde analyse” waaraan iedere in een traditioneel zwart gebied geplande steunmaatregel moet worden onderworpen, de formele onderzoeksprocedure van artikel 108, lid 2, VWEU niet hoeft te worden ingeleid.
Ten slotte betoogt rekwirante dat de vaststelling van het Gerecht dat voor gebieden met een intern rendement tussen 9 en 10,63 % geen compensatie plaatsvindt, duidelijk onjuist is. Derhalve zijn ook de rechtsgevolgen die het Gerecht aan die vaststelling verbindt, te weten dat er geen sprake is van overcompensatie en dat het betrokken project dus voldoet aan het derde criterium van het Altmark-arrest, onjuist.
(1) Mededeling van de Commissie — Communautaire richtsnoeren voor de toepassing van de staatssteunregels in het kader van de snelle uitrol van breedbandnetwerken (PB 2009, C 235, blz. 7).
Full & Egal Universal Law Academy