8.2.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 39/12
Hogere voorziening ingesteld op 29 november 2013 door Villeroy & Boch Austria GmbH tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 16 september 2013 in zaak T-373/10, T-374/10, T-382/10 en T-402/10, Villeroy & Boch Austria GmbH e.a./Europese Commissie
(Zaak C-626/13 P)
2014/C 39/18
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirante: Villeroy & Boch Austria GmbH (vertegenwoordigers: A Reidlinger en J. Weichbrodt, Rechtsanwälte)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
Rekwirante verzoekt,
—
het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 16 september 2013 in de gevoegde zaken T-373/10, T-374/10, T-382/10 en T-402/10 in zijn geheel te vernietigen, voor zover het betrekking heeft op rekwirante en haar beroep hierbij wordt verworpen;
—
subsidiair, artikel 1 van besluit C(2010) 4185 definitief van verweerster van 23 juni 2010, in de versie die voortvloeit uit het bestreden arrest, gedeeltelijk nietig te verklaren, voor zover het betrekking heeft op rekwirante;
—
subsidiair, de in artikel 2 van het litigieuze besluit van verweerster van 23 juni 2010 aan rekwirante opgelegde geldboete op passende wijze te verlagen;
—
meer subsidiair, de zaak voor verdere afdoening terug te verwijzen naar het Gerecht;
—
verweerster te verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
1.
Met het eerste middel verwijt rekwirante het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van een vermeende inbreuk in Oostenrijk. Het Gerecht baseert zijn oordeel op vaststellingen en overwegingen die in het litigieuze besluit en in de mededeling van punten van bezwaar niet aan de orde zijn gesteld. Daarenboven heeft het Gerecht het relevante betoog van rekwirante terzijde geschoven of onjuist weergegeven.
2.
Met het tweede middel verwijt rekwirante het Gerecht dat het feitelijk en rechtens los van elkaar staande gedragingen juridisch als één enkele, samengestelde en voortdurende inbreuk heeft gekwalificeerd, terwijl deze gedragingen alleen al daarom niet aldus kunnen worden gekwalificeerd omdat zij niet complementair zijn. Het Gerecht hanteert het begrip „één enkele, samengestelde en voortdurende inbreuk” aldus op zodanig wijze dat inbreuk wordt gemaakt op het beginsel van een eerlijk proces.
3.
Met het derde middel betoogt rekwirante dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door een „lichte controle” te verrichten. Aldus is het Gerecht tekortgeschoten in zijn toezichtplicht en heeft het inbreuk gemaakt op het gemeenschapsrechtelijke beginsel van rechterlijke bescherming.
4.
Ten slotte betoogt rekwirante in het vierde middel dat de bevestigde geldboete hoe dan ook onevenredig hoog is. Aangezien een aantal belastende feitelijke vaststellingen in het arrest reeds van de hand zijn gewezen en een aantal andere feitelijke vaststellingen wegens een rechtens onjuiste motivering eveneens moeten worden verworpen, kan de wettelijke maximumboete van 10 % van de omzet van de groep, die het Gerecht niet heeft verlaagd, niet evenredig en dus niet geoorloofd zijn. Wanneer de feitelijke vaststellingen waarop de vaststelling van de inbreuk is gebaseerd, grotendeels onjuist zijn, kan geen sprake zijn van één enkele, samengestelde en voortdurende inbreuk die 6 landen en 3 productgroepen bestrijkt en 10 jaar heeft geduurd, aangezien er dan duidelijk geen bewijzen en geen causaal verband zijn en de inbreuk niet kan worden toegerekend aan rekwirante. Er kan dan hoogstens sprake zijn van op zich staande, plaatselijke inbreuken, die de hoogte van de in casu opgelegde geldboete totaal niet kunnen rechtvaardigen. De onderhavige zaak vormt helemaal geen ernstig geval, laat staan het zwaarst denkbare geval, maar het Gerecht heeft dit buiten beschouwing gelaten en heeft aldus totaal geen rekening gehouden met de beoordelingscriteria die het had moeten uitleggen.
Full & Egal Universal Law Academy