15.2.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 45/21
Hogere voorziening ingesteld op 25 november 2013 door Issam Anbouba tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 13 september 2013 in zaak T-592/11, Anbouba/Raad
(Zaak C-630/13 P)
2014/C 45/37
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirant: Issam Anbouba (vertegenwoordigers: J.-M. Salva en M.-A. Bastin, avocats)
Andere partij in de procedure: Raad van de Europese Unie
Conclusies
Rekwirant verzoekt het Hof:
—
het arrest van het Gerecht van de Europese Unie (Zesde kamer) van 13 september 2013 in zaak T-592/11, Issam Anbouba/Raad van de Europese Unie, te vernietigen;
—
het besluit tot plaatsing van rekwirant op de lijst van door economische sancties getroffen personen en entiteiten onrechtmatig te verklaren;
—
de in zaak T-592/11 bestreden besluiten en verordeningen nietig te verklaren;
—
de Raad te verwijzen in de kosten van de twee procedures.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van zijn hogere voorziening voert rekwirant twee middelen aan.
In de eerste plaats meent rekwirant dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Raad, voor zover hij niet kon aantonen dat rekwirant het Syrische regime steunt, op goede gronden mocht aannemen dat de bestuurders van de belangrijkste Syrische bedrijven het Syrische regime steunden. Het eerste onderdeel van het middel betreft het ontbreken van een rechtsgrondslag voor een dergelijke aanname. Beperkende maatregelen kunnen vanwege hun zeer ingrijpende en bindende karakter immers niet worden toegepast op basis van een aanname. In geen enkele regelgevingshandeling staat rechtsgeldig bepaald dat een beroep kan worden gedaan op aannames. Het tweede onderdeel van het middel ziet op het feit dat de aanname niet in verhouding staat tot het beoogde doel, in het bijzonder omdat het om een heel algemene aanname gaat. Het derde onderdeel van het middel is ontleend aan de omstandigheid dat de aanname onweerlegbaar is. Via negatieve bewijsvoering het bewijs leveren dat geen steun wordt verleend aan het regime is feitelijk onmogelijk, en via positieve bewijsvoering aantonen dat oppositie wordt gevoerd tegen het regime kan redelijkerwijs niet het enige middel zijn om te bewijzen dat er geen sprake is van een band met het regime.
In de tweede plaats verwijt rekwirant het Gerecht dat het uitspraak heeft gedaan zonder dat de Raad bewijzen heeft aangedragen. Met het eerste onderdeel van zijn tweede middel voert rekwirant aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door op de litigieuze besluiten niet het gewone toezicht uit te oefenen en door uitspraak te doen zonder dat de Raad bewijzen heeft overgelegd. Met het tweede onderdeel van zijn tweede middel verwijt rekwirant het Gerecht in het bestreden arrest niet te hebben geconstateerd dat het beginsel van hoor en wederhoor en rekwirants recht van verdediging kennelijk zijn geschonden. De Raad hoefde van het Gerecht geen bewijzen over te leggen of aan te geven waarom geen openbaarmaking kon plaatsvinden, en mocht er van het Gerecht mee volstaan zijn besluit te onderbouwen met een aanname. De Raad kon zich echter niet rechtsgeldig op die aanname beroepen.
Full & Egal Universal Law Academy