1.3.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 61/4
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Oberste Patent- und Markensenat (Oostenrijk) op 2 december 2013 — Arne Forsgren
(Zaak C-631/13)
2014/C 61/06
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Oberste Patent- und Markensenat
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Arne Forsgren
Verwerende instantie: Österreichische Patentamt
Prejudiciële vragen
1)
Kan overeenkomstig de artikelen 1, sub b, en 3, sub a en b, van verordening (EG) nr. 469/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende het aanvullende beschermingscertificaat voor geneesmiddelen (1), wanneer is voldaan aan de overige voorwaarden, een beschermingscertificaat voor een door een basisoctrooi beschermde werkzame stof (in casu: proteïne D) worden afgegeven wanneer deze werkzame stof in covalente (moleculaire) binding met andere werkzame stoffen in het geneesmiddel (in casu: Synflorix) is opgenomen, maar toch haar eigen werking behoudt?
2)
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:
2.1.
Kan overeenkomstig artikel 3, sub a en b, van verordening (EG) nr. 469/2009 een beschermingscertificaat voor de door het basisoctrooi beschermde stof (in casu: proteïne D) worden afgegeven wanneer deze stof een eigen therapeutische werking heeft (in casu als vaccin tegen Haemophilus influenzae-bacteriën), maar de vergunning voor het geneesmiddel geen betrekking heeft op deze werking?
2.2.
Kan overeenkomstig artikel 3, sub a en b, van verordening (EG) nr. 469/2009 een beschermingscertificaat voor de door het basisoctrooi beschermde stof (in casu: proteïne D) worden afgegeven wanneer deze stof in de vergunning als „drager” voor de eigenlijke werkzame stof (in casu: pneumokokkenpolysaccharide) wordt aangeduid, zij als „adjuvans” de werking van deze stof versterkt, maar deze werking in de vergunning voor het geneesmiddel niet uitdrukkelijk wordt vermeld?
(1) PB L 152, blz. 1.
Full & Egal Universal Law Academy