15.2.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 45/24
Hogere voorziening ingesteld op 5 december 2013 door Villeroy et Boch tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 16 september 2013 in de gevoegde zaken T-374/10, T-382/10 en T-402/10, Villeroy & Boch Austria e.a./Commissie
(Zaak C-644/13 P)
2014/C 45/41
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirante: Villeroy et Boch (vertegenwoordiger: J. Philippe, avocat)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
—
Volledige vernietiging van het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 16 september 2013 in de gevoegde zaken T-373/10, T-374/10, T-382/10 en T-402/10), voor zover rekwirantes beroep daarbij is verworpen;
—
subsidiair, gedeeltelijke vernietiging van het arrest van het Gerecht van 16 september 2013;
—
subsidiair, vermindering van de geldboete die rekwirante is opgelegd bij artikel 2 van het bestreden besluit van 23 juni 2010;
—
eveneens subsidiair, terugverwijzing van de zaak naar het Gerecht voor een nieuwe uitspraak;
—
de Commissie te verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter onderbouwing van haar hogere voorziening voert rekwirante vier middelen aan.
Met het eerste middel betoogt rekwirante dat de wijze waarop het Gerecht de bewijzen betreffende alle in Frankrijk gebeurde feiten heeft beoordeeld, tegenstrijdig is. Het Gerecht heeft in het bestreden arrest namelijk drie bewijselementen verschillend — en zelfs volkomen tegengesteld — beoordeeld, vergeleken met zijn beoordeling van diezelfde bewijzen in de parallelle zaken T-379/10 en T-381/10, Sanitec, en T-380/10, Wabco/Ideal Standard, waar rekwiranten zijn vrijgesproken van de aanklachten met betrekking tot Frankrijk. Volgens rekwirante levert een dergelijke fundamentele tegenspraak, zoals die blijkt uit tegenovergestelde vaststellingen op basis van hetzelfde bewijsmateriaal, schending op van het beginsel van gelijke behandeling en van het beginsel in dubio pro reo en wordt daardoor ook afbreuk gedaan aan de logische en juridische samenhang van het arrest van het Gerecht.
Met het tweede middel verwijt rekwirante het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het Gerecht heeft immers rechtens afzonderlijke handelingen die ook feitelijk los van elkaar stonden, kunstmatig samengebracht en deze aldus als een complexe en voortdurende inbreuk gekwalificeerd. Bovendien heeft het Gerecht er geen rekening mee gehouden dat bepaalde handelingen, die het nochtans samen heeft onderzocht, geenszins complementair waren.
Met het derde middel bekritiseert rekwirante het beperkte toezicht van het Gerecht. Volgens haar heeft het Gerecht slechts een marginale toetsing verricht en daardoor zijn bevoegdheden inzake controle en herziening niet volledig uitgeoefend. Rekwirante leidt hieruit af dat het recht op een eerlijk proces is geschonden.
Met haar vierde middel voert rekwirante aan dat de opgelegde sanctie onevenredig is.
Full & Egal Universal Law Academy