15.2.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 45/26
Beroep ingesteld op 13 december 2013 — Raad van de Europese Unie/Europese Commissie
(Zaak C-660/13)
2014/C 45/43
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: A. De Elera, E. Finnegan en P. Mahnič Bruni, gemachtigden)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
besluit C(2013) 6355 def. van de Commissie van 3 oktober 2013 betreffende de ondertekening van het addendum bij het memorandum van overeenstemming betreffende een bijdrage van Zwitserland nietig verklaren;
—
verklaren dat de gevolgen van het besluit worden gehandhaafd tot de vervanging ervan; en
—
verwerende partij verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
1)
Met zijn beroep heeft de Raad op grond van artikel 263 VWEU verzocht om nietigverklaring van besluit C(2013) 6355 def. van de Commissie van 3 oktober 2013 betreffende de ondertekening van het addendum bij het memorandum van overeenstemming betreffende een bijdrage van Zwitserland (1) („bestreden besluit”).
2)
Het bestreden besluit, waarbij de Commissie twee van haar leden heeft gemachtigd om voormeld memorandum te ondertekenen zonder voorafgaande toestemming door de Raad, is volgens de Raad onrechtmatig omdat het inbreuk maakt op in de Verdagen neergelegde fundamentele beginselen van Unierecht. Het beroep tot nietigverklaring is meer in het bijzonder gebaseerd op twee middelen:
1)
het besluit van de Commissie schendt het in artikel 13, lid 2, VEU neergelegde beginsel van verdeling van bevoegdheden en dus het beginsel van het institutionele evenwicht;
2)
de handelwijze van de Commissie die heeft geleid tot de vaststelling van het besluit en de ondertekening van het addendum, schendt het in artikel 13, lid 2, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking.
3)
Wat het eerste middel betreft, heeft de Commissie, doordat zij het addendum bij het memorandum van overeenstemming, namens de Unie en zonder voorafgaande toestemming door de Raad, alleen heeft ondertekend, gehandeld in strijd met het in artikel 13, lid 2, VEU neergelegde beginsel van verdeling van bevoegdheden, aangezien zij zich de bevoegdheid heeft toegeëigend om te beslissen over het beleid van de Unie, welke bevoegdheid ingevolge artikel 16 VEU aan de Raad toekomt, en dus inbreuk heeft gemaakt op het beginsel van het institutionele evenwicht.
4)
Wat het tweede middel betreft, is de Raad van mening dat de handelwijze van de Commissie het beginsel van loyale samenwerking op vier punten heeft geschonden: 1) door bewust inbreuk te maken op de bevoegdheden die op grond van artikel 16 VEU aan de Raad toekomen, en bijgevolg te handelen in strijd met het beginsel van verdeling van bevoegdheden van artikel 13, lid 2, VEU en dus met het beginsel van het institutionele evenwicht; 2) door bewust en eenzijdig voorbij te gaan aan de rol van de lidstaten op dat gebied, wat in strijd is met het beginsel van bevoegdheidstoebedeling van artikel 4, lid 1, VEU; 3) door opzettelijk aldus te handelen dat de inspanningen van de Raad om de door de Commissie gecreëerde situatie recht te zetten, geen resultaat hadden, en 4) door bewust te handelen op een wijze die het beginsel van eenheid in de externe vertegenwoordiging van de Unie in het gedrang heeft gebracht.
(1) Document van de Commissie C(2013) 6355 def. van 3 oktober 2013.
Full & Egal Universal Law Academy