22.2.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 52/29
Hogere voorziening ingesteld op 13 december 2013 door The Cartoon Network, Inc. tegen het arrest van het Gerecht (Zevende kamer) van 2 oktober 2013 in zaak T-285/12, The Cartoon Network, Inc./Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
(Zaak C-670/13 P)
2014/C 52/54
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: The Cartoon Network, Inc. (vertegenwoordiger: I. Starr, solicitor)
Andere partijen in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), Boomerang TV, SA
Conclusies
Rekwirante verzoekt het Hof:
—
het bestreden arrest alsook de litigieuze beslissing te vernietigen;
—
subsidiair, het bestreden arrest te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor een nieuwe uitspraak;
—
verweerder te verwijzen in rekwirantes kosten van de onderhavige hogere voorziening.
Middelen en voornaamste argumenten
1)
Schending van de artikelen 36 en 53 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van de Europese Unie
De artikelen 36 en 53 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie bepalen dat het Gerecht zijn arresten dient te motiveren. In het bestreden arrest heeft het Gerecht niet aangegeven waarom het tot de vaststelling is gekomen dat het relevante publiek enkel uit vakmensen bestond.
2)
Schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009 (1): onjuiste opvatting van de feiten, wat het relevante publiek betreft
2.1.
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het relevante publiek enkel uit vakmensen bestond en het met betrekking tot het merk van de interveniërende partij en het aangevraagde merk voor de betrokken diensten om hetzelfde publiek ging, aangezien het zich voor deze vaststelling op een onjuiste weergave van de feiten voor het Gerecht heeft gebaseerd. Het Gerecht en de kamer van beroep hadden hun onderzoek moeten beperken tot de specificaties van de merkaanvraag.
2.2.
Subsidiair, indien het Gerecht terecht zou hebben geoordeeld dat het relevante publiek met betrekking tot het merk van de interveniërende partij en het aangevraagde merk enkel uit vakmensen bestond, had het er rekening mee moeten houden dat er geen gevaar voor verwarring bestond tussen het aangevraagde merk en het merk van de interveniërende partij, aangezien vakmensen in hogere mate aandachtig zullen zijn.
3)
Schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009: onjuiste opvatting van de feiten: soortgelijke diensten en schending van artikel 75 van verordening nr. 207/2009
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de merkaanvraag betrekking had op soortgelijke diensten als de diensten die door het merk van de interveniërende partij worden beschermd, gelet op — onder meer — de aard van deze diensten, het doel ervan, de eindgebruikers en het relevante publiek. Bovendien hebben het Gerecht en de kamer van beroep blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door bepaalde feiten ambtshalve in aanmerking te nemen.
(1) Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 2 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy