22.3.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 85/14
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Vestre Landsret (Denemarken) op 23 december 2013 — Johannes Demmer/Fødevareministeriets Klagecenter
(Zaak C-684/13)
2014/C 85/27
Procestaal: Deens
Verwijzende rechter
Vestre Landsret
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Johannes Demmer
Verwerende partij: Fødevareministeriets Klagecenter
Prejudiciële vragen
1)
Moet het vereiste dat landbouwgrond niet wordt gebruikt voor „niet-landbouwactiviteiten” in de zin van artikel 44, lid 2, van verordening nr. 1782/2003 (1), en het vereiste dat landbouwgrond „voor een landbouwactiviteit of (…) overwegend voor landbouwactiviteiten” in de zin van artikel 34, lid 2, sub a, van verordening nr. 73/2009 (2) wordt gebruikt, aldus worden uitgelegd dat voor steun vereist is dat landbouw het primaire doel van het gebruik van de grond is?
a)
Zo ja, wordt het Hof verzocht nader te preciseren met welke parameters rekening moet worden gehouden om te beslissen welk gebruiksdoel als „primair” geldt wanneer een grond tegelijk voor verschillende doeleinden wordt gebruikt.
b)
Zo ja, wordt het Hof voorts verzocht te verklaren of, wanneer toepasselijk, zulks betekent dat veiligheidszones omheen landingsbanen, taxibanen en stopbanen op luchthavens, die deel uitmaken van de luchthaven en onderworpen zijn aan bijzondere regels en beperkingen als in het hoofdgeding betreffende het gebruik van de grond, maar tegelijk ook worden gebruikt om gras te oogsten voor de productie van diervoeder naar hun aard en gebruik in aanmerking komen voor steun krachtens voormelde bepalingen.
2)
Moet het vereiste dat landbouwgrond deel uitmaakt van het „bedrijf” van de landbouwer in de zin van artikel 44, lid 2, van verordening nr. 1782/2003 en artikel 34, lid 2, sub a, van verordening nr. 73/2009 aldus worden uitgelegd dat veiligheidszones omheen landingsbanen, taxibanen en stopbanen op luchthavens, die deel uitmaken van de luchthaven en onderworpen zijn aan bijzondere regels en beperkingen als in het hoofdgeding betreffende het gebruik van de grond, maar tegelijk ook worden gebruikt om gras te oogsten voor de productie van diervoeder in aanmerking komen voor steun krachtens voormelde bepalingen?
3)
Indien de vragen 1b en/of 2 ontkennend worden beantwoord, is er dan, daar de percelen naast gebruik als blijvend grasland voor de productie van diervoeder ook veiligheidszones omheen landingsbanen, taxibanen en stopbanen zijn, sprake van
a)
een fout die de landbouwer redelijkerwijs had kunnen ontdekken in de zin van artikel 137 van verordening nr. 73/2009, wanneer toch toeslagrechten voor de percelen zijn toegekend?
b)
een fout die de landbouwer redelijkerwijs had kunnen ontdekken in de zin van artikel 73, lid 4, van uitvoeringsverordening nr. 796/2004 van de Commissie (3), wanneer toch toeslagrechten voor de percelen zijn toegekend?
c)
onverschuldigde betaling waarbij de begunstigde niet kan worden geacht te goeder trouw te hebben gehandeld in de zin van artikel 73, lid 5, van uitvoeringsverordening nr. 796/2004 van de Commissie, wanneer toch steun voor de percelen is betaald?
4)
Wat is het relevante tijdstip voor de beoordeling of
a)
sprake is van een fout die de landbouwer redelijkerwijs had kunnen ontdekken in de zin van artikel 137 van verordening nr. 73/2009,
b)
sprake is van een fout die de landbouwer redelijkerwijs had kunnen ontdekken in de zin van artikel 73, lid 4, van uitvoeringsverordening nr. 796/2004 van de Commissie,
c)
de begunstigde niet kan worden geacht te goeder trouw te hebben gehandeld in de zin van artikel 73, lid 5, van uitvoeringsverordening nr. 796/2004 van de Commissie?
5)
Moet de in de vragen 4, sub a tot en met c, bedoelde beoordeling worden verricht voor elk steunjaar afzonderlijk of voor alle betalingen samen?
(1) Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 (PB L 270, blz. 1).
(2) Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1782/2003 (PB L 30, blz. 16).
(3) Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (PB L 141, blz. 18).
Full & Egal Universal Law Academy