ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer)
25 september 2015 ( *1 )
„Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk ‚BLUECO’ — Ouder gemeenschapswoordmerk ‚BLUECAR’ — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Onderscheidend vermogen van ouder merk — Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 — Vordering tot herziening die is ingesteld door interveniënte — Artikel 65, lid 4, van verordening nr. 207/2009”
In zaak T‑684/13,
Copernicus-Trademarks Ltd, gevestigd te Borehamwood (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door L. Pechan en S. Körber, advocaten,
verzoekster,
tegen
Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM), vertegenwoordigd door A. Schifko als gemachtigde,
verweerder,
andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniënte voor het Gerecht:
Bolloré SA, gevestigd te Ergué-Gabéric (Frankrijk), aanvankelijk vertegenwoordigd door B. Fontaine, vervolgens door O. Legrand, advocaten,
betreffende een beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 8 oktober 2013 (zaak R 2029/2012‑1) inzake een oppositieprocedure tussen Bolloré SA en Copernicus-Trademarks Ltd,
wijst
HET GERECHT (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: M. E. Martins Ribeiro, president, S. Gervasoni (rapporteur) en L. Madise, rechters,
griffier: C. Heeren, administrateur,
gezien het op 23 december 2013 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift,
gezien de op 26 mei 2014 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord van het BHIM,
gezien de op 23 mei 2014 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord van interveniënte,
gezien de op 1 september 2014 ter griffie van het Gerecht neergelegde repliek,
gezien de op 24 november 2014 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van dupliek van interveniënte,
na de terechtzitting op 24 maart 2015, waaraan verzoekster niet heeft deelgenomen,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1
Op 9 februari 2011 heeft Copernicus Eood bij het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) een gemeenschapsmerkaanvraag ingediend krachtens verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1).
2
De inschrijvingsaanvraag betreft het woordteken BLUECO.
3
De waren waarvoor de merkaanvraag werd ingediend, behoren met name tot klasse 12 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd. Zij zijn omschreven als volgt: „Voertuigen en onderdelen en toebehoren ervan”.
4
De gemeenschapsmerkaanvraag is op 26 juli 2011 in het Blad van gemeenschapsmerken nr. 139/2011 gepubliceerd.
5
Op 26 oktober 2011 heeft interveniënte, Bolloré SA, krachtens artikel 41 van verordening nr. 207/2009 oppositie ingesteld tegen de inschrijving van het aangevraagde merk voor alle in punt 3 hierboven bedoelde waren.
6
De oppositie was gebaseerd op het oudere gemeenschapswoordmerk BLUECAR, dat op 23 augustus 2006 onder nummer 4597621 is ingeschreven voor onder meer tot klasse 12 behorende waren, die zijn omschreven als volgt: „Voertuigen; elektromotoren en overbrengingsorganen voor voornoemde voertuigen met elektrische aandrijving”.
7
Ter ondersteuning van de oppositie werd de weigeringsgrond van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 aangevoerd.
8
Op 20 augustus 2012 is de merkaanvraag overgedragen aan verzoekster, Copernicus‑Trademarks Ltd.
9
Bij beslissing van 31 augustus 2012 heeft de oppositieafdeling de oppositie toegewezen.
10
Op 30 oktober 2012 heeft verzoekster krachtens de artikelen 58 tot en met 64 van verordening nr. 207/2009 bij het BHIM beroep ingesteld tegen de beslissing van de oppositieafdeling.
11
Op 10 april 2013 heeft verzoekster verzocht om de lijst van de in de merkaanvraag vermelde waren te beperken tot „voertuigen, met uitzondering van de onderdelen en accessoires ervan” die tot klasse 12 behoren. Het BHIM heeft deze beperking aanvaard en interveniënte verzocht om te bepalen of de oppositie, gelet op deze nieuwe specificatie van de waren, diende te worden ingetrokken. Interveniënte heeft hierop niet geantwoord.
12
Bij beslissing van 8 oktober 2013 (hierna: „bestreden beslissing”) heeft de eerste kamer van beroep van het BHIM het beroep verworpen. Inzonderheid heeft zij geoordeeld dat het relevante grondgebied de Europese Unie betrof en dat het relevante publiek de eindverbruiker was die in hoge mate aandachtig is, aangezien het om dure producten gaat (punt 20 van de bestreden beslissing), alsook dat de door het aangevraagde merk aangeduide waren dezelfde waren betroffen als de waren waarop het oudere merk betrekking had (punt 21 van de bestreden beslissing). Vervolgens heeft zij erop gewezen dat het oudere merk de woorden „blue” en „car” bevatte, waarbij dit laatste een rechtstreekse verwijzing naar de betrokken waren vormde en dus het zwakste bestanddeel van dit merk was (punt 24 van de bestreden beslissing). Daarop heeft zij geoordeeld dat uit de door interveniënte overgelegde bewijzen niet kon worden afgeleid dat het oudere merk onderscheidend vermogen had verkregen door het gebruik dat ervan was gemaakt en is zij tot de slotsom gekomen dat dit merk een gemiddeld intrinsiek onderscheidend vermogen had (punt 25 van de bestreden beslissing). De kamer van beroep van het BHIM heeft tevens geoordeeld dat de conflicterende tekens, waarvan de eerste vijf letters identiek zijn en in dezelfde volgorde staan, visueel overeenstemden (punt 26 van de bestreden beslissing). In fonetisch opzicht heeft zij geoordeeld dat de conflicterende tekens in hun geheel bezien zeer grote gelijkenissen vertoonden voor het Engelstalige publiek, dat een aanzienlijk deel vormde van het relevante publiek, aangezien het – in beide tekens voorkomende – woordelement „blue” op dezelfde en de woordelementen „co” en „car” op vergelijkbare wijze worden uitgesproken (punt 27 van de bestreden beslissing). Voorts was zij van mening dat de tekens op begripsmatig gebied gedeeltelijk overeenstemden voor het Engelstalige publiek, doordat in beide tekens het woord „blue” is opgenomen (punt 28 van de bestreden beslissing). Aangezien de conflicterende tekens volgens haar globaal bezien overeenstemmen (punt 29 van de bestreden beslissing), de betrokken waren dezelfde waren betreffen en uit de rechtspraak voortvloeit dat ook sprake is van gevaar voor verwarring wanneer dit voor slechts een gedeelte van het relevante publiek het geval is, heeft de kamer van beroep geconcludeerd dat niet kon worden uitgesloten dat gevaar voor verwarring tussen de conflicterende tekens bestond (punten 30‑33 van de bestreden beslissing).
Conclusies van partijen
13
Verzoekster verzoekt het Gerecht:
—
de bestreden beslissing te vernietigen en de oppositie volledig af te wijzen;
—
het BHIM en interveniënte te verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure en van de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM.
14
Het BHIM verzoekt het Gerecht:
—
het beroep te verwerpen;
—
verzoekster te verwijzen in de kosten.
15
Interveniënte verzoekt het Gerecht:
—
verzoekster te gelasten het bewijs te leveren dat zij procesbelang heeft;
—
de door verzoekster overgelegde bijlagen K 5 tot en met K 27 niet-ontvankelijk te verklaren;
—
de bestreden beslissing te bevestigen, doch eveneens te verklaren dat het oudere merk een grotere bescherming geniet doordat het algemeen bekend is op de markt;
—
het beroep te verwerpen;
—
verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
Procesbelang
16
In haar memorie van antwoord betwist interveniënte het procesbelang van verzoekster, die de litigieuze merkaanvraag zou hebben overgedragen aan de onderneming Ivo-Kermartin, en heeft zij het Gerecht verzocht om van verzoekster de overlegging te eisen van bewijzen waaruit haar procesbelang blijkt.
17
In haar repliek heeft verzoekster een volmacht overgelegd van de onderneming Ivo-Kermartin, de nieuwe houdster van de merkaanvraag, waarin wordt aangegeven dat deze laatste haar machtigt om het beroep in haar eigen belang en op eigen naam voort te zetten. Zij is dan ook van mening dat zij „bevoegd is om beroep in te stellen” krachtens de bepalingen van artikel 65, lid 4, van verordening nr. 207/2009.
18
Ter terechtzitting heeft interveniënte te kennen gegeven dat zij verzoeksters procesbelang niet meer betwist. Het BHIM heeft aangegeven dat zij zich op de wijsheid van het Gerecht verlaat wat de vraag betreft of deze kwestie in casu dient te worden beslecht.
19
Gelet op de omstandigheden van de zaak dient deze onmiddellijk ten gronde te worden afgedaan, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over het procesbelang van verzoekster (zie in die zin arresten van 26 februari 2002, Raad/Boehringer, C‑23/00 P, Jurispr. EU:C:2002:118, punten 50‑52, en 23 oktober 2007, Polen/Raad, C‑273/04, Jurispr. EU:C:2007:622, punt 33).
Ontvankelijkheid van bepaalde argumenten en bewijzen die voor het eerst bij het Gerecht zijn aangevoerd
20
Vooraf moet worden geconstateerd dat verzoekster, zoals het BHIM en interveniënte hebben opgemerkt, voor het Gerecht verschillende documenten heeft aangedragen die niet zijn overgelegd in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, ter onderbouwing van haar – voor het eerst bij het Gerecht ontwikkelde – betoog volgens welk het woord „blue” met name in de automobielsector refereert aan milieubescherming.
21
Anders dan verzoekster beweert, blijkt uit de stukken namelijk dat zij voor de instanties van het BHIM geen enkel argument heeft aangevoerd stellende dat het woord „blue” naar milieubescherming verwijst. Evenmin zijn de bijlagen K 5 tot en met K 25 door verzoekster aan het BHIM overgelegd.
22
In herinnering moet worden geroepen dat het Gerecht volgens vaste rechtspraak bij de toetsing van de rechtmatigheid van de beslissingen van de kamers van beroep van het BHIM de feiten niet opnieuw kan onderzoeken tegen de achtergrond van bewijsstukken die voor het eerst voor hem zijn aangevoerd (arresten van 18 december 2008, Les Éditions Albert René/BHIM, C‑16/06 P, Jurispr. EU:C:2008:739, punten 136‑144, en 10 november 2011, LG Electronics/BHIM, C‑88/11 P, EU:C:2011:727, punt 25). Evenzo kunnen feiten die partijen niet voor de instanties van het BHIM hebben aangevoerd, niet meer worden aangevoerd in het stadium van het beroep bij het Gerecht (arresten Éditions Albert René/BHIM, reeds aangehaald, EU:C:2008:739, punt 137, en LG Electronics/BHIM, reeds aangehaald,EU:C:2011:727, punt 25). Bijgevolg dienen de feiten waarop verzoekster zich niet voor de instanties van het BHIM heeft beroepen en de bewijzen die zij voor het eerst aan het Gerecht heeft overgelegd, worden geacht niet-ontvankelijk te zijn.
23
Bovendien kan bijlage K 26, waarin het arrest van het Bundespatentgericht (Duitse federale Hof voor octrooien) van 24 november 2010 is weergegeven, dat niet aan de kamer van beroep van het BHIM was overgelegd en welke bijlage identiek is aan bijlage K 29, niet als bewijs met betrekking tot de feiten van de onderhavige zaak worden ingeroepen. Ook al kunnen beslissingen van nationale rechterlijke instanties in beginsel voor het eerst voor het Gerecht worden overgelegd, deze beslissingen kunnen immers niet worden aangevoerd als bewijselementen met betrekking tot de feiten van een zaak die aanhangig is gemaakt bij het Gerecht [zie in die zin arrest van 12 november 2008, Lego Juris/BHIM – Mega Brands (Rood Legoblokje), T‑270/06, Jurispr., EU:T:2008:483, punten 22 en 23].
Ontvankelijkheid van de door interveniënte ingestelde vordering tot herziening
24
Interveniënte concludeert – net als het BHIM – weliswaar tot verwerping van het beroep en verzoekt het Gerecht de bestreden beslissing te bevestigen, doch tevens te verklaren dat het oudere merk een grotere bescherming geniet wegens de algemene bekendheid ervan op de markt. Zij betwist namelijk de door de kamer van beroep in punt 25 van de bestreden beslissing verrichte beoordeling volgens welke uit de door haar overgelegde gegevens ontoereikend bleek dat het oudere merk dermate intensief was gebruikt dat het bekendheid had verworven bij de relevante consument in de volledige Unie, en dat het dus slechts een gemiddeld onderscheidend vermogen bezat. Interveniënte verzoekt om de bestreden beslissing op dit punt ongedaan te maken, dan wel deze beslissing minstens te bevestigen voor zover daarbij is erkend dat het oudere merk gemiddeld onderscheidend vermogen heeft.
25
Dit verzoek moet worden opgevat als een vordering tot herziening van de bestreden beslissing, zoals interveniënte ter terechtzitting trouwens heeft toegegeven door te preciseren dat het een subsidiaire vordering betrof. Overeenkomstig artikel 134, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van 2 mei 1991 kan een interveniënt in zijn memorie van antwoord conclusies voordragen strekkende tot wijziging van de beslissing van de kamer van beroep op een punt dat in het verzoekschrift niet is opgeworpen
26
Ter terechtzitting heeft het BHIM aangegeven dat de vordering tot herziening van de bestreden beslissing niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
27
In herinnering moet worden gebracht dat artikel 65, lid 4, van verordening nr. 207/2009 bepaalt dat tegen een beslissing van een kamer van beroep van het BHIM bij het Gerecht beroep kan worden ingesteld door alle partijen in de procedure voor de kamer van beroep „voor zover zij door de beslissing van deze kamer in het ongelijk zijn gesteld”. Bovendien is het procesbelang van een verzoekende partij volgens vaste rechtspraak de wezenlijke voorwaarde voor elk beroep in rechte (beschikking van 31 juli 1989, S./Commissie, 206/89 R, Jurispr., EU:C:1989:333, punt 8) en moet dit belang, gelet op het voorwerp van het beroep, op straffe van niet-ontvankelijkheid bestaan op het tijdstip waarop het beroep wordt ingesteld (arrest van 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie, C‑362/05 P, Jurispr., EU:C:2007:322, punt 42). Het procesbelang onderstelt, op straffe van afdoening zonder beslissing, dat de uitkomst van het beroep in het voordeel kan zijn van de partij die het heeft ingesteld (arrest van 17 april 2008, Flaherty e.a./Commissie, C‑373/06 P, C‑379/06 P en C‑382/06 P, Jurispr., EU:C:2008:230, punt 25).
28
Volgens de rechtspraak moet in de procedure voor de kamer van beroep een van de partijen worden geacht door een beslissing van deze kamer in het gelijk te zijn gesteld wanneer de kamer van beroep de vordering van deze partij toewijst op basis van een van de gronden voor weigering van inschrijving of voor nietigheid van een merk of, meer algemeen, op basis van slechts een deel van het door deze partij aangevoerde betoog, zelfs al zou zij de andere door deze partij aangevoerde gronden of argumenten niet onderzoeken of afwijzen [arrest van 14 december 2011, Völkl/BHIM – Marker Völkl (VÖLKL), T‑504/09, Jurispr., EU:T:2011:739, punt 26; zie in die zin eveneens beschikking van 14 juli 2009, Hoo Hing/BHIM – Tresplain Investments (Golden Elephant Brand), T‑300/08, EU:T:2009:275, punten 29‑37; zie naar analogie arrest van 17 september 1992, NBV en NVB/Commissie, T‑138/89, Jurispr., EU:T:1992:95, punten 30‑35].
29
Aangezien de door interveniënte krachtens artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 tegen de inschrijving van het aangevraagde merk ingestelde oppositie in casu volledig is toegewezen, moet worden geoordeeld dat de bestreden beslissing haar conclusies inwilligt.
30
Stellig volgt uit overweging 8 van verordening nr. 207/2009 dat de afweging van het gevaar voor verwarring met name afhangt van de bekendheid van het merk op de betrokken markt. Voorts is het gevaar voor verwarring des te groter naarmate het onderscheidend vermogen van het oudere merk sterker is, zodat merken die hetzij van huis uit, hetzij wegens hun bekendheid op de markt, een sterk onderscheidend vermogen hebben, een ruimere bescherming genieten dan merken met een gering onderscheidend vermogen (zie naar analogie arresten van 11 november 1997, SABEL, C‑251/95, Jurispr., EU:C:1997:528, punt 24; 29 september 1998, Canon, C‑39/97, Jurispr., EU:C:1998:442, punt 18, en 22 juni 1999, Lloyd Schuhfabrik Meyer, C‑342/97, Jurispr., EU:C:1999:323, punt 20).
31
Aangezien de kamer van beroep evenwel heeft geoordeeld dat gevaar voor verwarring tussen de conflicterende tekens bestond en zij de oppositie heeft toegewezen, hoewel zij het toegenomen onderscheidend vermogen van het oudere merk als gevolg van het gebruik ervan niet heeft erkend, kan een eventuele herziening van de bestreden beslissing betreffende enkel de beoordeling door de kamer van beroep van de onderscheidingskracht en de bekendheid van het oudere merk geen impact hebben op de rechten die interveniënte aan dit merk ontleent en die door deze beslissing geenszins worden beïnvloed. Ter ondersteuning van haar vordering tot herziening heeft interveniënte overigens gepreciseerd dat zij verzocht om de bestreden beslissing minstens te bevestigen voor zover daarbij is vastgesteld dat haar merk een gemiddeld onderscheidend vermogen heeft.
32
Bijgevolg dient de door interveniënte ingestelde vordering tot herziening niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Ten gronde
33
Verzoekster voert één enkel middel aan: schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.
34
Verzoekster betoogt dat de conflicterende tekens niet tot gevaar voor verwarring leiden. Zij stelt om te beginnen dat het oudere merk slechts een zeer gering onderscheidend vermogen heeft, aangezien het woord „blue” beschrijvend is en deze term in de automobielsector reeds dikwijls is gebruikt voor de inschrijving van merken. Verzoekster is verder van mening dat de kamer van beroep ten onrechte heeft geoordeeld dat de conflicterende tekens visueel overeenstemmen, aangezien het aangevraagde merk moet worden geïdentificeerd als bevattende de woorden „blue” en „eco”. Op fonetisch gebied vertonen de twee tekens volgens haar grote verschillen. Ten slotte stemmen de tekens begripsmatig niet overeen, gelet op hun verschillend eindbestanddeel.
35
Het BHIM en interveniënte bestrijden de argumenten van verzoekster.
36
Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 bepaalt dat na oppositie door de houder van een ouder merk inschrijving van het aangevraagde merk wordt geweigerd wanneer het gelijk is aan of overeenstemt met het oudere merk en betrekking heeft op dezelfde of soortgelijke waren of diensten, indien daardoor verwarring bij het publiek kan ontstaan op het grondgebied waarop het oudere merk wordt beschermd. Verwarring omvat het gevaar van associatie met het oudere merk.
37
Volgens vaste rechtspraak is er sprake van gevaar voor verwarring, wanneer het publiek kan menen dat de betrokken waren of diensten van dezelfde onderneming of, in voorkomend geval, van economisch verbonden ondernemingen afkomstig zijn. Volgens deze rechtspraak dient het gevaar voor verwarring bij het publiek globaal te worden beoordeeld, met inachtneming van de wijze waarop het relevante publiek de tekens en de betrokken waren of diensten opvat en rekening houdend met alle relevante omstandigheden van het concrete geval, met name de overeenstemming van de merken en de soortgelijkheid van de waren of diensten waarop zij betrekking hebben [zie arrest van 9 juli 2003, Laboratorios RTB/BHIM – Giorgio Beverly Hills (GIORGIO BEVERLY HILLS), T‑162/01, Jurispr., EU:T:2003:199, punten 30‑33, en aldaar aangehaalde rechtspraak].
38
Tegen de achtergrond van deze beginselen dient te worden onderzocht op welke wijze de kamer van beroep het gevaar voor verwarring van de conflicterende tekens heeft beoordeeld.
Relevante publiek
39
Volgens de rechtspraak dient in het kader van de globale beoordeling van het gevaar voor verwarring te worden uitgegaan van de normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument van de betrokken warencategorie. Er dient ook rekening mee te worden gehouden dat het aandachtsniveau van de gemiddelde consument kan variëren naargelang van de categorie waren of diensten waarom het gaat [zie arrest van 13 februari 2007, Mundipharma/BHIM – Altana Pharma (RESPICUR), T‑256/04, Jurispr., EU:T:2007:46, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
40
In casu heeft de kamer van beroep in punt 20 van de bestreden beslissing terecht vastgesteld, zonder dienaangaande te zijn weersproken door verzoekster, dat aangezien de door de conflicterende merken aangeduide waren dure waren betreffen, het doelpubliek bestaat uit de eindverbruiker die in hoge mate aandachtig zal zijn. Aangezien het oudere merk een gemeenschapsmerk is, dient het gevaar voor verwarring bovendien met inaanmerkingneming van het publiek van de volledige Unie te worden beoordeeld.
Vergelijking van de waren
41
In punt 21 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep op goede gronden geoordeeld, zonder dat verzoekster die vaststelling overigens heeft aangevochten, dat de betrokken waren, die alle tot klasse 12 behoren, identiek zijn, ongeacht de in de loop van de beroepsprocedure voor het BHIM verrichte beperking van de aanvankelijke lijst van de door het aangevraagde merk aangeduide waren.
Vergelijking van de tekens
42
Allereerst moet in herinnering worden geroepen dat de globale beoordeling van het gevaar voor verwarring, wat de visuele, fonetische of begripsmatige overeenstemming van de conflicterende tekens betreft, dient te berusten op de totaalindruk die door deze tekens wordt opgeroepen, waarbij in het bijzonder rekening dient te worden gehouden met de onderscheidende en dominerende bestanddelen ervan. De perceptie van de merken die de gemiddelde consument van de betrokken waren of diensten heeft, speelt een beslissende rol bij de globale beoordeling van dit gevaar. In dit verband neemt de gemiddelde consument een merk gewoonlijk als een geheel waar en let hij niet op de verschillende details ervan (zie arrest van 12 juni 2007, BHIM/Shaker, C‑334/05 P, Jurispr., EU:C:2007:333, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43
In de punten 26 tot en met 29 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep geoordeeld dat de conflicterende tekens visueel overeenstemden en dat zij – globaal bezien – fonetisch voor de Engelstalige consument in hoge mate overeenstemden en begripsmatig voor het Engelstalige publiek overeenstemden wat hun beginbestanddeel „blue” betreft.
– Visuele overeenstemming
44
In punt 26 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep erop gewezen dat de eerste vijf letters van de betrokken tekens dezelfde waren en in dezelfde volgorde stonden, en dat deze letters het grootste gedeelte van beide tekens vormden. Aangezien de consument doorgaans meer aandacht besteedt aan het begingedeelte van een merk dan aan het eindgedeelte, heeft de kamer van beroep hieruit afgeleid dat de betrokken tekens visueel overeenstemden.
45
Volgens verzoekster is er geen sprake van visuele overeenstemming tussen de tekens. Zij voert aan dat de letter „e” in het aangevraagde merk dubbel is gebruikt en dat het aangevraagde merk dan ook wordt geïdentificeerd als bevattende de woorden „blue” én „eco”, twee courante woorden in het Engels. Voorts is het een gangbare praktijk om het woord „blue” af te korten tot „blu” en tal van merken bevatten aldus het woordelement „blu”. De twee betrokken tekens verschillen bijgevolg duidelijk door het tweede gedeelte ervan. Aangezien het echter om korte tekens gaat, zijn kleine verschillen reeds voldoende om een verschillende totaalindruk te wekken. Bovendien bevat het aangevraagde merk drie lettergrepen en het oudere merk slechts twee.
46
In herinnering moet worden gebracht dat het bij de beoordeling van de visuele overeenstemming van twee woordmerken veeleer belangrijk is dat meerdere letters ervan in dezelfde volgorde staan [arrest van 25 maart 2009, Kaul/BHIM – Bayer (ARCOL), T‑402/07, Jurispr., EU:T:2009:85, punt 83].
47
In casu staat vast dat het oudere merk en het aangevraagde merk, die respectievelijk uit zeven en zes letters bestaan, de vijf eerste letters met elkaar gemeen hebben, namelijk „b”, „l”, „u”, „e” en „c”, en dat het aangevraagde merk daarnaast de letter „o” en het oudere merk de letters „a” en „r” bevatten. Dit gemeenschappelijke gedeelte van de twee conflicterende tekens leidt tot visuele overeenstemming, te meer daar het publiek in de regel meer aandacht besteedt aan het begingedeelte van woordmerken [zie arrest van 6 juni 2013, Celtipharm/BHIM – Alliance Healthcare France (PHARMASTREET), T‑411/12, EU:T:2013:304, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
48
Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door verzoeksters argument dat het aangevraagde merk visueel aldus zal worden opgevat dat het uit de twee woorden „blue” en „eco” bestaat en dat het drie lettergrepen bevat. Vastgesteld moet immers worden dat het aangevraagde merk uit slechts één woord bestaat dat in de meest natuurlijke uitspraak ervan, inzonderheid voor de Engelstalige spreker, slechts twee lettergrepen bevat [zie in die zin arrest van 21 januari 2015, Copernicus-Trademarks/BHIM – Blue Coat Systems (BLUECO), T‑685/13, EU:T:2015:38, punt 35], alsook dat verzoekster geen afdoende bewijzen heeft overgelegd ter staving van haar betrokken argument. Bovendien staan de letters „a” en „r” aan het einde van het oudere merk en de letter „o” aan het einde van het aangevraagde merk er weliswaar aan in de weg dat de tekens als identiek worden beschouwd, maar deze bestanddelen zijn, anders dan verzoekster beweert, niet dominant voor de totaalindruk die door deze tekens wordt opgeroepen.
49
Bijgevolg heeft de kamer van beroep op goede gronden geconcludeerd dat de twee tekens visueel overeenstemmen.
– Fonetische overeenstemming
50
De kamer van beroep heeft in punt 27 van de bestreden beslissing geoordeeld dat de betrokken tekens – in hun geheel beschouwd – fonetisch sterk overeenstemden voor de Engelstalige consument, door wie het woordelement „blue”, dat de twee tekens delen, volgens haar op dezelfde wijze en de woordelementen „co” en „car” op gelijksoortige wijze worden uitgesproken. Bovendien heeft zij geoordeeld dat de omstandigheid dat het aangevraagde merk in sommige talen mogelijkerwijs als „blou eco” zal worden uitgesproken, niet belet dat deze fonetische overeenstemming bestaat voor een aanzienlijk deel van de relevante consumenten.
51
Verzoekster stelt dat de twee tekens grote fonetische verschillen vertonen, aangezien het aangevraagde merk drie lettergrepen bevat terwijl het oudere merk uit slechts twee lettergrepen bestaat. Subsidiair voert zij aan dat de opeenvolging en de combinatie van de lettergrepen in de twee tekens sterk verschillen, door de onderbreking tussen de klinkers „u” en „e” in het aangevraagde merk. Zij benadrukt ten slotte dat de laatste lettergrepen van de conflicterende tekens niet op gelijksoortige wijze worden uitgesproken.
52
Vooraf zij eraan herinnerd dat inschrijving van een merk reeds kan worden geweigerd wanneer voor slechts een gedeelte van het relevante publiek gevaar voor verwarring bestaat [zie arrest van 18 september 2012, Scandic Distilleries/BHIM – Bürgerbräu, Röhm & Söhne (BÜRGER), T‑460/11, EU:T:2012:432, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
53
Wat het Engelstalige publiek betreft, moet worden onderstreept dat dit publiek, anders dan verzoekster stelt, de centrale klinker van het aangevraagde merk niet zal splitsen, aangezien het woord „blue” tot het courante taalgebruik behoort. Dit publiek zal dus niet menen dat het aangevraagde merk drie lettergrepen en het oudere merk slechts twee lettergrepen bevat, maar het zal ervan uitgaan dat dit merk uit twee lettergrepen bestaat, en in het aangevraagde merk bij het uitspreken ervan geen pauze tussen de klinkers „u” en „e” houden (zie in die zin arrest BLUECO, punt 48 supra, EU:T:2015:38, punt 40).
54
Uit het feit dat het gemeenschappelijke woordelement „blue” vooraan in de conflicterende tekens staat, kan bovendien worden afgeleid dat deze tekens fonetisch in hoge mate overeenstemmen. Ook al heeft de kamer van beroep ten onrechte verklaard dat de Engelstalige consument de woordelementen „car” en „co” op gelijksoortige wijze zal uitspreken, deze eindbestanddelen zijn voor het Engelstalige publiek niet compleet verschillend, aangezien dit publiek bij het uitspreken ervan de nadruk zal leggen op de letter „c” en het de letter „r” aan het einde van het woordelement „car” min of meer zal inslikken. Ten slotte kan verzoekster niet geldig betogen dat de letter „o” in de laatste lettergreep van het aangevraagde merk de fonetische totaalindruk die door dit merk wordt gewekt, domineert.
55
De kamer van beroep heeft dan ook terecht geoordeeld dat de twee tekens voor een aanzienlijk deel van het relevante publiek fonetisch in grote mate overeenstemmen.
– Begripsmatige overeenstemming
56
Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de conflicterende tekens begripsmatig niet overeenstemmen, aangezien het oudere merk door het relevante publiek wordt begrepen als een beschrijving en de eindgedeelten van de twee tekens sterk verschillen.
57
Zoals de kamer van beroep in punt 28 van de bestreden beslissing heeft aangegeven – en verzoekster overigens erkent – zal het Engelstalige publiek de aanwezigheid van het woord „blue” in beide tekens als een aanduiding van de kleur blauw verstaan. Dit publiek zal het woord „car” in het oudere merk daarentegen opvatten als „auto” en een onderscheid maken met de uitgang „co” van het aangevraagde merk, dat ofwel geen betekenis heeft, ofwel kan worden begrepen als een afkorting van het woord „company”. Anders dan verzoekster beweert, zal het relevante publiek het aangevraagde merk evenwel niet aldus opvatten dat het moet worden ontleed in twee woorden, „blue” en „eco”.
58
Bijgevolg heeft de kamer van beroep op goede gronden geoordeeld dat de conflicterende tekens voor een gedeelte van het relevante publiek begripsmatig overeenstemmen wat het begingedeelte ervan betreft, aangezien op basis van de verschillen van de tekens in het eindgedeelte ervan niet kan worden uitgesloten dat sprake is van een bepaalde begripsmatige overeenstemming.
Globale beoordeling van het gevaar voor verwarring
59
De globale beoordeling van het gevaar voor verwarring veronderstelt een zekere onderlinge samenhang van de in aanmerking te nemen factoren, met name van de overeenstemming van de merken en de soortgelijkheid van de waren of diensten waarop zij betrekking hebben. Zo kan een geringe mate van soortgelijkheid van de betrokken waren of diensten worden gecompenseerd door een hoge mate van overeenstemming van de merken, en omgekeerd [arresten Canon, punt 30 supra, EU:C:1998:442, punt 17, en 14 december 2006, Mast-Jägermeister/BHIM – Licorera Zacapaneca (VENADO met kader e.a.), T‑81/03, T‑82/03 en T‑103/03, Jurispr., EU:T:2006:397, punt 74].
60
De globale beoordeling van het gevaar voor verwarring, wat de visuele, fonetische of begripsmatige overeenstemming van de betrokken tekens betreft, dient te berusten op de totaalindruk die door deze tekens wordt opgeroepen, waarbij in het bijzonder rekening dient te worden gehouden met de onderscheidende en dominerende bestanddelen ervan [arresten van 14 oktober 2003, Phillips-Van Heusen/BHIM – Pash Textilvertrieb und Einzelhandel (BASS), T‑292/01, Jurispr., EU:T:2003:264, punt 47, en 7 september 2006, L & D/BHIM – Sämann (Aire Limpio), T‑168/04, Jurispr., EU:T:2006:245, punt 98].
61
In casu heeft de kamer van beroep om te beginnen in punt 24 van de bestreden beslissing erop gewezen dat het oudere merk bestond uit de woorden „blue” en „car”, waarbij dit laatste de betrokken waren rechtstreeks beschreef, en het bijgevolg de zwakste term van dit merk was. Vervolgens heeft zij in punt 25 van de bestreden beslissing geoordeeld dat op basis van de door interveniënte overgelegde bewijzen niet kon worden geconcludeerd dat het oudere merk onderscheidend vermogen had verkregen als gevolg van het gebruik ervan. Zij is daarop tot de slotsom gekomen dat dit merk een gemiddeld intrinsiek onderscheidend vermogen had.
62
Vervolgens heeft de kamer van beroep bij de globale beoordeling van het gevaar voor verwarring in de punten 30 tot en met 33 van de bestreden beslissing aangegeven dat de betrokken waren identiek zijn en dat de conflicterende tekens op visueel, fonetisch en begripsmatig gebied overeenstemmen voor het Engelstalige publiek, dat een aanzienlijk gedeelte van het relevante publiek vertegenwoordigt. Zij heeft gepreciseerd dat het Engelstalige publiek het woord „car” van het oudere merk als beschrijving van de betrokken waren zou herkennen en er dus bij de benadering van de tekens, in hun geheel beschouwd, minder belang aan zou besteden. Bijgevolg zal het woord „blue” meer de aandacht van de Engelstalige consument trekken, en aldus tot gevaar voor verwarring leiden.
63
Verzoekster voert in de eerste plaats aan dat de kamer van beroep ten onrechte heeft geoordeeld dat het oudere merk een gemiddeld onderscheidend vermogen heeft, aangezien het woordelement „blue” beschrijvend van aard is en er in de automobielsector vele merken zijn ingeschreven die dit element bevatten.
64
Meteen al moeten verzoeksters argumenten worden afgewezen volgens welke interveniënte zich probeert te beroepen op de bijzondere reputatie van het oudere merk die zij niet zou hebben ingeroepen voor het BHIM. Uit de stukken blijkt immers dat interveniënte voor het Gerecht louter heeft verklaard dat de kamer van beroep had moeten erkennen dat het oudere merk een groot onderscheidend vermogen had als gevolg van het gebruik ervan, welk argument zij reeds had aangevoerd voor het BHIM en dat door de kamer van beroep in de bestreden beslissing is afgewezen. Hoe dan ook is de vordering tot herziening die interveniënte heeft ingesteld met betrekking tot de beoordeling door de kamer van beroep van het onderscheidend vermogen dat het oudere merk zou hebben verkregen door gebruik, niet-ontvankelijk verklaard (zie punten 24‑32 hierboven).
65
Voorts moet eraan worden herinnerd dat wanneer wordt erkend dat het oudere merk een zwak onderscheidend vermogen heeft, dit op zich niet belet dat gevaar voor verwarring wordt vastgesteld (zie in die zin beschikking van 27 april 2006, L’Oréal/BHIM, C‑235/05 P, EU:C:2006:271, punten 42‑45). Hoewel met het onderscheidend vermogen van het oudere merk rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van het verwarringsgevaar, is dit namelijk slechts één van de vele factoren die bij deze beoordeling een rol spelen. Ook al is het onderscheidend vermogen van een ouder merk zwak, er kan dus sprake zijn van gevaar voor verwarring met name omdat de tekens overeenstemmen en de betrokken waren of diensten soortgelijk zijn [zie arresten van 16 maart 2005, L’Oréal/BHIM – Revlon (FLEXI AIR), T‑112/03, Jurispr., EU:T:2005:102, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 13 december 2007, Xentral/BHIM – Pages jaunes (PAGESJAUNES.COM), T‑134/06, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
66
Het is weliswaar juist dat het Engelstalige publiek, zoals de kamer van beroep heeft verklaard, het woord „car” van het oudere merk als beschrijvende aanduiding van de betrokken waren zal herkennen, maar verzoekster heeft in de procedure voor het BHIM hoe dan ook geen enkel bewijs aangedragen waaruit kan worden afgeleid dat het woord „blue” aldus zal worden opgevat dat het een betekenis heeft die met de betrokken waren overeenkomt. Bovendien kan uit de omstandigheid alleen dat andere in de automobielsector ingeschreven merken eveneens het woord „blue” bevatten, gesteld al dat zulks is bewezen, als zodanig niet worden afgeleid dat dit woord door het relevante publiek enkel kan worden opgevat als beschrijving van de kenmerken van de betrokken waren. Bijgevolg heeft de kamer van beroep terecht geoordeeld dat het oudere merk, in zijn geheel bezien, een gemiddeld onderscheidend vermogen heeft.
67
In de tweede plaats is verzoekster van mening dat geen gevaar voor verwarring van de conflicterende tekens bestaat, met name gelet op het hoge aandachtsniveau van het relevante publiek.
68
Dienaangaande moet aanstonds in herinnering worden geroepen dat inschrijving van een merk reeds kan worden geweigerd wanneer voor slechts een gedeelte van het relevante publiek sprake is van gevaar voor verwarring (zie punt 52 hierboven).
69
Uit wat voorafgaat volgt enerzijds dat de betrokken waren identiek zijn en anderzijds dat de conflicterende tekens visueel overeenstemmen voor het volledige relevante publiek, fonetisch sterk op elkaar lijken voor het Engelstalige publiek en begripsmatig overeenstemmen, wat het begingedeelte ervan betreft, voor het Engelstalige publiek. Derhalve moet geoordeeld dat, ondanks het hoge aandachtsniveau van het relevante publiek, in casu gevaar voor verwarring bestaat voor het Engelstalige publiek.
70
Gelet op een en ander heeft de kamer van beroep artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 niet geschonden door te oordelen dat sprake was van gevaar voor verwarring van de conflicterende tekens.
71
Op grond van al deze overwegingen dient het beroep in zijn geheel te worden verworpen, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de ontvankelijkheid van de door verzoekster in het kader van haar eerste conclusie geformuleerde vordering die ertoe strekt dat het Gerecht de oppositie volledig afwijst [zie in die zin arresten van 22 mei 2008, NewSoft Technology/BHIM – Soft (Presto! Bizcard Reader), T‑205/06, EU:T:2008:163, punt 70, en 22 januari 2009, Commercy/BHIM – easyGroup IP Licensing (easyHotel), T‑316/07, Jurispr., EU:T:2009:14, punten 35 en 67].
Kosten
72
Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vorderingen van het BHIM en interveniënte worden verwezen in de kosten.
HET GERECHT (Tweede kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
Het beroep wordt verworpen.
2)
De door Bolloré SA ingestelde vordering tot herziening wordt verworpen.
3)
Copernicus-Trademarks Ltd wordt verwezen in de kosten.
Martins Ribeiro
Gervasoni
Madise
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 25 september 2015.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy