20.7.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 207/44
Beroep ingesteld op 21 mei 2013 — Italiaanse Republiek/Europese Commissie
(Zaak T-268/13)
2013/C 207/75
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Italiaanse Republiek (vertegenwoordigers: S. Fiorentino, avvocato dello Stato, G. Palmieri, gemachtigde)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
besluit C(2013) 1264 def. van de Commissie van 7 maart 2013, betekend op 11 maart daaraanvolgend, nietig verklaren op grond van de in de drie middelen uiteengezette redenen;
—
de Commissie verwijzen in de kosten
Middelen en voornaamste argumenten
Met het onderhavige beroep komt de Italiaanse regering op tegen besluit C(2013) 1264 def. van de Europese Commissie van 7 maart 213, betekend op 11 maart daaraanvolgend, waarbij de Commissie, in uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van 17 november 2011 in zaak C-496/09, de Italiaanse Republiek heeft gelast een bedrag van 16 533 000 EUR te betalen als dwangsom.
Met dat arrest had het Hof de Italiaanse Republiek onder meer veroordeeld tot betaling aan de Europese Commissie op de rekening „Eigen middelen van de Europese Unie” van een dwangsom waarvan het bedrag wordt berekend door het basisbedrag van 30 miljoen EUR te vermenigvuldigen met het percentage van de onrechtmatige steun ten opzichte van het totaalbedrag dat nog niet is teruggevorderd op de datum van uitspraak van het onderhavige arrest, per halfjaar vertraging bij het treffen van de maatregelen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest van 1 april 2004, Commissie/Italië (C-99/02).
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan.
1.
Schending van artikel 260, lid 1 en lid 3, tweede alinea, VWEU: schending van het ten uitvoer te leggen arrest (arrest van 17 november 2011, Commissie/Italië, C-496/09) wegens de onjuiste uitlegging van dat punt van het arrest waarin ter berekening van de dwangsom het „[…]bedrag dat nog niet is teruggevorderd op de datum van uitspraak van het onderhavige arrest” als referentiepunt wordt genomen.
Volgens de Italiaanse regering moet dat punt van het ten uitvoer te leggen arrest aldus worden uitgelegd dat de in aanmerking te nemen datum niet de datum van uitspraak van het arrest is, maar de datum waarop in de procedure de fase van de bewijsvergaring is beëindigd, te weten het ogenblik waarop de processuele feitelijke situatie op basis waarvan het Hof het geschil heeft beslecht, is vastgelegd. Volgens de Italiaanse regering moet met het oog op de vermindering van de halfjaarlijkse dwangsom namelijk rekening worden gehouden met de maatregelen van terugvordering die zij in de loop van de procedure, maar na afsluiting van het onderzoek heeft genomen.
2.
Schending van artikel 260, lid 1 en lid 3, tweede alinea, VWEU: schending van het ten uitvoer te leggen arrest wegens de onjuiste uitlegging van het punt van dat arrest waarin is bepaald dat voor de berekening van de dwangsom die halfjaarlijks is verschuldigd, geen rekening moet worden gehouden met de steun „waarvan de terugvordering nog niet heeft plaatsgevonden of niet is bewezen aan het einde van de betrokken periode”.
—
Volgens de Italiaanse regering moet dat punt van het ten uitvoer te leggen arrest aldus worden uitgelegd dat, met het oog op voornoemde beoordeling, het verzamelen van bewijselementen tijdens de referentieperiode van zes maanden van belang is en niet het feit dat deze elementen binnen die periode van zes maanden ter kennis van de Commissie zijn gebracht. De Italiaanse regering is namelijk van mening dat de tegengestelde uitlegging van de Europese Commissie — volgens welke op de Italiaanse Republiek de verplichting rust de bewijzen voor de berekening van de halfjaarlijkse dwangsom ten laatste op de laatste dag van die periode van zes maanden over te leggen, zodat de bedragen waarvan de terugvordering weliswaar tijdens die periode is gebeurd, maar die pas achteraf aan de Commissie zijn meegedeeld, van de berekening zijn uitgesloten — in strijd is met het beginsel van loyale samenwerking en niet is gerechtvaardigd door de doelstelling van het door het Hof opgelegde voorschrift en in feite leidt tot een onaanvaardbare inkorting van de termijn waarover de Italiaanse autoriteiten beschikt om dat voorschrift na te komen en aldus het bedrag van de halfjaarlijkse dwangsom te verminderen.
3.
Schending van artikel 260, lid 1, en lid 3, tweede alinea, VWEU: schending van het ten uitvoer te leggen arrest wat betreft de schuldvorderingen op ondernemingen in „surseance van betaling” of „onder toezicht”.
—
Het besluit trekt namelijk van de steun die verschuldigd was bij het verstrijken van de referentieperiode van zes maanden niet de in het kader van de desbetreffende insolventieprocedures ingediende schuldvorderingen op die bedrijven af, hoewel het volgens de Italiaanse regering schuldvorderingen betreft met betrekking tot de welke de lidstaat de vereiste zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd en die dus moeten worden uitgesloten van het bedrag van de steun die krachtens het ten uitvoer te leggen arrest verschuldigd is.
Full & Egal Universal Law Academy