21.9.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 274/27
Beroep ingesteld op 9 augustus 2013 — Chin Haur Indonesia/Raad
(Zaak T-412/13)
2013/C 274/43
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Chin Haur Indonesia, PT (Tangerang, Indonesië) (vertegenwoordigers: T. Müller-Ibold en F.-C. Laprévote, advocaten)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
Verzoekster verzoekt het Gerecht om:
—
artikel 1, leden 1 en 3, van uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 (1) van de Raad gedeeltelijk nietig te verklaren, voor zover daarbij het antidumpingrecht wordt uitgebreid tot verzoekster en verzoeksters verzoek om vrijstelling wordt afgewezen;
—
de Raad te verwijzen in verzoeksters juridische kosten en andere kosten en uitgaven met betrekking tot deze zaak, en
—
elke andere maatregel te gelasten die het gepast acht.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vijf middelen aan.
1)
Eerste middel: de Commissie en de Raad hebben niet aangetoond dat sprake is van ontwijking met betrekking tot de Indonesische invoer en hebben dus een kennelijk onjuiste beoordeling gemaakt, voor zover:
—
de conclusie dat de structuur van het handelsverkeer is veranderd, kennelijk onjuist is;
—
de Raad ten onrechte heeft gesteld dat Indonesische producenten, in het bijzonder verzoekster, rijwielen van China naar de EU overlaadden.
2)
Tweede middel: de Raad was ten onrechte van oordeel dat verzoekster niet meewerkte en die niet-medewerking voldoende grond bood om haar verzoek om vrijstelling af te wijzen, aangezien:
—
verzoekster naar best vermogen heeft meegewerkt;
—
de vaststelling dat zij niet heeft meegewerkt ongegrond is;
—
de Raad de vaststelling van niet-medewerking niet heeft gemotiveerd;
—
de Raad geen rekening heeft gehouden met bijkomende informatie die verzoekster had verstrekt.
3)
Derde middel: schending van verzoeksters recht op het genot van procedurele waarborgen tijdens het onderzoek, voor zover:
—
de Commissie de op haar rustende verplichting om het haar overgelegde bewijs onpartijdig te beoordelen niet is nagekomen;
—
het onderzoek van de Commissie procedurele onregelmatigheden vertoonde.
4)
Vierde middel: schending van het beginsel van gelijke behandeling door verzoekster geen vrijstelling te verlenen, voor zover:
—
de Commissie verzoekster heeft gediscrimineerd door exporteurs in dezelfde situatie vrijstelling te verlenen en verzoeksters verzoek om vrijstelling af te wijzen;
—
verzoekster ten onrechte is behandeld zoals producenten die helemaal geen medewerking verleenden.
5)
Vijfde middel: onverenigbaarheid van de vaststellingen inzake schade en dumping in de uitvoeringsverordening met de basisverordening antidumping, voor zover:
—
de vaststelling dat de corrigerende werking van het antidumpingrecht werd ondermijnd, onjuist is;
—
de Commissie dumping heeft vastgesteld op basis van onbetrouwbare en niet-geschikte gegevens en ten onrechte heeft geweigerd door verzoekster aangevoerde gegevens betreffende prijzen in aanmerking te nemen.
(1) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 van de Raad van 29 mei 2013 tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 990/2011 is ingesteld op de invoer van rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot de invoer van rijwielen verzonden uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië (PB L 153, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy