Zaak C-1/14: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 11 juni 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Grondwettelijk Hof — België) — Base Company NV, voorheen KPN Group Belgium NV, Mobistar NV/Ministerraad (Prejudiciële verwijzing — Elektronischecommunicatienetwerken en -diensten — Richtlijn 2002/22/EG — Artikelen 4, 9, 13 en 32 — Universeledienstverplichtingen en sociale verplichtingen — Aanbieding van toegang op een vaste locatie en aanbieding van telefoondiensten — Betaalbaarheid van de tarieven — Bijzondere tariefopties — Financiering van universeledienstverplichtingen — Aanvullende verplichte diensten — Mobielecommunicatiediensten en/of internetabonnementen)
C2702015NL520120150611NL00065262
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 11 juni 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Grondwettelijk Hof — België) — Base Company NV, voorheen KPN Group Belgium NV, Mobistar NV/Ministerraad
(Zaak C-1/14) ( 1 )
„(Prejudiciële verwijzing — Elektronischecommunicatienetwerken en -diensten — Richtlijn 2002/22/EG — Artikelen 4, 9, 13 en 32 — Universeledienstverplichtingen en sociale verplichtingen — Aanbieding van toegang op een vaste locatie en aanbieding van telefoondiensten — Betaalbaarheid van de tarieven — Bijzondere tariefopties — Financiering van universeledienstverplichtingen — Aanvullende verplichte diensten — Mobielecommunicatiediensten en/of internetabonnementen)”2015/C 270/06Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Grondwettelijk Hof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Base Company NV, voorheen KPN Group Belgium NV, Mobistar NV
Verwerende partij: Ministerraad
in tegenwoordigheid van: Belgacom NV
Dictum
Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (universeledienstrichtlijn), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009, moet aldus worden uitgelegd dat de bijzondere tarieven en de financieringsregeling waarin respectievelijk de artikelen 9 en 13, lid 1, onder b), van deze richtlijn voorzien, van toepassing zijn op internetabonnementsdiensten die een internetaansluiting op een vaste locatie vereisen, maar niet op mobielecommunicatiediensten, daaronder begrepen abonnementsdiensten voor mobiel internet. Indien laatstgenoemde diensten op het nationale grondgebied algemeen beschikbaar worden gesteld als „aanvullende verplichte diensten” in de zin van artikel 32 van richtlijn 2002/22, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136, mag de financiering ervan in het kader van het nationale recht niet worden verzekerd door middel van een mechanisme waaraan specifieke ondernemingen moeten deelnemen.
( 1 ) PB C 102 van 7.4.2014.
Full & Egal Universal Law Academy