20.7.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 236/13
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 4 juni 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Hamburg — Duitsland) — Kernkraftwerke Lippe-Ems GmbH/Hauptzollamt Osnabrück
(Zaak C-5/14) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Artikel 267 VWEU - Incidentele procedure voor grondwettigheidstoetsing - Toetsing van een nationale wet aan zowel het Unierecht als de grondwet van de betrokken lidstaat - Mogelijkheid voor de nationale rechter om bij het Hof van Justitie een verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen - Nationale regeling die voorziet in de heffing van een belasting over het gebruik van splijtstof - Richtlijnen 2003/96/EG en 2008/118/EG - Artikel 107 VWEU - Artikelen 93 EA, 191 EA en 192 EA))
(2015/C 236/17)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Finanzgericht Hamburg
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Kernkraftwerke Lippe-Ems GmbH
Verwerende partij: Hauptzollamt Osnabrück
Dictum
1)
Artikel 267 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het feit dat een incidentele procedure voor grondwettigheidstoetsing van een nationale wettelijke regeling aanhangig is bij de nationale rechterlijke instantie die met die toetsing is belast, er niet toe leidt dat een nationale rechter die zowel twijfel koestert over de verenigbaarheid van die regeling met het Unierecht als over de verenigbaarheid ervan met de grondwet van de betrokken lidstaat, de mogelijkheid verliest of in voorkomend geval van de verplichting wordt ontheven om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie vragen te stellen over de uitlegging of de geldigheid van het Unierecht.
2)
Artikel 14, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit, en artikel 1, leden 1 en 2, van richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die het gebruik van splijtstof voor de bedrijfsmatige opwekking van elektriciteit belast.
3)
Artikel 107 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die het gebruik van splijtstof voor de bedrijfsmatige opwekking van elektriciteit belast.
4)
Artikel 93, lid 1, EA, artikel 191 EA, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, van het aan het VEU, het VWEU en het EGA-Verdrag gehechte protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 192, lid 2, EA, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 2, EA en artikel 2, onder d), EA, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die het gebruik van splijtstof voor de bedrijfsmatige opwekking van elektriciteit belast.
(1) PB C 85 van 22.3.2014.
Full & Egal Universal Law Academy