15.6.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 198/11
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 16 april 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Naczelny Sąd Administracyjny — Polen) — Minister Finansów/Wojskowa Agencja Mieszkaniowa w Warszawie
(Zaak C-42/14) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Fiscale bepalingen - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde - Verhuur van een onroerend goed - Levering van elektriciteit, verwarming en water en ophaling van afval - Overeenkomsten tussen de verhuurder en de leveranciers van die goederen, respectievelijk de aanbieders van die diensten - Prestaties ten behoeve van de huurder die worden geacht door de verhuurder te zijn verricht - Huurlasten - Bepaling van de maatstaf van heffing - Mogelijkheid om de huurlasten op te nemen in de maatstaf van heffing van de verhuurdiensten - Handeling die bestaat uit één enkele prestatie of uit meerdere zelfstandige prestaties))
(2015/C 198/14)
Procestaal: Pools
Verwijzende rechter
Naczelny Sąd Administracyjny
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Minister Finansów
Verwerende partij: Wojskowa Agencja Mieszkaniowa w Warszawie
Dictum
1)
De artikelen 14, lid 1, 15, lid 1, en 24, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/162/EU van de Raad van 22 december 2009, moeten aldus worden uitgelegd dat de levering van elektriciteit, verwarming en water en de afvalophaling die in het kader van de verhuur van een onroerend goed door derden worden verricht voor de huurder die deze goederen en diensten rechtstreeks gebruikt, moeten worden geacht door de verhuurder te worden verricht wanneer deze de overeenkomsten voor de verrichting van die prestaties heeft gesloten en hij gewoon de kosten ervan doorberekent aan de huurder.
2)
Deze richtlijn moet aldus worden uitgelegd dat de verhuur van een onroerend goed en de in het kader daarvan verrichte levering van water, elektriciteit en verwarming en ophaling van afval in beginsel moeten worden beschouwd als meerdere onderscheiden en zelfstandige prestaties die vanuit het oogpunt van de belasting over de toegevoegde waarde afzonderlijk moeten worden beoordeeld, tenzij de onderdelen van de handeling, met inbegrip van die waaruit de economische reden voor de afsluiting van de overeenkomst blijkt, zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één enkele ondeelbare economische prestatie vormen, waarvan splitsing kunstmatig zou zijn.
3)
Het staat aan de nationale rechter om de nodige beoordelingen te verrichten, rekening houdend met alle omstandigheden van de verhuur en de prestaties die in verband daarmee worden verricht, en in het bijzonder met de inhoud van de overeenkomst zelf.
(1) PB C 135 van 5.5.2014.
Full & Egal Universal Law Academy