3.11.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 363/9
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 9 september 2015 [verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (Nederland) en de Hoge Raad der Nederlanden] — X/Inspecteur van Rijksbelastingdienst (C-72/14) en T. A. van Dijk/Staatssecretaris van Financiën (C-197/14)
(Gevoegde zaken C-72/14 en C-197/14) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Migrerende werknemers - Sociale zekerheid - Toepasselijke wetgeving - Rijnvarenden - E101-verklaring - Bewijskracht - Voorlegging aan het Hof - Verplichting tot verwijzing))
(2015/C 363/11)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechters
Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, Hoge Raad der Nederlanden
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: X (C-72/14), T. A. van Dijk (C-197/14)
Verwerende partijen: Inspecteur van Rijksbelastingdienst (C-72/14), Staatssecretaris van Financiën (C-197/14)
Dictum
1)
Artikel 7, lid 2, onder a), van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en de artikelen 10 quater tot en met 11 bis, 12 bis en 12 ter van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71, beide zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, en gewijzigd bij verordening (EG) nr. 647/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005, moeten aldus worden uitgelegd dat een verklaring die het bevoegde orgaan van een lidstaat, in de vorm van een E101-verklaring, heeft afgegeven teneinde te bevestigen dat een werknemer is onderworpen aan de sociale wetgeving van die lidstaat, terwijl deze werknemer valt onder het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden, aangenomen door de Regeringsconferentie belast met de herziening van het Verdrag van 13 februari 1961 betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden, ondertekend te Genève op 30 november 1979, niet bindend is voor de organen van de andere lidstaten, en dat het in dit verband niet relevant is dat het orgaan van afgifte niet beoogde een echte E101-verklaring af te geven, maar om administratieve redenen het standaardformulier van die verklaring heeft gebruikt.
2)
Artikel 267, derde alinea, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, zoals de verwijzende rechter, niet gehouden is zich tot het Hof van Justitie van de Europese Unie te wenden op de enkele grond dat een lagere nationale rechter in een zaak die vergelijkbaar is met de aan haar voorgelegde zaak en die betrekking heeft op exact dezelfde problematiek, een prejudiciële vraag heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, noch om de beantwoording van die vraag af te wachten.
(1) PB C 142 van 12.5.2014.
PB C 223 van 14.7.2014.
Full & Egal Universal Law Academy