2.5.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 156/3
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 10 maart 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Kúria — Hongarije) — Flight Refund Ltd/Deutsche Lufthansa AG
(Zaak C-94/14) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht - Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken - Europese betalingsbevelprocedure - Verordening (EG) nr. 1896/2006 - Artikelen 17 en 20 - Verplichtingen van een gerecht waarbij een verzoek is ingediend tot aanwijzing van het gerecht dat territoriaal bevoegd is om de contentieuze procedure te behandelen die wordt opgestart nadat de verweerder een verweerschrift tegen het Europees betalingsbevel heeft ingediend - Bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar het Europees betalingsbevel is uitgevaardigd - Verordening (EG) nr. 44/2001 - Vordering op basis van het recht op compensatie dat krachtens verordening (EG) nr. 261/2004 aan passagiers toekomt bij vluchtvertraging])
(2016/C 156/03)
Procestaal: Hongaars
Verwijzende rechter
Kúria
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Flight Refund Ltd
Verwerende partij: Deutsche Lufthansa AG
Dictum
Het Unierecht moet aldus worden uitgelegd dat in omstandigheden waarin bij een gerecht een procedure als die van het hoofdgeding aanhangig is, die strekt tot aanwijzing van een territoriaal bevoegd gerecht in de lidstaat waar het Europees betalingsbevel is uitgevaardigd, en waarin het onderzoekt of de gerechten van die lidstaat internationaal bevoegd zijn om kennis te nemen van de contentieuze procedure in verband met de schuldvordering die aan de basis ligt van dat betalingsbevel, waartegen de verweerder binnen de gestelde termijn verweer heeft gevoerd:
—
verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure geen aanwijzingen verstrekt betreffende de bevoegdheden en de verplichtingen van dat gerecht; deze procedurekwesties blijven op grond van artikel 26 van deze verordening beheerst door het nationale recht van deze lidstaat;
—
de kwestie van de internationale bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar het Europees betalingsgevel is uitgevaardigd, ingevolge verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken dient te worden beslecht op basis van procedureregels die het mogelijk maken de nuttige werking van de voorschriften van deze verordening en de rechten van de verdediging te waarborgen, ongeacht of de verwijzende rechter zich zelf over de kwestie uitspreekt dan wel een gerecht dat door hem is aangewezen als zijnde territoriaal en materieel bevoegd om zich in het kader van de gewone civielrechtelijke procedure uit te spreken over een schuldvordering als die van het hoofdgeding;
—
een rechter als de verwijzende rechter, indien hij zich uitspreekt over de internationale bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar het Europees betalingsbevel is uitgevaardigd, en concludeert dat deze gerechten in het licht van de criteria van verordening nr. 44/2001 bevoegd zijn, krachtens deze laatste verordening en verordening nr. 1896/2006 verplicht is om zijn nationale recht aldus uit te leggen dat dit hem de mogelijkheid biedt een gerecht te identificeren of aan te wijzen dat territoriaal en materieel bevoegd is om kennis te nemen van deze procedure, en
—
een rechter als de verwijzende rechter, indien hij concludeert dat van een dergelijke internationale bevoegdheid geen sprake is, niet gehouden is om dit betalingsbevel naar analogie met artikel 20 van verordening nr. 1896/2006 ambtshalve te heroverwegen.
(1) PB C 142 van 12.5.2014.
Full & Egal Universal Law Academy