15.5.2017
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 151/2
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 maart 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Raad van State — Nederland) — A, B, C, D/Minister van Buitenlandse Zaken
(Zaak C-158/14) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) - Specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met oog op de strijd tegen terrorisme - Gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB - Kaderbesluit 2002/475/JBZ - Verordening (EG) nr. 2580/2001 - Artikel 2, lid 3 - Opname van de organisatie „Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam (LTTE)” op de lijst van personen, groepen en entiteiten die betrokken zijn bij terroristische daden - Prejudiciële vraag over de geldigheid van die opname - Overeenstemming met het internationale humanitaire recht - Begrip „terroristische daad” - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict])
(2017/C 151/02)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Raad van State
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: A, B, C, D
Verwerende partij: Minister van Buitenlandse Zaken
Dictum
1)
Het staat niet buiten twijfel, in de zin van de rechtspraak die is voortgekomen uit de arresten van 9 maart 1994, TWD Textilwerke Deggendorf (C-188/92, EU:C:1994:90), en 15 februari 2001, Nachi Europe (C-239/99, EU:C:2001:101), dat beroepen tot nietigverklaring die door personen in een situatie als die van verzoekers in het hoofdgeding, bij het Gerecht van de Europese Unie zouden worden ingesteld tegen uitvoeringsverordening (EU) nr. 610/2010 van de Raad van 12 juli 2010 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2580/2001 en tot intrekking van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1285/2009, of tegen de daaraan voorafgaande Uniehandelingen, inzake de plaatsing van de entiteit „Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam (LTTE)” op de lijst als bedoeld in artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, ontvankelijk zouden zijn geweest.
2)
Aangezien gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB van de Raad van 27 december 2001 betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme, en verordening nr. 2580/2001 zich er niet tegen verzetten dat handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict in de zin van het internationale humanitaire recht „terroristische daden” in de zin van deze Uniehandelingen vormen, doet het feit dat de activiteiten van de entiteit „Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam (LTTE)” dergelijke daden kunnen vormen, niet af aan de geldigheid van uitvoeringsverordening nr. 610/2010 en van de daaraan voorafgaande Uniehandelingen inzake de in punt 1 van dit dictum bedoelde plaatsing op de lijst.
(1) PB C 194 van 24.6.2016.
Full & Egal Universal Law Academy