3.11.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 363/14
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 9 september 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Varas Cíveis de Lisboa — Portugal) — João Filipe Ferreira da Silva e Brito e.a./Estado português
(Zaak C-160/14) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Harmonisatie van de wetgevingen - Behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen - Begrip „overgang van een vestiging” - Verplichting tot het indienen van een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267, derde alinea, VWEU - Beweerde schending van het Unierecht door een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep - Nationale wetgeving die het recht op vergoeding van de schade ten gevolge van een dergelijke schending afhankelijk maakt van de voorafgaande vernietiging van de beslissing waardoor die schade is veroorzaakt))
(2015/C 363/16)
Procestaal: Portugees
Verwijzende rechter
Varas Cíveis de Lisboa
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: João Filipe Ferreira da Silva e Brito e.a.
Verwerende partij: Estado português
Dictum
1)
Artikel 1, lid 1, van richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen moet aldus worden uitgelegd dat het begrip „overgang van een vestiging” ook betrekking heeft op een situatie waarin een onderneming die actief is op de markt voor chartervluchten, wordt ontbonden door haar hoofdaandeelhouder, die zelf een luchtvaartonderneming is, en laatstgenoemde onderneming vervolgens in de plaats treedt van de ontbonden onderneming door de overeenkomsten betreffende de huur van vliegtuigen en de lopende charterovereenkomsten over te nemen, activiteiten uitvoert die voordien door de ontbonden onderneming werden verricht, sommige werknemers die tot dat ogenblik waren gedetacheerd bij die onderneming, weer in dienst neemt en hen belast met dezelfde taken als zij voordien uitvoerden, en kleine uitrusting van die onderneming overneemt.
2)
In omstandigheden als in het hoofdgeding, waarin lagere rechterlijke instanties uiteenlopende beslissingen geven over de uitlegging van het begrip „overgang van een vestiging” in de zin van artikel 1, lid 1, van richtlijn 2001/23 en die uitlegging tevens herhaaldelijk moeilijkheden oplevert in de verschillende lidstaten, moet artikel 267, derde alinea, VWEU aldus worden uitgelegd dat een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, verplicht is het Hof van Justitie van de Europese Unie te verzoeken om een prejudiciële beslissing over die uitlegging.
3)
Het Unierecht en meer bepaald de door het Hof geformuleerde beginselen betreffende de aansprakelijkheid van de staat voor de schade die particulieren lijden ten gevolge van een schending van het Unierecht door een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die als voorwaarde stelt dat de schadeveroorzakende beslissing van die rechterlijke instantie voorafgaandelijk is vernietigd, terwijl die vernietiging in feite uitgesloten is.
(1) PB C 175 van 10.6.2014.
Full & Egal Universal Law Academy