15.9.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 315/25
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 17 juli 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Audiencia Provincial de Castellón — Spanje) — Juan Carlos Sánchez Morcillo en María del Carmen Abril García/Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, S.A.
(Zaak C-169/14) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Richtlijn 93/13/EEG - Artikel 7 - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Artikel 47 - Consumentenovereenkomsten - Hypothecaire lening - Oneerlijke bedingen - Hypothecaire executie - Recht op het aanwenden van rechtsmiddelen))
2014/C 315/38
Procestaal: Spaans
Verwijzende rechter
Audiencia Provincial de Castellón
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Juan Carlos Sánchez Morcillo en María del Carmen Abril García
Verwerende partij: Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, S.A.
Dictum
Artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een stelsel van executieprocedures, zoals het in het hoofdgeding aan de orde zijnde stelsel, op grond waarvan de hypothecaire executieprocedure niet kan worden geschorst door de rechter in de declaratoire procedure, die in zijn einduitspraak hoogstens een vergoeding kan toekennen voor de schade die de consument heeft geleden, voor zover de consument, in zijn hoedanigheid van geëxecuteerde schuldenaar, geen hoger beroep kan instellen tegen de rechterlijke beslissing waarbij zijn verzet tegen de executie wordt afgewezen, terwijl de kredietverstrekker, de executerende schuldeiser, dat rechtsmiddel wel kan aanwenden tegen de rechterlijke beslissing waarbij de beëindiging van de executie of de buitentoepassinglating van een oneerlijk beding wordt gelast.
(1) PB C 175 van 10.6.2014.
Full & Egal Universal Law Academy