7.9.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 294/10
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 2 juli 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Vrhovno sodišče — Slovenië) — NLB Leasing d.o.o./Republika Slovenija
(Zaak C-209/14) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Btw - Richtlijn 2006/112/EG - Levering van goederen of verrichting van diensten - Leaseovereenkomst - Restitutie aan de lessor van onroerend goed dat voorwerp van een leaseovereenkomst is - Begrip „annulering, verbreking, ontbinding of gehele of gedeeltelijke niet-betaling” - Recht van de lessor op verlaging van de maatstaf van heffing - Dubbele belasting - Onderscheiden handelingen - Beginsel van fiscale neutraliteit))
(2015/C 294/13)
Procestaal: Sloveens
Verwijzende rechter
Vrhovno sodišče
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: NLB Leasing d.o.o.
Verwerende partij: Republika Slovenija
Dictum
1)
De artikelen 2, lid 1, 14 en 24, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, moeten aldus worden uitgelegd dat, wanneer een leaseovereenkomst voor een onroerend goed bepaalt dat aan het einde van die overeenkomst de eigendom overgaat op de leasingnemer, of dat alsdan aan de leasingnemer de wezenlijke attributen van de eigendom van dat onroerend goed ter beschikking worden gesteld, waarbij met name het merendeel van de aan de juridische eigendom van dat onroerend goed verbonden voordelen en risico’s op hem overgaat en de geactualiseerde optelsom van de termijnen praktisch gelijk is aan de verkoopwaarde van het goed, de handeling die uit een dergelijke overeenkomst voortvloeit dient te worden gelijkgesteld aan de verkrijging van een investeringsgoed.
2)
Artikel 90, lid 1, van richtlijn 2006/112 moet aldus worden uitgelegd dat dit een belastingplichtige niet toestaat om zijn maatstaf van heffing te verlagen wanneer hij alle betalingen heeft geïnd die de tegenprestatie waren voor de handeling die hij heeft verricht of wanneer de andere contractpartij, zonder dat de overeenkomst is verbroken of geannuleerd, aan de belastingplichtige niet langer de overeengekomen prijs verschuldigd is.
3)
Het beginsel van fiscale neutraliteit moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat over een verrichting op het gebied van lease die betrekking heeft op onroerend goed en over de verkoop van dat onroerend goed aan een derde (ten opzichte van de leaseovereenkomst), afzonderlijk btw wordt geheven, voor zover die handelingen niet als één enkele handeling kunnen worden beschouwd. Het staat aan de verwijzende rechter om dit te beoordelen.
(1) PB C 202 van 30.6.2014.
Full & Egal Universal Law Academy