22.2.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 68/9
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 23 december 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof — Duitsland) — Rüdiger Hobohm/Benedikt Kampik Ltd & Co. KG, Benedikt Aloysius Kampik, Mar Mediterraneo Werbe- und Vertriebsgesellschaft für Immobilien SL
(Zaak C-297/14) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken - Verordening (EG) nr. 44/2001 - Rechterlijke bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten - Artikelen 15, lid 1, onder c), en 16, lid 1 - Begrip commerciële of beroepsactiviteit „gericht op” de lidstaat van de consument - Lastgevingsovereenkomst die strekt tot de verwezenlijking van het economische resultaat dat werd beoogd met een overeenkomst die voordien tussen partijen was gesloten in het kader van een op de lidstaat van de consument gerichte commerciële of beroepsactiviteit])
(2016/C 068/11)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesgerichtshof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Rüdiger Hobohm
Verwerende partijen: Benedikt Kampik Ltd & Co. KG, Benedikt Aloysius Kampik, Mar Mediterraneo Werbe- und Vertriebsgesellschaft für Immobilien SL
Dictum
Artikel 15, lid 1, onder c), van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, voor zover daarin sprake is van de overeenkomst die is gesloten in het kader van de commerciële of beroepsactiviteiten die een ondernemer „richt op” de lidstaat waar de consument woonplaats heeft, gelezen in samenhang met artikel 16, lid 1, van deze verordening, moet aldus worden uitgelegd dat het van toepassing kan zijn op een tussen een consument en een ondernemer gesloten overeenkomst die op zich niet behoort tot de commerciële of de beroepsactiviteiten die deze ondernemer „richt op” de lidstaat van de woonplaats van de consument, maar die verband houdt met een overeenkomst die voordien tussen dezelfde partijen is gesloten in het kader van dergelijke activiteiten. Het staat aan de nationale rechter om te verifiëren of de feitelijke bestanddelen aanwezig zijn die dat verband opleveren, met name het feit dat het bij de twee overeenkomsten gaat om dezelfde partijen, rechtens of feitelijk, het feit dat deze overeenkomsten hetzelfde economische resultaat nastreven met betrekking tot hetzelfde specifieke doel, en het feit dat de tweede overeenkomst de eerste overeenkomst vervolledigt doordat zij ertoe strekt het door deze laatste overeenkomst beoogde economische resultaat te bereiken.
(1) PB C 303 van 8.9.2014.
Full & Egal Universal Law Academy