1.2.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 38/8
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 26 november 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Augstākā tiesa — Letland) — SIA „Maxima Latvija”/Konkurences padome
(Zaak C-345/14) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Mededinging - Artikel 101, lid 1, VWEU - Toepassing van een soortgelijke nationale regeling - Bevoegdheid van het Hof - Begrip „overeenkomst met mededingingsbeperkende strekking” - Handelshuurovereenkomsten - Winkelcentra - Recht van de ankerhuurder om zich te verzetten tegen de verhuur door de verhuurder van winkelruimte aan derden))
(2016/C 038/10)
Procestaal: Lets
Verwijzende rechter
Augstākā tiesa
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: SIA „Maxima Latvija”
Verwerende partij: Konkurences padome
Dictum
1)
Artikel 101, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat de loutere omstandigheid dat een handelshuurovereenkomst voor de verhuur van een supermarkt in een winkelcentrum, een clausule bevat die de huurder het recht toekent om zich te verzetten tegen de verhuur, door de verhuurder, van winkelruimte in dat centrum aan andere huurders, niet impliceert dat die overeenkomst een mededingingsbeperkende strekking in de zin van die bepaling heeft.
2)
Handelshuurovereenkomsten als die in het hoofdgeding, waarvan na een grondige analyse van de economische en juridische context waarin ze gelden, en van de bijzonderheden van de betrokken referentiemarkt blijkt dat ze aanzienlijk bijdragen tot een mogelijke afscherming van die markt, kunnen worden beschouwd als overeenkomsten die „tot gevolg” hebben dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU. Het belang van de bijdrage van elke overeenkomst tot die afscherming hangt onder meer af van de marktpositie van de contractpartijen en de duur van de overeenkomst.
(1) PB C 329 van 22.9.2014.
Full & Egal Universal Law Academy