7.9.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 294/15
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 9 juli 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Judecătoria Câmpulung — Roemenië) — Maria Bucura/SC Bancpost SA
(Zaak C-348/14) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Consumentenbescherming - Richtlijn 87/102/EEG - Artikel 1, lid 2, onder a) - Consumentenkrediet - Begrip „consument” - Richtlijn 93/13/EEG - Artikelen 2, onder b), 3 tot en met 5 en 6, lid 1 - Oneerlijke bedingen - Ambtshalve onderzoek door de nationale rechter - „Duidelijk en begrijpelijk geformuleerde” bedingen - Informatie die door de schuldeiser moet worden verstrekt])
(2015/C 294/19)
Procestaal: Roemeens
Verwijzende rechter
Judecătoria Câmpulung
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Maria Bucura
Verwerende partij: SC Bancpost SA
Interveniërende partij: Vasile Ciobanu
Dictum
1)
Artikel 1, lid 2, onder a), van richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet, zoals gewijzigd bij richtlijn 98/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 en artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moeten aldus worden uitgelegd dat een natuurlijke persoon die medeschuldenaar van een met een verkoper gesloten overeenkomst is, onder het begrip „consument” in de zin van die bepalingen valt, voor zover hij handelt voor doeleinden buiten zijn bedrijf of beroep.
2)
Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat het aan de nationale rechter staat om ambtshalve te onderzoeken of bedingen van een tussen een consument en een verkoper gesloten overeenkomst oneerlijk zijn in de zin van die bepaling, zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt.
3)
De artikelen 3 tot en met 5 van richtlijn 93/13 moeten aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter bij zijn beoordeling van het oneerlijke karakter, in de zin van artikel 3, leden 1 en 3, van die richtlijn, van de bedingen van een consumentenkredietovereenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van die overeenkomst in aanmerking moet nemen. In dit verband staat het aan die rechter om na te gaan of in de betrokken zaak aan de consument alle gegevens zijn meegedeeld die van invloed kunnen zijn op de omvang van zijn verbintenis en op grond waarvan hij met name de totale kosten van zijn lening kan ramen. Een beslissende rol bij die beoordeling spelen de vraag of de bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd, zodat een gemiddelde consument, namelijk een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument, aan de hand daarvan die kosten kan ramen en voorts de omstandigheid dat de consumentenkredietovereenkomst niet de gegevens bevat die, gelet op de aard van de goederen of diensten waarop die overeenkomst betrekking heeft, essentieel worden geacht, met name de in artikel 4 van de gewijzigde richtlijn 87/102 voorgeschreven gegevens.
(1) PB C 361 van 13.10.2014.
Full & Egal Universal Law Academy