14.3.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 98/9
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 14 januari 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesverwaltungsgericht — Duitsland) — Vodafone GmbH/Bundesrepublik Deutschland
(Zaak C-395/14) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten - Richtlijn 2002/21/EG - Artikel 7, lid 3 - Procedure voor de consolidatie van de interne markt voor elektronische communicatie - Richtlijn 2002/19/EG - Artikelen 8 en 13 - Exploitant die is aangewezen als exploitant met een aanmerkelijke marktmacht - Verplichtingen opgelegd door nationale regelgevende instanties - Verplichtingen inzake prijscontrole en kostentoerekening - Tariefvergunning voor mobielegespreksafgifte))
(2016/C 098/11)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesverwaltungsgericht
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Vodafone GmbH
Verwerende partij: Bundesrepublik Deutschland
Dictum
Artikel 7, lid 3, van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn), moet aldus worden uitgelegd dat een nationale regelgevende instantie die een exploitant aangewezen als een exploitant met aanzienlijke marktmacht heeft verplicht mobielegespreksafgiftediensten te verrichten en de tarieven voor deze afgiftediensten na de in die bepaling neergelegde procedure aan een vergunningsplicht heeft onderworpen, gehouden is deze procedure bij elke verlening van een tariefvergunning aan die exploitant opnieuw toe te passen indien deze vergunning van invloed kan zijn op de handel tussen de lidstaten in de zin van deze bepaling.
(1) PB C 372 van 20.10.2014.
Full & Egal Universal Law Academy