1.2.2016
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 38/9
Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 26 november 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Fővárosi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság — Hongarije) — SC Total Waste Recycling SRL/Országos Környezetvédelmi és Természetvédelmi Főfelügyelőség
(Zaak C-487/14) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Milieu - Afvalstoffen - Overbrenging daarvan - Verordening (EG) nr. 1013/2006 - Overbrenging binnen de Europese Unie - Andere plaats van binnenkomst dan die welke is vermeld in de kennisgeving en in de voorafgaande toestemming - Wezenlijke wijzigingen van de bijzonderheden van een overbrenging van afvalstoffen - Illegale overbrenging - Evenredigheid van de administratieve geldboete])
(2016/C 038/11)
Procestaal: Hongaars
Verwijzende rechter
Fővárosi Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: SC Total Waste Recycling SRL
Verwerende partij: Országos Környezetvédelmi és Természetvédelmi Főfelügyelőség
Dictum
1)
Artikel 17, lid 1, van verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 669/2008 van de Commissie van 15 juli 2008, moet aldus worden uitgelegd dat de overbrenging van afvalstoffen, zoals die welke in bijlage IV van deze verordening zijn opgenomen, in het land van doorvoer via een andere grenspost dan die welke in het kennisgevingsdocument is aangegeven en waarvoor de bevoegde autoriteiten toestemming hebben verleend, dient te worden aangemerkt als een wezenlijke wijziging van de bijzonderheden en/of de voorwaarden van een transport waarvoor toestemming is verleend, zodat de omstandigheid dat de bevoegde autoriteiten niet op de hoogte zijn gebracht van die wijziging ertoe dat leidt dat het een illegale overbrenging van afvalstoffen betreft, aangezien deze „feitelijk niet met de kennisgeving of de vervoersdocumenten overeenstemt” in de zin van artikel 2, punt 35, onder d), van die verordening.
2)
Artikel 50, lid 1, van verordening nr. 1013/2006, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 669/2008, dat bepaalt dat de sancties die de lidstaten op inbreuken op de bepalingen van deze verordening toepassen doeltreffend moeten zijn, dient aldus te worden uitgelegd dat de oplegging van een geldboete ter bestraffing van de overbrenging van afvalstoffen, zoals die welke in bijlage IV bij deze verordening zijn opgenomen, in het land van doorvoer via een andere grensovergang dan die welke is vermeld in het kennisgevingsdocument waarvoor de bevoegde autoriteiten toestemming hebben verleend, en waarbij het basisbedrag van die boete even hoog is als de boete die wordt toegepast in geval van niet-nakoming van de verplichting om toestemming te verkrijgen en een voorafgaande schriftelijke kennisgeving te verrichten, enkel als evenredig kan worden beschouwd indien uit de omstandigheden waarin de inbreuk is gepleegd kan worden afgeleid dat het om even zware inbreuken gaat. Het staat aan de nationale rechter om, rekening houdend met alle feitelijke en juridische omstandigheden die de bij hem aanhangig gemaakte zaak kenmerken, inzonderheid de gevaren die de inbreuk kan opleveren voor de bescherming van het milieu en de gezondheid van de mens, te beoordelen of het boetebedrag niet verder gaat dan nodig is ter bereiking van de doelstelling een hoog niveau van bescherming van het milieu en de gezondheid van de mens te waarborgen.
(1) PB C 7 van 12.1.2015.
Full & Egal Universal Law Academy