20.4.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 127/3
Beschikking van het Hof (Achtste kamer) van 11 december 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de lo Social no 1 de Granada — Spanje) — Marta León Medialdea/Ayuntamiento de Huetor Vega
(Zaak C-86/14) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Sociale politiek - Richtlijn 1999/70/EG - Raamovereenkomst EVV, Unice en CEEP inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd - Opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in de overheidssector - Clausule 3, punt 1 - Begrip „werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd” - Clausule 5, lid 1 - Maatregelen ter voorkoming van misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd - Sancties - Omzetting van de arbeidsverhouding voor bepaalde tijd in een niet vaste arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd - Recht op een vergoeding))
(2015/C 127/04)
Procestaal: Spaans
Verwijzende rechter
Juzgado de lo Social no 1 de Granada
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Marta León Medialdea
Verwerende partij: Ayuntamiento de Huetor Vega
Dictum
1)
De clausules 2 en 3, punt 1, van de op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, moeten aldus worden uitgelegd dat een werknemer zoals verzoekster in het hoofdgeding binnen de werkingssfeer van deze raamovereenkomst valt voor zover tussen de werknemer en diens werkgever sprake is geweest van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in de zin van deze clausules.
2)
De raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd moet aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling zoals die in het hoofdgeding, die niet voorziet in effectieve maatregelen ter bestraffing van misbruik, in de zin van clausule 5, lid 1, van deze raamovereenkomst, als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in de overheidssector, wanneer in het nationale recht geen effectieve maatregelen bestaan om dergelijk misbruik te bestraffen.
3)
Het staat aan de verwijzende rechter om overeenkomstig de nationale wetgeving, collectieve overeenkomsten en/of gebruiken te beoordelen op welke wijze een werknemer zoals verzoekster in het hoofdgeding moet worden vergoed om te kunnen spreken van een voldoende effectieve maatregel ter bestraffing van misbruik in de zin van clausule 5, lid 1, van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd.
Het staat eveneens aan de verwijzende rechter om indien nodig de relevante nationaalrechtelijke bepalingen voor zover mogelijk in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen.
(1) PB C 142 van 12.5.2014.
Full & Egal Universal Law Academy