28.9.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 320/5
Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 8 juli 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción no 1 de Miranda de Ebro — Spanje) — Banco Grupo Cajatres, S.A./María Mercedes Manjón Pinilla en gezamenlijke erfgenamen van M. A. Viana Gordejuela
(Zaak C-90/14) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Richtlijn 93/13/EEG - Overeenkomsten tussen verkopers en consumenten - Hypotheekovereenkomst - Vertragingsrentebeding - Beding omtrent vervroegde aflossing - Hypothecaire executie - Matiging van de rente - Bevoegdheid van de nationale rechter))
(2015/C 320/06)
Procestaal: Spaans
Verwijzende rechter
Juzgado de Primera Instancia e Instrucción no 1 de Miranda de Ebro
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Banco Grupo Cajatres, S.A.
Verwerende partijen: María Mercedes Manjón Pinilla en gezamenlijke erfgenamen van M. A. Viana Gordejuela
Dictum
1)
De artikelen 3, lid 1, 4, lid 1, 6, lid 1, en 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moeten aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter bij de beoordeling van de oneerlijkheid van bedingen van een onder deze richtlijn vallende overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, op het moment waarop deze is gesloten, in aanmerking dient te nemen, rekening houdend met de aard van de goederen en diensten waarop de betrokken overeenkomst betrekking heeft.
2)
De artikelen 6, lid 1, en 7, lid 1, van richtlijn 93/13 moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen nationale bepalingen op grond waarvan de in een hypotheekovereenkomst opgenomen vertragingsrente wordt gematigd, mits deze nationale bepalingen:
—
de beoordeling van de oneerlijkheid van het vertragingsrentebeding door de nationale rechter bij wie een hypothecaire executieprocedure met betrekking tot die overeenkomst aanhangig is, onverlet laten, en
—
niet beletten dat die rechter dat beding buiten toepassing laat indien hij tot het oordeel komt dat het „oneerlijk” is in de zin van artikel 3, lid 1, van de richtlijn.
(1) PB C 151 van 19.5.2014.
Full & Egal Universal Law Academy