28.9.2015
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 320/12
Beschikking van het Hof (Tiende kamer) van 16 juli 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Supremo Tribunal de Justiça — Portugal) — P/M
(Zaak C-507/14) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Geen redelijke twijfel - Rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke zaken - Verordening (EG) nr. 2201/2003 - Artikel 16, lid 1, onder a) - Bepaling van de datum waarop een zaak bij een gerecht aanhangig is gemaakt - Verzoek tot schorsing van de procedure - Geen invloed])
(2015/C 320/16)
Procestaal: Portugees
Verwijzende rechter
Supremo Tribunal de Justiça
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: P
Verwerende partij: M
Dictum
Artikel 16, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 moet aldus worden uitgelegd dat een zaak wordt geacht bij een gerecht aanhangig te zijn gemaakt op het tijdstip waarop het stuk waarmee het geding wordt ingeleid of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend, ook al is de procedure ondertussen geschorst op initiatief van de verzoeker die de procedure heeft ingeleid, zonder dat deze procedure is betekend aan de verweerder en zonder dat deze laatste daarvan kennis had of op enige wijze heeft geïntervenieerd, mits de verzoeker vervolgens niet heeft nagelaten de vereiste stappen te nemen teneinde het stuk aan de verweerder te doen betekenen of mede te delen.
(1) PB C 65 van 23.2.2015.
Full & Egal Universal Law Academy