CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. MENGOZZI
van 12 maart 2015 ( 1 )
Zaak C‑20/14
BGW Beratungs-Gesellschaft Wirtschaft mbH, voorheen BGW Marketing- & Management‑Service GmbH
tegen
Bodo Scholz
[verzoek van het Bundespatentgericht (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Onderlinge aanpassing van de wetgevingen — Merken — Richtlijn 2008/95/EG — Artikel 4, lid 1, onder b) — Aanvullende gronden tot weigering of nietigverklaring — Jonger merk bestaande uit nevenschikking van een lettercombinatie die het woordelement van het oudere merk overneemt en een combinatie van woorden waarvan de beginletters de letters van de lettercombinatie herhalen — Verwarringsgevaar — Beoordelingscriteria”
1.
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4, lid 1, onder b), van richtlijn 2008/95/EG ( 2 ) en is ingediend in het kader van een geding over de afwijzing van de oppositie die BGW Beratungs‑Gesellschaft Wirtschaft mbH, voorheen BGW Marketing- & Management-Service GmbH (hierna: „BGW”), had ingesteld tegen de inschrijving door het Deutsche Patent- und Markenamt (Duits octrooi- en merkenbureau; hierna: „DPMA”) van het woordmerk „BGW Bundesverband der deutschen Gesundheitswirtschaft”.
I – Toepasselijke bepalingen
2.
Richtlijn 2008/95, die op 28 november 2008 in werking is getreden, heeft richtlijn 89/104/EEG ( 3 ) gecodificeerd.
3.
Artikel 3 van richtlijn 2008/95, „Gronden voor weigering of nietigheid”, bepaalt in lid 1, onder b) en c):
„1. Niet ingeschreven worden of, indien ingeschreven, nietig verklaard kunnen worden:
[...]
b)
merken die elk onderscheidend vermogen missen;
c)
merken die uitsluitend bestaan uit tekens of benamingen die in de handel kunnen dienen tot aanduiding van soort, hoedanigheid, hoeveelheid, bestemming, waarde, plaats van herkomst of het tijdstip van vervaardiging van de waren of verrichting van de dienst of andere kenmerken van de waren of diensten;
[...]”
4.
Artikel 4 van richtlijn 2008/95, met als opschrift „Aanvullende gronden van weigering of nietigheid betreffende strijd met oudere rechten”, bepaalt in lid 1, onder a) en b):
„1. Een merk wordt niet ingeschreven of kan, indien ingeschreven, worden nietig verklaard:
a)
wanneer het gelijk is aan een ouder merk en wanneer de waren of diensten waarvoor het merk is aangevraagd of ingeschreven, dezelfde zijn als de waren of diensten waarvoor het oudere merk is ingeschreven;
b)
wanneer het gelijk is aan of overeenstemt met een ander merk en betrekking heeft op dezelfde of soortgelijke waren of diensten, indien daardoor bij het publiek verwarring kan ontstaan, inhoudende de mogelijkheid van associatie met het oudere merk.”
II – Hoofdgeding, prejudiciële vraag en procesverloop voor het Hof
5.
De feiten van het hoofdgeding, zoals deze blijken uit de verwijzingsbeslissing, kunnen worden samengevat als volgt.
6.
Op 11 december 2006 is het woordmerk „BGW Bundesverband der deutschen Gesundheitswirtschaft” (hierna: „jonger merk”) ingeschreven in het register van het DPMA voor waren van de klassen 16, 35, 41 en 43 in de zin van de Overeenkomst van Nice betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken van 15 juni 1957, zoals herzien en gewijzigd. ( 4 ) Tegen deze inschrijving is oppositie ingesteld op basis van het volgende Duitse woord- en beeldmerk
dat sinds 21 juli 2004 voor waren en diensten van de klassen 16, 35 en 41 in de zin van genoemde Overeenkomst van Nice is ingeschreven (hierna: „ouder merk”). ( 5 )
7.
Bij beslissing van 2 oktober 2009 heeft de merkenafdeling voor klasse 44 van het DPMA, na te hebben vastgesteld dat tussen de conflicterende merken gevaar voor verwarring bestond, het jongere merk gedeeltelijk nietig verklaard en de oppositie afgewezen voor het overige. Op beroep van de houder van het jongere merk heeft de merkenafdeling voor klasse 44 van het DPMA die beslissing bij beslissing van 9 januari 2012 ingetrokken op grond dat geen rechtsinstandhoudend gebruik van het oudere merk was bewezen.
8.
Tegen die beslissing van 9 januari 2012 heeft BGW bij het Bundespatentgericht beroep tot vernietiging ingesteld.
9.
Het Bundespatentgericht oordeelt op basis van de hem door BGW overgelegde bewijzen dat, althans voor „drukwerken” en voor de diensten „reclame”, „organisatie van seminars” en „organisatie van wedstrijden”, rechtsinstandhoudend gebruik van het oudere merk is aangetoond, aangezien deze diensten voornamelijk worden verleend aan ondernemingen in de gezondheidssector, waaronder met name optiekzaken en audiciens. Het Bundespatentgericht kwam tot de conclusie dat de conflicterende merken betrekking hadden op dezelfde waren – drukwerken – en op deels dezelfde en deels soortgelijke diensten.
10.
Aangaande de overeenstemming van de conflicterende merken is de verwijzende rechter van oordeel dat de totaalindruk van het oudere merk alleen wordt gedomineerd door de lettercombinatie „BGW”, aangezien het beeldelement van dat merk visueel onbelangrijk en fonetisch totaal irrelevant is. Ook de totaalindruk van het jongere merk wordt gedomineerd door diezelfde lettercombinatie. De verwijzende rechter oordeelt, onder verwijzing naar rechtspraak van het Bundesgerichtshof, dat de woordcombinatie „Bundesverband der deutschen Gesundheitswirtschaft” („Federaal verbond van de Duitse gezondheidssector”) in het jongere merk beschrijvend is en elk onderscheidend vermogen mist. Volgens de verwijzende rechter geeft die woordcombinatie namelijk enkel aan dat de betrokken waren en diensten door een in het hele land actief verbond van ondernemingen in de gezondheidssector worden geleverd en verstrekt, zonder dat daarbij een nauwkeurige vaststelling van de commerciële herkomst van die waren en diensten mogelijk is. Het Bundespatentgericht is in elk geval van oordeel dat, los van de wijze waarop voormelde woordcombinatie moet worden beoordeeld, moet worden erkend dat de lettercombinatie „BGW” binnen het jongere merk minstens een zelfstandige onderscheidende plaats in de zin van het arrest Medion (C‑120/04, EU:C:2005:594) inneemt. Wanneer het relevante publiek dit merk waarneemt op de markt, zal het dan ook het oudere merk herkennen, aangezien het enige verschil daarin bestaat dat het – op zich nietszeggende – letterwoord „BGW” thans door de (beschrijvende) toelichting „Bundesverband der deutschen Gesundheitswirtschaft” wordt verduidelijkt.
11.
In deze omstandigheden komt de verwijzende rechter, onder verwijzing naar het arrest AMS/BHIM – American Medical Systems (AMS Advanced Medical Services)(T‑425/03, EU:T:2007:311), tot de conclusie dat er uit het oogpunt van het relevante publiek zonder enige twijfel sprake is van verwarringsgevaar tussen de conflicterende merken voor de in punt 9 van de onderhavige conclusie aangegeven waren en diensten.
12.
De verwijzende rechter meent dat een uitspraak in die zin echter onmogelijk is ten gevolge van het arrest Strigl en Securvita (C‑90/11 en C‑91/11, EU:C:2012:147), waarin het Hof heeft geoordeeld dat artikel 3, lid 1, onder b) en c), van richtlijn 2008/95 aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op een woordmerk dat wordt gevormd door nevenschikking van een beschrijvende woordcombinatie en een lettercombinatie die afzonderlijk beschouwd niet-beschrijvend is, wanneer deze lettercombinatie door het relevante publiek wordt waargenomen als de afkorting van deze woordcombinatie doordat deze lettercombinatie uit de beginletters van de woorden van de woordcombinatie bestaat, en het betrokken merk aldus in zijn geheel kan worden opgevat als een combinatie van beschrijvende benamingen of afkortingen. Voorts brengt het Bundespatentgericht in herinnering dat in punt 38 van dat arrest is gepreciseerd dat de lettercombinatie die de beginletter van elk woord van de woordcombinatie herhaalt, daarentegen slechts ondergeschikt is aan deze woordcombinatie. Volgens de verwijzende rechter is het uitgesloten om aan een element van een samengesteld merk, in casu de als letterwoord begrepen lettercombinatie „BGW” van het jongere merk, een dominerende of minstens zelfstandige onderscheidende plaats toe te kennen, wanneer dit element in dat merk slechts een ondergeschikte positie inneemt.
13.
De omstandigheid dat het arrest Strigl en Securvita (C‑90/11 en C‑91/11, EU:C:2012:147) betrekking had op de weigeringsgronden van artikel 3 van richtlijn 2008/95, rechtvaardigt volgens het Bundespatentgericht geen andere beoordeling in het hoofdgeding, waarin het evenwel gaat om de aanvullende weigeringsgrond van artikel 4, lid 1, onder b), van die richtlijn. Volgens het Bundespatentgericht zou dit enkel anders zijn wanneer bij de beoordeling van de totaalindruk van het jongere merk rekening zou mogen worden gehouden met de omstandigheid dat het oudere merk daadwerkelijk op de markt wordt gebruikt, hetgeen het Hof echter met name in de arresten Calvin Klein Trademark Trust/BHIM (C‑254/09 P, EU:C:2010:488, punten 53 en 58) en Ferrero/BHIM (C‑552/09 P, EU:C:2011:177, punt 58) heeft uitgesloten.
14.
In deze omstandigheden heeft het Bundespatentgericht de behandeling van de zaak geschorst en het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vraag:
„Moet artikel 4, lid 1, onder b), van richtlijn 2008/95/EG aldus worden uitgelegd dat in geval van dezelfde en soortgelijke waren en diensten gevaar voor verwarring bij het publiek kan worden aanvaard wanneer een lettercombinatie met onderscheidend vermogen, die het oudere woord- of beeldteken met een gemiddeld onderscheidend vermogen vormt, in het jongere woordteken van een derde zo wordt overgenomen dat aan deze lettercombinatie een beschrijvende woordcombinatie wordt toegevoegd die daarop betrekking heeft en die lettercombinatie als afkorting van de beschrijvende woorden verklaart?”
15.
Enkel de Europese Commissie en de Republiek Polen hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Op basis van grotendeels overeenstemmende argumenten geven zij in overweging om de prejudiciële vraag bevestigend te beantwoorden.
III – Beoordeling
16.
Aangezien de verwijzende rechter in wezen wenst te vernemen welke gevolgen moeten worden verbonden aan het arrest Strigl en Securvita (C‑90/11 en C‑91/11, EU:C:2012:147) om de overeenstemming van de conflicterende merken in het hoofdgeding te beoordelen, dient allereerst kort te worden herinnerd aan de inhoud van dat arrest (ondertitel A), alvorens de strekking van dat arrest en de relevantie ervan voor de beslechting van het hoofdgeding te beoordelen (ondertitel B). Vervolgens zal ik herinneren aan de criteria op basis waarvan de overeenstemming van de conflicterende merken moet worden beoordeeld om in voorkomend geval verwarringsgevaar in de zin van artikel 4, lid 1, onder b), van richtlijn 2008/95 vast te stellen (ondertitel C).
A – Arrest Strigl en Securvita
17.
In de gevoegde zaken die hebben geleid tot het arrest Strigl en Securvita (C‑90/11 en C‑91/11, EU:C:2012:147), heeft het Bundespatentgericht – met twee verzoeken om een prejudiciële beslissing, die waren ingediend in het kader van twee procedures die betrekking hadden op de inschrijving als woordmerk van het teken „Multi Markets Fund MMF”, enerzijds, en op een verzoek tot nietigverklaring van het woordmerk „NAI – Der Natur-Aktien-Index” anderzijds – het Hof gevraagd of de weigeringsgronden van artikel 3, lid 1, onder b) en/of c), van richtlijn 2008/95 ook gelden voor een woordmerk dat wordt gevormd door nevenschikking van een beschrijvende woordcombinatie en een lettercombinatie die afzonderlijk beschouwd niet-beschrijvend is maar bestaat uit de beginletters van de woorden van die woordcombinatie.
18.
In dat arrest heeft het Hof op basis van de vaststellingen van de verwijzende rechter allereerst erop gewezen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde tekens bestonden uit, enerzijds, een woordcombinatie die in de handel diende tot aanduiding van „een soort diensten alsmede van bepaalde kenmerken van deze diensten”, die moest worden beschouwd als beschrijving van de kenmerken van de aangeboden diensten in de zin van artikel 3, lid 1, onder c), van richtlijn 2008/95, en, anderzijds, een lettercombinatie die afzonderlijk beschouwd niet beschrijvend is in de zin van die bepaling, aangezien zij in se „geen enkel kenmerk van de betrokken diensten [kan] aanduiden”. ( 6 )
19.
Vervolgens heeft het Hof – na in de punten 30 en 31 van genoemd arrest te hebben herinnerd aan de doelstellingen van de weigeringsgronden van artikel 3, lid 1, onder b) en c), van richtlijn 2008/95 – de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde tekens in hun geheel beoordeeld. In deze context heeft het Hof erop gewezen dat de drie hoofdletters in elk van die tekens, „MMF” en „NAI”, overeenkwamen met de beginletters van de woordcombinaties waarmee zij in nevenschikking stonden en dat „[d]e woordcombinatie en de lettercombinatie [...] in beide gevallen [ertoe strekten] elkaars betekenis te verduidelijken en hun onderling verband te benadrukken” en beide lettercombinaties „dus [waren] bedacht om de perceptie door het publiek van de woordcombinatie te versterken door het gebruik en het memoriseren ervan te vergemakkelijken”, waarbij het in dit verband irrelevant was dat de lettercombinatie op de woordcombinatie volgde dan wel daaraan voorafging. ( 7 )
20.
Tot slot heeft het Hof gepreciseerd dat indien de litigieuze lettercombinaties door het relevante publiek worden opgevat als afkortingen van de woordcombinaties waarmee zij in nevenschikking staan, „deze lettercombinaties [...] niet zwaarder [konden] wegen dan de som van alle elementen van het merk in zijn geheel, zelfs wanneer zij in se als onderscheidend [konden] worden beschouwd”. Dergelijke lettercombinaties zijn volgens het Hof, dat dienaangaande verwijst naar punt 56 van de conclusie van de advocaat-generaal ( 8 ), integendeel slechts „ondergeschikt” aan de woordcombinaties waarmee zij in nevenschikking staan ( 9 ).
B – Strekking en relevantie voor de beslechting van het hoofdgeding van het arrest Strigl en Securvita
21.
De verwijzende rechter is van oordeel dat hij bij de beoordeling van de overeenstemming van de litigieuze merken de beginselen moet toepassen die het Hof in het arrest Strigl en Securvita (C‑90/11 en C‑91/11, EU:C:2012:147) heeft uiteengezet. Deze vaststelling baseert hij op twee premissen, te weten dat het jongere merk in zijn geheel beschouwd beschrijvend is en dat de beoordeling van de bij het relevante publiek opgeroepen totaalindruk niet kan veranderen naargelang het gaat om de vaststelling van een absolute of een relatieve („aanvullende” volgens de bewoordingen van richtlijn 2008/95) weigeringsgrond.
22.
Zonder vraagtekens te plaatsen bij de geldigheid van die premissen, wens ik toch de volgende preciseringen aan te brengen.
1. Premisse dat het jongere merk beschrijvend is
23.
Het Hof en het Gerecht hebben de criteria om te beoordelen of er sprake is van de weigeringsgrond van artikel 3, lid 1, onder c), van richtlijn 2008/95 of van de identieke weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009 ( 10 ), van oudsher in hun rechtspraak geformuleerd tegen de achtergrond van het aan die weigeringsgrond ten grondslag liggende algemeen belang om te beletten dat de in genoemde bepalingen bedoelde tekens of benamingen op grond van de inschrijving ervan als merk aan één enkele onderneming worden voorbehouden. ( 11 ) Zo is overwogen dat het beschrijvende karakter van een teken slechts kan worden beoordeeld uitgaande van de betrokken waren of diensten en op basis van de perceptie van een doelpubliek, dat bestaat uit de consument van deze waren of diensten. ( 12 ) Ook is gepreciseerd dat genoemde bepalingen zien op tekens en benamingen die in het normale gebruik uit het oogpunt van het doelpubliek kunnen dienen ter aanduiding, hetzij rechtstreeks, hetzij door vermelding van een van de essentiële eigenschappen ervan, van de waar of dienst waarvoor de inschrijving is aangevraagd ( 13 ) en dat een teken onder het in die bepalingen vervatte verbod valt wanneer het een voldoende rechtstreeks en concreet verband met de betrokken waren of diensten heeft dat het relevante publiek in staat stelt hierin onmiddellijk en zonder verder nadenken een beschrijving van de categorie van de betrokken waren en diensten, of van één van de kenmerken ervan, te zien. ( 14 ) Hoewel de rechter van de Europese Unie die criteria vaak strikt heeft toegepast ( 15 ), kan inschrijving van een teken slechts worden geweigerd wanneer redelijkerwijs te verwachten valt dat de betrokken kringen dit teken daadwerkelijk zullen herkennen als een beschrijving van één van de „kenmerken” van de waren of diensten waarvoor de inschrijving is aangevraagd, te weten „een door de betrokken kringen gemakkelijk herkenbare eigenschap” ervan. ( 16 )
24.
In hoeverre is aan de hierboven toegelichte criteria voldaan voor de in het jongere merk vervatte woordcombinatie „Bundesverband der deutschen Gesundheitswirtschaft”? Gelet op de beschrijving van de waren en diensten waarvoor het merk is ingeschreven ( 17 ), blijken die waren en diensten slechts gedeeltelijk te vallen onder de gezondheidssector – die overigens doorgaans in de ruime zin van „fitness” wordt opgevat ( 18 ) – of slechts gedeeltelijk specifiek bestemd voor die sector, zodat de vraag kan worden gesteld of de betrokken woordcombinatie in die waren en diensten, zoals de in het vorige punt aangehaalde rechtspraak vereist, „een voldoende rechtstreeks en concreet verband” heeft dat het relevante publiek in staat stelt hierin „onmiddellijk en zonder verder nadenken” een beschrijving van de categorie van die waren en diensten, of van één van de kenmerken ervan, „te zien”.
25.
Zoals ik in punt 10 van de onderhavige conclusie heb uiteengezet, komt het Bundespatentgericht tot de conclusie dat het element „Bundesverband der deutschen Gesundheitswirtschaft” in het jongere merk beschrijvend is, en zulks op basis van de overweging dat woordcombinaties die enkel aangeven dat de betrokken waren en diensten door een in een bepaalde sector actieve marktdeelnemer (in het geval van het jongere merk, een verbond van ondernemingen in de gezondheidssector) worden geleverd en verstrekt, uit hun aard beschrijvend zijn. Deze conclusie – die overigens eerder op een veralgemening dan op een concreet onderzoek lijkt te zijn gebaseerd – moet, in de logica van de redenering van de verwijzende rechter, echter niet worden opgevat als een verwijzing naar alle door het jongere merk aangeduide waren en diensten zoals vermeld in de beschrijving die in voetnoot 4 van de onderhavige conclusie is weergegeven, maar als een verwijzing die beperkt is tot de waren en diensten waarvoor de in casu conflicterende merken daadwerkelijk met elkaar in aanraking kunnen komen op de markt, zoals omschreven door de verwijzende rechter, te weten „drukwerken” en diensten van „reclame”, „organisatie van seminars” en „organisatie van wedstrijden”„voor ondernemingen in de gezondheidssector, waaronder met name optiekzaken en audiciens”.
26.
De vraag kan dan ook worden gesteld of het jongere merk, evenals de merken die aan de orde waren in de hoofdgedingen die hebben geleid tot het arrest Strigl en Securvita (C‑90/11 en C‑91/11, EU:C:2012:147), valt onder de weigerings- of nietigheidsgrond van artikel 3, lid 1, onder c), van richtlijn 2008/95, zoals het Hof deze in dat arrest heeft uitgelegd en toegepast. Een ontkennend antwoord op die vraag zou op zich weliswaar niet kunnen uitsluiten dat de vaststellingen van het Hof in het arrest Strigl en Securvita (C‑90/11 en C‑91/11, EU:C:2012:147) relevant zijn voor de beslechting van het hoofdgeding, maar zou pleiten tegen een volledig identieke beoordeling van de hoofdgedingen die hebben geleid tot dat arrest en het bij de verwijzende rechter aanhangige hoofdgeding.
2. Premisse dat de beoordeling van de bij het relevante publiek gewekte totaalindruk van een merk niet kan veranderen naargelang het gaat om de vaststelling van een absolute of een relatieve weigeringsgrond
27.
Het is vaste rechtspraak dat zowel het beschrijvende en onderscheidende karakter van een teken als het bestaan van verwarringsgevaar tussen tekens op basis van dezelfde parameters, te weten de betrokken waren en/of diensten en de perceptie van het relevante publiek, moeten worden beoordeeld. ( 19 ) Bovendien moet in beide gevallen bij de beoordeling van samengestelde tekens rekening worden gehouden met de erdoor gewekte totaalindruk. ( 20 ) Het bestaan van absolute en relatieve weigeringsgronden in de zin van de artikelen 3, lid 1, onder b) en c), en 4, lid 1, onder b), van richtlijn 2008/95 (alsook de overeenkomstige bepalingen van verordening nr. 207/2009) moet dus op basis van gemeenschappelijke elementen worden beoordeeld.
28.
Evenwel zij in de eerste plaats benadrukt dat die bepalingen verschillende doelstellingen nastreven en onderscheiden belangen beogen te beschermen. Aldus heeft het Hof met betrekking tot artikel 3, lid 1, onder c), van richtlijn 2008/95 [en artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009] gepreciseerd dat het aan die bepaling ten grondslag liggende algemeen belang erin bestaat te verzekeren dat tekens die een of meer kenmerken beschrijven van de waren of diensten waarvoor inschrijving als merk is aangevraagd, door alle marktdeelnemers die dergelijke waren of diensten aanbieden, vrij kunnen worden gebruikt. ( 21 ) Het begrip „algemeen belang” dat aan artikel 3, lid 1, onder b), van die richtlijn [en aan artikel 7, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009] ten grondslag ligt, valt echter samen met de wezenlijke functie van het merk, die daarin is gelegen dat aan de consument of de eindverbruiker de identiteit van de oorsprong van de door het merk aangeduide waren of diensten wordt gewaarborgd zodat hij deze zonder gevaar voor verwarring met waren of diensten van andere herkomst kan onderscheiden. ( 22 ) De relatieve weigeringsgronden van artikel 4, lid 1, van richtlijn 2008/95 [en van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 207/2009] zien op gevallen waarin het teken niet nieuw is wegens gevaar voor verwarring met oudere merken. Hoewel een duidelijk verband bestaat tussen die weigeringsgronden en de herkomstaanduidende functie van het merk ( 23 ), strekken zij in wezen tot bescherming van de individuele belangen van de houders van de oudere merken die conflicteren met het aangevraagde teken, hetgeen met name blijkt uit het feit dat zij enkel na oppositie worden onderzocht, terwijl de absolute weigeringsgronden ambtshalve worden onderzocht. ( 24 )
29.
In de tweede plaats moet worden benadrukt dat de perceptie door het relevante publiek van een teken – zoals de verwijzende rechter terecht opmerkt – weliswaar niet mag afhangen van de in aanmerking genomen weigeringsgrond, maar dat het voor die perceptie te hanteren perspectief wel kan verschillen naargelang het beschrijvende karakter van een teken dan wel het bestaan van verwarringsgevaar tussen beide tekens moet worden beoordeeld. Terwijl de aandacht in het eerste geval uitgaat naar de mentale processen die kunnen leiden tot het leggen van verbanden tussen het teken of de verschillende onderdelen ervan en de betrokken waren en/of diensten, heeft het onderzoek in het tweede geval veeleer betrekking op de processen van memorisatie, herkenning en oproeping van het teken, alsook op associatiemechanismen. ( 25 ) Voor samengestelde tekens impliceert dat onderzoek dat moet worden nagegaan in hoeverre de diverse onderdelen van het teken onmiddellijk de aandacht van het publiek trekken en de totaalindruk van dat publiek oproepen, en aldus die mentale processen en mechanismen beïnvloeden.
30.
De twee voormelde perspectieven staan uiteraard niet volledig los van elkaar. Zo is het vaste rechtspraak dat het publiek over het algemeen een beschrijvend bestanddeel van een samengesteld merk niet als het onderscheidende en dominerende bestanddeel van de door dit merk gewekte totaalindruk aanmerkt. ( 26 ) Zij behouden echter hun autonomie. Zo heeft het Gerecht, in afwijking van de zonet in herinnering gebrachte regel, evenwel gepreciseerd dat „het geringe onderscheidend vermogen van een bestanddeel van een samengesteld merk ( 27 ) niet noodzakelijkerwijs [impliceert] dat dit geen dominerend bestanddeel kan vormen wanneer het, met name wegens de positie ervan in het teken of wegens de omvang ervan, onmiddellijk wordt waargenomen door de consument en bij deze in herinnering blijft”. ( 28 )
3. Strekking van het arrest Strigl en Securvita
31.
Uit de overwegingen van het arrest Strigl en Securvita (C‑90/11 en C‑91/11, EU:C:2012:147) blijkt dat het niet-inschrijfbare karakter, in de zin van artikel 3, lid 1, onder b) en c), van richtlijn 2008/95, van een teken dat wordt gevormd door een nevenschikking van een lettercombinatie en een woordcombinatie per geval moet worden beoordeeld, en zulks niet op basis van vooraf vastgestelde objectieve criteria maar vanuit de perceptie door het relevante publiek van de onderlinge samenhang tussen de diverse elementen van het teken en van het teken in zijn geheel. Zo baseert het Hof zich in de punten 32 en 34 van het arrest op een aantal argumenten die zijn ontleend aan de empirische analyse van de betrokken tekens, teneinde vast te stellen of er in de diverse onderdelen van die tekens sprake is van een verband dat van invloed kan zijn op de perceptie van die tekens door het relevante publiek alsook op het mentale proces dat kan leiden tot memorisatie daarvan. Dat arrest biedt dus geen ruimte voor enig automatisme maar verwijst daarentegen naar de toepassing van de perceptieregels. ( 29 )
32.
Ik ben van mening dat de door de verwijzende rechter aangehaalde overweging van punt 38 van dat arrest, volgens welke „de lettercombinatie die de beginletter van elk woord van de woordcombinatie herhaalt, daarentegen slechts ondergeschikt [is] aan deze woordcombinatie”, ook in die zin moet worden gelezen. Deze overweging geeft helemaal geen algemene beoordelingsregel weer, maar preciseert enkel, voor de toepassing van de weigeringsgronden van artikel 3, lid 1, onder b) en c), van richtlijn 2008/95, dat een lettercombinatie, ook al is deze afzonderlijk beschouwd niet-beschrijvend, beschrijvend kan worden wanneer zij binnen een samengesteld merk wordt gecombineerd met een beschrijvende woordcombinatie waarvan zij als de afkorting wordt waargenomen, hetgeen per geval moet worden beoordeeld.
33.
Voorts moet die overweging, rekening houdende met de context ervan, aldus worden opgevat dat zij tot doel heeft uit te sluiten dat, wanneer er sprake is van een onderling verband, zoals omschreven in depunten 32 tot en met 35 van het arrest Strigl en Securvita (C‑90/11 en C‑91/11, EU:C:2012:147), tussen de betrokken lettercombinaties en de woordcombinaties waarmee zij in nevenschikking staan, het onderscheidend vermogen van die lettercombinaties, afzonderlijk beschouwd, gevolgen kan hebben voor alle betrokken tekens door aan die tekens, ofschoon de woordcombinaties beschrijvend zijn, een globaal onderscheidend vermogen te verlenen. De verwijzing naar het „ondergeschikte karakter” van de betrokken lettercombinaties moet dus niet worden opgevat als een beoordeling van het vermogen van die elementen van een samengesteld merk om de aandacht van het relevante publiek te trekken en deel uit te maken van het proces van memorisatie en oproeping van het teken.
4. Conclusie betreffende de relevantie van het arrest Strigl en Securvita voor de beslechting van het hoofdgeding
34.
Gelet op de verschillende feitelijke en juridische context van de zaken die hebben geleid tot het arrest Strigl en Securvita (C‑90/11 en C‑91/11, EU:C:2012:147), en op het wezenlijk empirische karakter van de overwegingen van dat arrest, en de aan dat arrest te geven strekking, lijken de daarin geformuleerde vaststellingen niet automatisch op het hoofdgeding te kunnen worden overgedragen. De vergelijking van de conflicterende tekens in die zaak en de beoordeling van het verwarringsgevaar moeten bijgevolg worden verricht op basis van de gewoonlijk ter zake toegepaste criteria, die hierna kort in herinnering worden gebracht.
C – Criteria voor de beoordeling van het verwarringsgevaar van de litigieuze merken
35.
Het gevaar voor verwarring vormt de specifieke grondslag voor de door het ingeschreven merk verleende bescherming, met name tegen het gebruik door derden van tekens die niet gelijk zijn. Het Hof heeft deze voorwaarde omschreven als het gevaar dat het publiek kan menen dat de betrokken waren of diensten van dezelfde onderneming of, in voorkomend geval, van economisch verbonden ondernemingen afkomstig zijn. ( 30 )
36.
Volgens overweging 11 van richtlijn 2008/95 is de beoordeling van dat gevaar „[afhankelijk] van vele factoren [...] en met name van de bekendheid van het merk op de markt, van de vraag in hoeverre een associatie mogelijk is met het gebruikte of ingeschreven teken, van de mate van overeenstemming tussen het merk en het teken en van de [aangeduide] waren of diensten”. Het gevaar voor verwarring dient dus globaal te worden beoordeeld, met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval. ( 31 )
37.
Om de mate van overeenstemming tussen de betrokken merken te beoordelen, moet de graad van visuele, auditieve en begripsmatige overeenstemming ervan worden bepaald alsook in voorkomend geval het aan deze verschillende elementen te hechten belang, rekening houdende met de categorie van de betrokken waren of diensten en de omstandigheden waaronder zij in de handel worden gebracht. ( 32 )
38.
De visuele, auditieve en begripsmatige overeenstemming tussen de betrokken tekens moet globaal worden beoordeeld, waarbij de perceptie van de merken die de gemiddelde consument van de betrokken waren of diensten heeft, een beslissende rol speelt. ( 33 ) Dienaangaande heeft de rechtspraak gepreciseerd dat de gemiddelde consument een merk gewoonlijk als een geheel waarneemt en niet let op de verschillende details ervan. ( 34 ) Aldus moet die globale beoordeling berusten op de totaalindruk die door de conflicterende merken wordt opgeroepen, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de onderscheidende en dominerende bestanddelen ervan. ( 35 ) Het Hof heeft met name geoordeeld dat bij de beoordeling van de overeenstemming tussen twee merken niet slechts één bestanddeel van een samengesteld merk in de beschouwing mag worden betrokken en worden vergeleken met een ander merk, maar dat bij de vergelijking de betrokken merken elk in hun geheel moeten worden onderzocht. ( 36 )
39.
Hoewel de totaalindruk die een samengesteld merk bij het relevante publiek oproept in bepaalde omstandigheden door een of meerdere bestanddelen ervan kan worden gedomineerd, kan de beoordeling van de overeenstemming alleen tot het dominerende bestanddeel worden beperkt wanneer alle andere bestanddelen van het merk te verwaarlozen zijn. ( 37 ) In dit verband heeft het Hof eveneens, op basis van het door de verwijzende rechter aangehaalde arrest Medion (C‑120/04, EU:C:2005:594), gepreciseerd dat zelfs wanneer het niet als dominerend bestanddeel kan worden bezien, het element van een samengesteld merk in aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling van de overeenstemming van dat merk met een ouder merk, voor zover het op zich het oudere merk vormt en een zelfstandige onderscheidende plaats behoudt in het samengestelde merk. Wanneer een gemeenschappelijk element een zelfstandige onderscheidende plaats behoudt in het samengestelde merk, kan de door dat teken gewekte totaalindruk immers het publiek doen geloven dat de betrokken waren of diensten minstens van economisch verbonden ondernemingen afkomstig zijn, en is er dus sprake van verwarringsgevaar. ( 38 ) Het Hof heeft eveneens gepreciseerd dat een element van een samengesteld teken die zelfstandige onderscheidende plaats niet behoudt wanneer dat element samen met het andere element of de andere elementen van het teken, in hun geheel beschouwd, een eenheid vormt die een andere betekenis heeft dan die elementen afzonderlijk hebben. ( 39 )
40.
Tot slot breng ik in herinnering dat in beginsel zelfs een element met een gering onderscheidend vermogen de totaalindruk van een samengesteld merk kan domineren of binnen dat merk een zelfstandige onderscheidende plaats kan hebben in de zin van de Medion-rechtspraak (C‑120/04, EU:C:2005:594) wanneer het, met name wegens de positie ervan in het teken of wegens de omvang ervan, „onmiddellijk wordt waargenomen door de consument en bij deze in herinnering blijft” ( 40 ).
41.
De verwijzende rechter dient op basis van de hierboven uiteengezette beginselen te beoordelen of de conflicterende merken overeenstemmen en of er eventueel sprake is van verwarringsgevaar.
42.
Het staat met name aan die rechterlijke instantie om een beoordeling te verrichten van de diverse bestanddelen van het jongere merk, van hun relatieve gewicht in dit merk en van hun onderlinge wisselwerking, om via synthese de door dit merk opgeroepen totaalindruk die het relevante publiek kan bijblijven, vast te stellen. Bij een dergelijke beoordeling moet de rechterlijke instantie, in de omstandigheden van het hoofdgeding, waarin het jongere merk bestaat uit een teken dat de lettercombinatie herhaalt die het enige woordelement is van het oudere merk en uit een woordcombinatie, onder meer rekening houden met de respectieve plaats van de lettercombinatie en de woordcombinatie in het teken ( 41 ) alsook met de lengte ( 42 ) en het eventueel beschrijvende karakter ( 43 ) van die woordcombinatie, het verband dat het relevante publiek kan leggen tussen de lettercombinatie en de woordcombinatie – met name de mogelijkheid dat die lettercombinatie kan worden opgevat als afkorting van die woordcombinatie, de al dan niet onmiddellijke waarneming van een dergelijk verband, alsook de gevolgen van een dergelijke perceptie voor de oproeping van het teken ( 44 ), de aard van de betrokken waren, de kenmerken en het aandachtsniveau van het relevante publiek, en het type geheugen (korte-, middellange- of langetermijngeheugen) waarop een beroep wordt gedaan. Voorts moet de verwijzende rechter in voorkomend geval beoordelen of de omstandigheid dat de elementen van het jongere merk, wegens de verbanden die het relevante publiek tussen de lettercombinatie en de woordcombinatie kan leggen, een onderscheiden logische eenheid vormen, kan beletten dat die lettercombinatie, die het gezamenlijke element van de conflicterende merken uitmaakt, door dat publiek zelfstandig kan worden waargenomen en gememoriseerd en dus aanzienlijk kan bijdragen tot de totstandkoming van de totaalindruk van het jongere merk die dat publiek bijblijft. Bij deze beoordeling, en om de begripsmatige overeenstemming tussen de conflicterende merken vast te stellen, moet eveneens rekening worden gehouden met de waarschijnlijkheid dat de consumenten die het oudere merk hebben gezien, aannemen dat de lettercombinatie waaruit dat oudere merk bestaat dezelfde betekenis heeft als in het jongere merk. ( 45 )
43.
Zoals ik hierboven heb uiteengezet, is de verwijzende rechter bij die beoordeling echter niet gebonden door de vaststellingen die het Hof, in een andere feitelijke en juridische context, in de zaak Strigl en Securvita (C‑90/11 en C‑91/11, EU:C:2012:147) heeft gedaan.
IV – Conclusie
44.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van het Bundespatentgericht te beantwoorden als volgt:
„Artikel 4, lid 1, onder b), van richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten moet aldus worden uitgelegd dat wanneer er sprake is van dezelfde of soortgelijke waren en diensten, er bij het publiek gevaar voor verwarring van twee tekens kan bestaan wanneer de lettercombinatie, die het enige woordelement van het oudere teken is, ook voorkomt in het jongere woordteken en daar in nevenschikking staat met een beschrijvende woordcombinatie die bestaat uit woorden waarvan de beginletters overeenkomen met de letters van die lettercombinatie, zodat deze lettercombinatie door het relevante publiek wordt waargenomen als de afkorting van de woordcombinatie waaraan zij is toegevoegd. Het bestaan van verwarringsgevaar moet globaal worden beoordeeld, rekening houdende met alle relevante omstandigheden van het concrete geval.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB L 299, blz. 25).
( 3 ) Richtlijn van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 40, blz. 1).
( 4 ) De betrokken waren en diensten beantwoorden aan de volgende omschrijving:
– „Drukwerken”, van klasse 16;
– „Reclame; beheer van commerciële zaken; zakelijke administratie; administratieve diensten; professionele advisering op zakelijk gebied; advisering voor bedrijfsorganisatie; advisering voor bedrijfsleiding; organisatie van tentoonstellingen en beurzen voor commerciële doeleinden en reclame; public relations”, van klasse 35;
– „Opvoeding, opleiding, ontspanning; sportieve en culturele activiteiten; organisatie van tentoonstellingen voor culturele of educatieve doeleinden; diensten op het gebied van vrijetijdsbesteding; exploitatie van gezondheidsclubs (‚Betrieb von Gesundheits-Klubs’ in het Duits); het organiseren en houden van colloquia; het organiseren en houden van conferenties, congressen en symposia; exploitatie van sportaccommodaties; verhuur van sportartikelen; gymnastiekonderwijs; het organiseren en houden van seminars, workshops, lezingen, gespreksronden en cursussen; advisering met betrekking tot vrijetijdsbesteding; het organiseren en houden van opleidings- en bijscholingsbijeenkomsten; informatiediensten voor gasten in kuuroorden over sportieve en culturele evenementen; advisering over kuren” van klasse 41, en
– „Diensten met betrekking tot restauratie (het verstrekken van voedsel en dranken) en tijdelijke huisvesting van gasten; reservatie en bemiddeling bij accommodatie voor gasten, inzonderheid voor gasten van een kuuroord; bejaardentehuizen; vakantiekampen” van klasse 43.
( 5 ) Het gaat om waren en diensten die beantwoorden aan de volgende omschrijving:
– „Papier, karton en hieruit vervaardigde producten (voor zover niet begrepen in andere klassen); drukwerken; boekbinderswaren; foto’s; schrijfbehoeften; kleefstoffen voor kantoor- en huishoudelijk gebruik; materiaal voor kunstenaars; penselen; schrijfmachines en kantoorartikelen (uitgezonderd meubels); leermiddelen en onderwijsmateriaal (uitgezonderd toestellen); verpakkingsmateriaal van plastic (voor zover niet begrepen in andere klassen)” van klasse 16;
– „Reclame; beheer van commerciële zaken; zakelijke administratie; administratieve diensten” van klasse 31, en
– „Opvoeding, opleiding, ontspanning; sportieve en culturele activiteiten; publicatie en uitgave van kranten, tijdschriften en boeken; uitgave van teksten; organisatie van beurzen en tentoonstellingen voor ontspannende, culturele en sportieve doeleinden; filmproductie, filmverhuur; verhuur van videocamera’s, geluidsopnamen, televisie- en radiotoestellen; afstandsonderwijs; het organiseren en houden van conferenties, congressen en symposia; onlinepublicatie van elektronische boeken en tijdschriften; ontspanning via de radio; het organiseren en houden van seminars en workshops; vertaaldiensten; onderwijs en opvoeding; het organiseren en houden van colloquia; het schrijven van scenario’s; videofilmproductie; organisatie van wedstrijden” van klasse 41.
( 6 ) Zie de punten 25‑28.
( 7 ) Zie de punten 32 en 33.
( 8 ) Conclusie van advocaat-generaal Jääskinen in de zaak Strigl en Securvita (C‑90/11 en C‑91/11, EU:C:2012:147).
( 9 ) Zie de punten 37 en 38.
( 10 ) Verordening van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1).
( 11 ) Zie arrest Eurohypo/BHIM (C‑304/06 P, EU:C:2008:261, punten 55 en 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 12 ) Zie arresten Matratzen Concord (C‑421/04, EU:C:2006:164, punt 24en aldaar aangehaalde rechtspraak) en Eurocool Logistik/BHIM (EUROCOOL) (T‑34/00, EU:T:2002:41, punt 38).
( 13 ) Zie onder meer arrest Procter & Gamble/BHIM (C‑383/99 P, EU:C:2001:461, punt 39).
( 14 ) Zie onder meer arrest Metso Paper Automation/BHIM (PAPERLAB) (T‑19/04, EU:T:2005:247, punt 25).
( 15 ) In bepaalde gevallen werd zelfs een bijzonder zwakke band toereikend geacht. Zie met name arrest Ellos/BHIM (ELLOS) (T‑219/00, EU:T:2002:44).
( 16 ) Zie arresten Windsurfing Chiemsee (C‑108/97 en C‑109/97, EU:C:1999:230, punt 31), Koninklijke KPN Nederland (C‑363/99, EU:C:2004:86, punt 56) en Agencja Wydawnicza Technopol/BHIM (C‑51/10 P, EU:C:2011:139, punt 50).
( 17 ) Deze beschrijving is weergegeven in voetnoot 4 van de onderhavige conclusie.
( 18 ) Het gaat om „informatiediensten voor gasten in kuuroorden over sportieve en culturele evenementen”, „advisering over kuren” en „reservatie en bemiddeling bij accommodatie voor gasten, inzonderheid voor gasten van een kuuroord” en om „bejaardentehuizen” of bepaalde diensten van klasse 41 met betrekking tot sport en fitness („sportieve en culturele activiteiten”; „exploitatie van gezondheidsclubs”; „diensten op het gebied van vrijetijdsbesteding”; „verhuur van sportartikelen”; „gymnastiekonderwijs”).
( 19 ) Wat de beoordeling van het beschrijvende en onderscheidende karakter van een teken betreft, zie punt 23 van de onderhavige conclusie. Wat de beoordeling van verwarringsgevaar betreft, hebben het Hof en het Gerecht meermaals benadrukt dat „de perceptie van de merken die de gemiddelde consument van de betrokken waren of diensten heeft, [...] een beslissende rol [speelt] bij de globale beoordeling van het verwarringsgevaar”. Zie onder meer arrest SABEL (C‑251/95, EU:C:1997:528, punt 23).
( 20 ) Zie onder meer arrest Strigl en Securvita (C‑90/11 en C‑91/11, EU:C:2012:147, punt 34). Zie infra punten 35 en volgende.
( 21 ) Zie arresten Windsurfing Chiemsee (C‑108/97 en C‑109/97, EU:C:1999:230, punt 25); BHIM/Wrigley (C‑191/01 P, EU:C:2003:579, punt 31); Agencja Wydawnicza Technopol/BHIM (C‑51/10 P, EU:C:2011:139, punt 37en aldaar aangehaalde rechtspraak); Strigl en Securvita (C‑90/11 en C‑91/11, EU:C:2012:147, punt 31), en Streamserve/BHIM (STREAMSERVE) (T‑106/00, EU:T:2002:43, punt 36).
( 22 ) Zie onder meer arrest Eurohypo/BHIM (C‑304/06 P, EU:C:2008:261, punt 56en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 23 ) Zie onder meer arrest Canon (C‑39/97, EU:C:1998:442, punt 27).
( 24 ) Het arrest adidas en adidas Benelux (C‑102/07, EU:C:2008:217) is een goed voorbeeld van dat verschil in perspectief, met name tussen de absolute weigeringsgrond van artikel 3, lid 1, onder c), van richtlijn 2008/95 en de relatieve weigeringsgrond van artikel 4, lid 1, onder b), van die richtlijn. Na in herinnering te hebben gebracht dat de beoordeling van het verwarringsgevaar van vele factoren afhangt, heeft het Hof in punt 30 van dat arrest gepreciseerd dat „[de omstandigheid d]at er voor de marktdeelnemers een behoefte aan vrijhouding van het teken bestaat, [...] niet een dergelijke relevante omstandigheid [kan] zijn”. Het Hof vervolgde dat „[z]oals blijkt uit de tekst van artikel 5, lid 1, onder b), van de richtlijn en uit bovenvermelde rechtspraak, [...] het antwoord op de vraag of er sprake is van een verwarringsgevaar namelijk [moet] worden gebaseerd op de perceptie door het publiek van de waren waarop het merk van de merkhouder betrekking heeft en van de waren waarop het door de derde gebruikte teken betrekking heeft”.
( 25 ) Dit houdt in dat met name rekening wordt gehouden met het aandachtsniveau van het publiek, de aard van de waren, de mogelijkheid om de merken en dus de wijze van verkoop onder die merken rechtstreeks te vergelijken. Zie met name arrest Lloyd Schuhfabrik Meyer (C‑342/97, EU:C:1999:323, punten 26‑27).
( 26 ) Zie onder meer arresten Alejandro/BHIM – Anheuser-Busch (BUDMEN) (T‑129/01, EU:T:2003:184, punt 53) en New Look/BHIM – Naulover (NLSPORT, NLJEANS, NLACTIVE en NLCollection) (T‑117/03–T‑119/03 en T‑171/03, EU:T:2004:293, punt 34).
( 27 ) In dit geval ging het om een beeldelement dat bestond uit de afbeelding van een koeienhuid, dat via een gevolgtrekking beschrijvend was voor de betrokken waren (zuivelproducten).
( 28 ) Zie arresten AVEX/BHIM – Ahlers (a) (T‑115/02, EU:T:2004:234, punt 20) en Inex/BHIM – Wiseman (afbeelding van een koeienhuid) (T‑153/03, EU:T:2006:157, punt 32).
( 29 ) Zie in die zin Sandri, S., „Serie di lettere e serie di parole”, Giurisprudenza comunitaria del marchio e del design, Commento tematico II, 2012, blz. 39‑45.
( 30 ) Zie onder meer arresten Lloyd Schuhfabrik Meyer (C‑342/97, EU:C:1999:323, punt 17), Medion (C‑120/04, EU:C:2005:594, punten 24 en 26) en adidas en adidas Benelux (C‑102/07, EU:C:2008:217, punt 28).
( 31 ) Zie arresten SABEL (C‑251/95, EU:C:1997:528, punt 22), Marca Mode (C‑425/98, EU:C:2000:339, punt 40), Medion (C‑120/04, EU:C:2005:594, punt 27), adidas en adidas Benelux (C‑102/07, EU:C:2008:217, punt 29), BHIM/Shaker (C‑334/05 P, EU:C:2007:333, punt 34) en Nestlé/BHIM (C‑193/06 P, EU:C:2007:539, punt 33).
( 32 ) Arresten BHIM/Shaker (C‑334/05 P, EU:C:2007:333, punt 36) en Ferrero/BHIM (C‑552/09 P, EU:C:2011:177, punt 85).
( 33 ) Zie onder meer arrest SABEL (C‑251/95, EU:C:1997:528, punt 23).
( 34 ) Zie onder meer arresten SABEL (C‑251/95, EU:C:1997:528, punt 23), BHIM/Shaker (C‑334/05 P, EU:C:2007:333, punt 35) en Nestlé/BHIM (C‑193/06 P, EU:C:2007:539, punt 34).
( 35 ) Zie onder meer arresten SABEL (C‑251/95, EU:C:1997:528, punt 23), Lloyd Schuhfabrik Meyer (C‑342/97, EU:C:1999:323, punt 25), BHIM/Shaker (C‑334/05 P, EU:C:2007:333, punt 35) en Aceites del Sur-Coosur/Koipe (C‑498/07 P, EU:C:2009:503, punt 60).
( 36 ) Zie onder meer arresten BHIM/Shaker (C‑334/05 P, EU:C:2007:333, punt 41) en Aceites del Sur-Coosur/Koipe (C‑498/07 P, EU:C:2009:503, punt 61).
( 37 ) Arresten BHIM/Shaker (C‑334/05 P, EU:C:2007:333, punten 41 en 42) en Nestlé/BHIM (C‑193/06 P, EU:C:2007:539, punten 42 en 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 38 ) Zie, voor deze formulering, beschikking ecoblue/BHIM en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria (C‑23/09 P, EU:C:2010:35, punt 45). Zie eveneens arrest Medion (C‑120/04, EU:C:2005:594, punten 30 en 36), beschikking Perfetti Van Melle/BHIM (C‑353/09 P, EU:C:2011:73, punt 36), alsook mijn conclusie in de zaak Bimbo/BHIM (C‑591/12 P, EU:C:2014:34, punt 24) en het arrest Bimbo/BHIM (C‑591/12 P, EU:C:2014:305, punt 24).
( 39 ) Zie in die zin beschikking ecoblue/BHIM en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria (C‑23/09 P, EU:C:2010:35, punt 47), arrest Becker/Harman International Industries (C‑51/09 P, EU:C:2010:368, punten 37 en 38) en beschikking Perfetti Van Melle/BHIM (C‑353/09 P, EU:C:2011:73, punten 36 en 37).
( 40 ) Zie in die zin arresten AVEX/BHIM – Ahlers (a) (T‑115/02, EU:T:2004:234, punt 20) en Inex/BHIM – Wiseman (afbeelding van een koeienhuid) (T‑153/03, EU:T:2006:157, punt 32).
( 41 ) In weerwil van hetgeen het Hof heeft overwogen inpunt 33 van het arrest Strigl en Securvita (C‑90/11 en C‑91/11, EU:C:2012:147), lijkt het feit dat een lettercombinatie voorafgaat aan of volgt op de woordcombinatie, niet a priori irrelevant, aangezien het integendeel van invloed kan zijn op het proces van begripsvorming en memorisatie van het teken door het publiek. Zie in dit verband eveneens arrest AMS/BHIM – American Medical Systems (AMS Advanced Medical Services) (T‑425/03, EU:T:2007:311, met name punt 79).
( 42 ) Zie met name arrest Klein Trademark Trust/BHIM – Zafra Marroquineros (CK CREACIONES KENNYA) (T‑185/07, EU:T:2009:147, punt 42).
( 43 ) Zie arrest AMS/BHIM – American Medical Systems (AMS Advanced Medical Services) (T‑425/03, EU:T:2007:311, punt 81).
( 44 ) Zie, wat het fonetische aspect van het merk betreft, arrest AMS/BHIM – American Medical Systems (AMS Advanced Medical Services) (T‑425/03, EU:T:2007:311, punt 84). Zie eveneens arrest Klein Trademark Trust/BHIM – Zafra Marroquineros (CK CREACIONES KENNYA) (T‑185/07, EU:T:2009:147, punten 44 en 45).
( 45 ) Zie arrest AMS/BHIM – American Medical Systems (AMS Advanced Medical Services) (T‑425/03, EU:T:2007:311, punt 86).
Full & Egal Universal Law Academy