CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
Y. BOT
van 19 maart 2015 ( 1 )
Zaak C‑87/14
Europese Commissie
tegen
Ierland
„Niet-nakoming — Richtlijn 2003/88/EG — Organisatie van de arbeidstijd — Begrip ,arbeidstijd’ — Artsen in opleiding”
I – Inleiding
1.
De Europese Commissie verzoekt het Hof vast te stellen dat Ierland de bepalingen van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd ( 2 ) niet heeft toegepast op de organisatie van de arbeidstijd van artsen in opleiding, ook wel niet-consulterende ziekenhuisartsen (non-consultant hospital doctors; hierna: „NCHD’s”) genoemd, en daarmee de krachtens de artikelen 3, 5, 6 en 17, leden 2 en 5, van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2.
Ierland heeft richtlijn 2003/88 wat betreft NCHD’s omgezet in nationaal recht bij de verordening van 2004 inzake de Europese Gemeenschappen (organisatie van de arbeidstijd) (artsen in opleiding) [European Communities (Organisation of Working Time) (Activities of Doctors in Training) Regulations 2004] zoals gewijzigd bij de verordening van 2010 (hierna: „verordening van 2004”).
3.
Teneinde een geschil over de arbeidstijd van NCHD’s te beslechten hebben de Irish Medical Organisation (Ierse artsenfederatie), die alle op het Ierse grondgebied werkzame artsen vertegenwoordigt, en de Health Service Executive (bestuur van de diensten van gezondheidszorg; hierna: „HSE”), het overheidsorgaan dat de gezondheidsautoriteiten vertegenwoordigt, op 22 januari 2012 een schikkingsovereenkomst ondertekend, waaraan een collectieve overeenkomst tussen deze partijen ( 3 ) en een standaardarbeidsovereenkomst voor NCHD’s ( 4 ) zijn gehecht.
4.
De preambule van deze standaardarbeidsovereenkomst beschrijft NCHD’s als volgt:
„In de onderhavige overeenkomst worden met de term [,NCHD’] bedoeld personen die in dienst zijn van de openbare gezondheidszorg in Ierland als ‚Interns’, ,Senior House Officers’, ‚Registrars’, ‚Senior Registrars’, ‚Specialist Registrars’ [titels die overeenkomen met loopbaanrangen van artsen naargelang van onder meer hun opleiding] of onder een andere titel, voor het verrichten van medische of tandheelkundige diensten en/of het volgen van een medische en/of tandheelkundige opleiding volgen, zonder in dit dienstverband als ‚Consultants’ werkzaam te zijn.”
5.
Krachtens clausule 3, onder a), van de collectieve overeenkomst worden in het dienstrooster opgenomen opleidingsuren die vallen buiten de wachtdiensten, niet meegeteld als arbeidstijd.
6.
De Commissie stelt zich daarentegen op het standpunt dat dergelijke opleidingsuren „arbeidstijd” zijn in de zin van artikel 2, punt 1, van richtlijn 2003/88.
7.
Het door de Commissie tegen Ierland ingestelde beroep wegens niet-nakoming omvat meerdere grieven. In deze conclusie zal ik echter alleen ingaan op de grief betreffende de onverenigbaarheid van clausule 3, onder a), van de collectieve overeenkomst met richtlijn 2003/88. In deze grief wordt namelijk een nieuwe rechtsvraag opgeworpen inzake de uitlegging van het begrip „arbeidstijd” in de zin van artikel 2, punt 1, van deze richtlijn. Het Hof zal dan ook moeten beslissen of het al dan niet in overeenstemming met richtlijn 2003/88 is om de tijd die NCHD’s aan hun opleiding besteden, met inbegrip van de tijd buiten hun wachtdiensten, uit te sluiten van het begrip „arbeidstijd”.
8.
Artikel 2 van richtlijn 2003/88, „Definities”, bepaalt:
„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
1. ‚arbeidstijd’: de tijd waarin de werknemer werkzaam is, ter beschikking van de werkgever staat en zijn werkzaamheden of functie uitoefent, overeenkomstig de nationale wetten en/of gebruiken;
[...]”
9.
De definitie van het begrip arbeidstijd is van groot belang in het systeem van richtlijn 2003/88, omdat de toepassing van andere bepalingen van deze richtlijn, zoals de artikelen 3, 5 en 6, ervan afhankelijk is.
10.
In artikel 3 van richtlijn 2003/88, „Dagelijkse rusttijd”, is bepaald:
„De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat alle werknemers in elk tijdvak van vierentwintig uur een rusttijd van ten minste elf aaneengesloten uren genieten.”
11.
Artikel 5 van deze richtlijn, „Wekelijkse rusttijd”, bepaalt in de eerste alinea:
„De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat alle werknemers voor elk tijdvak van zeven dagen een ononderbroken minimumrusttijd van vierentwintig uren genieten waaraan de in artikel 3 bedoelde elf uren dagelijkse rusttijd worden toegevoegd.”
12.
Artikel 6 van deze richtlijn, „Maximale wekelijkse arbeidstijd”, luidt als volgt:
„De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat in verband met de noodzakelijke bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers:
[...]
b)
de gemiddelde arbeidstijd in elk tijdvak van zeven dagen, inclusief overwerk, niet meer dan achtenveertig uren bedraagt.”
13.
De Commissie merkt op dat de opleidingsactiviteiten van de NCHD’s een integrerend deel van hun werk en hun beroepsstatus uitmaken, zoals blijkt uit de bepalingen van de standaardarbeidsovereenkomst, en in het bijzonder uit sectie 8 hiervan, met het opschrift „Medical Education and Training” („Medische Opleiding en Training”). Deze artsen zouden op grond van hun arbeidsovereenkomst verplicht zijn deze opleidingsactiviteiten te verrichten.
14.
Bovendien merkt de Commissie op dat de overeenkomst inzake de behandeling van opleidingsuren die als bijlage aan de collectieve overeenkomst is gehecht, drie soorten opleidingsuren onderscheidt:
—
de geplande en beschermde opleidingsuren extern, die op grond van het opleidingsprogramma zijn vereist;
—
de regelmatig (wekelijks/tweewekelijks) intern georganiseerde geplande onderwijs- en opleidingsactiviteiten, zoals conferenties, wetenschappelijke bijeenkomsten en besprekingen over morbiditeit en mortaliteit;
—
onderzoek, studie etc.
15.
De Commissie is van oordeel dat wanneer activiteiten op grond van het opleidingsprogramma vereist zijn en plaatsvinden op een in dat programma bepaalde plaats, deze moeten worden gerekend als „arbeidstijd” in de zin van richtlijn 2003/88. Dat zou volgens de Commissie het geval moeten zijn bij de eerste twee in de overeenkomst inzake de behandeling van opleidingsuren gedefinieerde categorieën opleidingsuren. Tijd die thuis wordt besteed aan studie en onderzoek zou echter niet zijn te beschouwen als „arbeidstijd” en zou derhalve kunnen worden gerekend als „rusttijd” in de zin van deze richtlijn. Dit lijkt het geval te zijn bij de derde categorie opleidingsuren.
16.
De Commissie geeft nog aan dat het feit dat specifieke arbeidsuren worden besteed aan opleidingsactiviteiten binnen het dienstrooster niets verandert aan het feit dat het inhoudelijk gezien om „arbeid” gaat.
17.
De Commissie onderstreept ook de specifieke rol die de beperking van de arbeidstijd en de vaststelling van de minimumrusttijden voor artsen speelt voor de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van deze artsen en hun patiënten. Volgens de Commissie zou een restrictieve uitlegging van het begrip arbeidstijd, zoals door Ierland voorgesteld, waarin opleidingsactiviteiten zouden worden uitgesloten, noch overeenstemmen met de in richtlijn 2003/88 toegekende sociale grondrechten, noch met het door deze richtlijn nagestreefde doel van bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers.
18.
Daarom stelt de Commissie zich op het standpunt dat clausule 3, onder a), van de collectieve overeenkomst niet verenigbaar is met de bepalingen van richtlijn 2003/88, en in het bijzonder niet met de artikelen 3, 5 en 6 hiervan.
19.
In reactie hierop stelt Ierland dat de in het dienstrooster opgenomen opleidingsuren buiten de wachtdiensten, die de beschermde opleidingsperiode vormen, niet moeten worden meegeteld als „arbeidstijd” in de zin van artikel 2, punt 1, van richtlijn 2003/88.
20.
Ierland erkent weliswaar dat bij NCHD’s arbeid en opleiding nauw verbonden kunnen zijn, maar meent dat er tussen beide begrippen een fundamenteel onderscheid is, in het bijzonder waar het gaat om de beschermde opleidingsperiode, zoals in casu. Een NCHD is dan namelijk niet beschikbaar voor de werkgever en niet bezig met de uitoefening van zijn activiteit of zijn taken.
21.
Ierland licht toe dat zelfs wanneer de opleidingsuren worden geregistreerd en daadwerkelijk zijn ingeroosterd om ervoor te zorgen dat ze zijn beschermd binnen het werkschema van een NCHD en de werkgever de activiteiten op rationele wijze kan plannen, dergelijke periodes uitdrukkelijk worden gezien als losstaand – of als een „ontheffing” – van „arbeidsactiviteiten of -taken”.
22.
Volgens Ierland volgt uit het arrest Simap ( 5 ) dat het begrip arbeidstijd voornamelijk gekoppeld is aan de uitvoering, of de beschikbaarheid voor en de daadwerkelijke uitvoering, van arbeidstaken en -activiteiten op de werkplek. Uit punt 63 van het arrest Jaeger ( 6 ) zou bovendien volgen dat een arts die wil voldoen aan de definitie van het begrip arbeidstijd van richtlijn 2003/88, op een bepaalde plaats, meestal maar niet uitsluitend ter plaatse, ter beschikking van zijn werkgever moet staan voor de verrichting van diensten en/of de uitvoering van activiteiten en taken die met zijn werk verbonden zijn.
23.
Uit clausule 3, onder a), van de collectieve overeenkomst en uit de bijlage daarbij zou duidelijk volgen dat de beschermde wekelijkse opleidingsperiode een periode is waarin een NCHD geen wachtdienst heeft, geen activiteiten of taken uitvoert die bij zijn werk horen en evenmin daadwerkelijk voor deze activiteiten of taken beschikbaar is. Het beschermde karakter van deze opleiding zou noodzakelijkerwijze de beschikbaarheid voor werk uitsluiten. Bovendien zou het feit dat deze opleidingsperiode betaald is hoewel de arts niet zijn werk verricht of hiervoor niet beschikbaar is, eenvoudigweg de bijzondere status van artsen in opleiding aangeven en zou dit een van de voordelen zijn die zij hebben.
24.
Volgens Ierland is er een fundamenteel onderscheid tussen enerzijds de beschermde opleidingsperiode waarbij fysieke aanwezigheid op de arbeidsplaats verondersteld wordt, en anderzijds de wachttijd waarin fysieke aanwezigheid op de arbeidsplaats vereist is, die door het Hof is onderzocht in de arresten Simap ( 7 ) en Jaeger ( 8 ) en die in de verordening van 2004 uitdrukkelijk is gedefinieerd als arbeidstijd. Terwijl een arts met wachtdienst beschikbaar is om te werken en kan worden verplicht de activiteiten en taken te verrichten die bij zijn werk horen, is een arts in een beschermde opleidingsperiode niet beschikbaar om te werken en kan hij deze activiteiten of taken niet uitvoeren. Om die reden zou deze opleidingsperiode niet kunnen worden beschouwd als „arbeidstijd” in de zin van de verordening van 2004 of van richtlijn 2003/88.
25.
Het betoog van de Commissie zou zijn gegrond op een fundamentele misvatting van de verhouding tussen de opleidingseisen van NCHD’s en hun normale verplichtingen uit hoofde van hun arbeidsovereenkomst. In tegenstelling tot wat de Commissie in haar memorie van repliek stelt zouden de opleidingseisen van NCHD’s geen integrerend deel uitmaken van hun werk in de zin van door de werkgever opgelegde of gecontroleerde verplichtingen. Zoals zou volgen uit sectie 2 en 8 van de standaardarbeidsovereenkomst, zou het eerder gaan om essentiële gereglementeerde eisen waaraan alle NCHD’s moeten voldoen om te kunnen worden ingeschreven als praktiserend arts in de zin van de wet van 2007 inzake praktiserend artsen (Medical Practitioners Act 2007). De relatie tussen NCHD’s en hun opleidingsinstituut zou losstaan en verschillen van die tussen NCHD’s en hun werkgever.
26.
Zoals is aangegeven in sectie 8, onder a), van de standaardarbeidsovereenkomst zou de werkgever indien nodig uitsluitend de vereiste opleiding en/of de vereiste deskundigheidsgarantie van de NCHD-posten hoeven faciliteren. Een werkgever zou dan wel een kader aanbieden waarin NCHD’s kunnen worden opgeleid, maar niet verantwoordelijk zijn voor het verloop van die opleiding, en evenmin bepalen aan welke activiteiten NCHD’s voor hun opleiding moeten deelnemen of hoe hun voortgang daarin moet zijn, noch de plaats van de opleiding bepalen. Dit zijn zaken van de opleidingsinstituten voor NCHD’s of van de NCHD’s zelf.
27.
Het toekennen van specifieke uren in het dienstrooster voor opleidingsactiviteiten zou tot doel hebben te faciliteren dat NCHD’s kunnen voldoen aan hun verplichtingen uit hoofde van de wet van 2007 inzake praktiserend artsen en te zorgen voor volledige duidelijkheid over de indeling van de tijd van NCHD’s, zowel voor henzelf als voor de werkgevers, om zo een doeltreffende dienstverlening te garanderen.
II – Beoordeling
28.
Richtlijn 2003/88 heeft tot doel minimumvoorschriften vast te stellen om de levens‑ en arbeidsomstandigheden van de werknemers te verbeteren door onderlinge afstemming van de nationale bepalingen inzake met name de duur van de arbeidstijd. Deze harmonisatie op het niveau van de Europese Unie inzake de organisatie van de arbeidstijd moet een betere bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers waarborgen door hun minimumrusttijden – onder meer dagelijkse en wekelijkse – en voldoende pauzes te waarborgen en door de gemiddelde maximale wekelijkse arbeidstijd op 48 uur te stellen, waarbij uitdrukkelijk is bepaald dat overwerk hierbij is inbegrepen. ( 9 )
29.
Uitgaande van dit wezenlijk doel moet iedere werknemer passende rusttijden genieten, die niet alleen reëel moeten zijn en de betrokken personen in staat moeten stellen bij te komen van de vermoeidheid die hun werk meebrengt, maar tevens preventief moeten zijn om zoveel mogelijk te voorkomen dat de veiligheid en de gezondheid van de werknemers in gevaar wordt gebracht wanneer zij regelmatig veel uren maken zonder de noodzakelijke rust. ( 10 )
30.
De verschillende voorschriften van richtlijn 2003/88 inzake maximumarbeidstijd en minimumrusttijden zijn regels van sociaal recht van de Unie van bijzonder belang, waarvan iedere werknemer moet kunnen profiteren als het minimum dat nodig is om zijn veiligheid en zijn gezondheid te waarborgen. ( 11 )
31.
De activiteiten van artsen in opleiding waren in eerste instantie uitgesloten van de werkingssfeer van richtlijn 93/104/EG van de Raad van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd ( 12 ), maar zijn thans daaronder gebracht bij richtlijn 2000/34/EG ( 13 ).
32.
In haar witboek over de van de richtlijn betreffende de arbeidstijd uitgesloten sectoren en activiteiten van 15 juli 1997 ( 14 ) onderstreepte de Commissie dat de arbeidstijd van artsen in opleiding in veel landen gewoonlijk meer dan 55 uur per week bedroeg. ( 15 ) Volgens de Commissie had dit een duidelijk risico voor de gezondheid en de veiligheid van een groot aantal artsen in opleiding tot gevolg. Omdat deze artsen rechtstreeks betrokken zijn bij medische procedures en besluitvorming die patiënten aangaan, zou hun veiligheid ook in gevaar kunnen komen. ( 16 )
33.
Om rekening te houden met mogelijke problemen voor lidstaten bij het in overeenstemming brengen van hun verantwoordelijkheden op het gebied van de organisatie en de verlening van gezondheidsdiensten en medische zorg met de bepalingen inzake de arbeidstijd heeft de integratie van artsen in opleiding in de werkingssfeer van richtlijn 93/104 geleidelijk plaatsgevonden.
34.
Sinds de codificatie die in gang is gezet met richtlijn 2003/88, staan de overgangsbepalingen in artikel 17, lid 5, van deze richtlijn. Hieruit volgt in wezen dat de toegestane afwijkingen de artikelen 6 (maximale wekelijkse arbeidstijd) en 16 (referentieperioden), onder b), van deze richtlijn betreffen en slechts zijn toegestaan voor een overgangsperiode van vijf jaar, gerekend vanaf 1 augustus 2004, eventueel te verlengen met twee jaar en vervolgens met een jaar.
35.
Uit deze korte beschrijving van de ontwikkeling van de op artsen in opleiding van toepassing zijnde wetgeving volgt dat sinds het einde van de overgangsperiode de regels van richtlijn 2003/88 betreffende de organisatie van de arbeidstijd onverkort van toepassing zijn op deze categorie artsen.
36.
Overigens dient te worden opgemerkt dat de bepalingen van deze richtlijn die specifiek gaan over artsen in opleiding, voor hen niet is voorzien in een bijzondere definitie van het begrip arbeidstijd, en evenmin sommige van hun activiteiten uitsluiten van dit begrip.
37.
De algemene definitie van artikel 2, punt 1, van richtlijn 2003/88 is dus van toepassing.
38.
Dienaangaande heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat deze richtlijn het begrip „arbeidstijd”, in de zin van deze bepaling, definieert als de tijd waarin de werknemer werkzaam is, ter beschikking van de werkgever staat en zijn werkzaamheden of functie uitoefent, overeenkomstig de nationale wetten en/of gebruiken, en dat dit begrip tegenover de rusttijd staat, welke twee begrippen elkaar uitsluiten. ( 17 )
39.
In dit verband heeft het Hof enerzijds gepreciseerd dat richtlijn 2003/88 niet voorziet in een tussencategorie tussen arbeidstijden en rusttijden en anderzijds dat tot de kenmerken van het begrip „arbeidstijd” in de zin van deze richtlijn niet de intensiteit van de door de werknemer verrichte arbeid of zijn rendement behoort. ( 18 )
40.
De genoemde richtlijn voorziet dus niet in „grijze perioden” tussen arbeidstijd en rusttijd. Overeenkomstig het door de Uniewetgever opgezette stelsel heeft het Hof een binaire benadering gevolgd op grond waarvan dat wat niet valt onder arbeidstijd, onder het begrip rusttijd valt en andersom.
41.
Het Hof heeft ook geoordeeld dat de begrippen „arbeidstijd” en „rusttijd” in de zin van richtlijn 2003/88 begrippen van Unierecht zijn die volgens objectieve kenmerken moeten worden omschreven op basis van het stelsel en de doelstelling van die richtlijn, die beoogt minimumvoorschriften vast te stellen om de levens‑ en arbeidsomstandigheden van de werknemers te verbeteren. Slechts een dergelijke autonome uitlegging kan immers de volle werking van deze richtlijn en een uniforme toepassing van die begrippen in alle lidstaten verzekeren. ( 19 )
42.
Bovendien moet worden gememoreerd dat artikel 2 van richtlijn 2003/88 geen deel uitmaakt van de bepalingen van deze richtlijn waarvan mag worden afgeweken. ( 20 )
43.
Voor artsen heeft het Hof daaruit afgeleid dat de wachtdiensten die de werknemer verricht volgens het stelsel van fysieke aanwezigheid in de instelling van de werkgever in hun geheel als „arbeidstijd” in de zin van richtlijn 2003/88 moeten worden beschouwd, ongeacht de daadwerkelijke arbeidsprestaties van de betrokkene gedurende die wachtdiensten. ( 21 )
44.
Dat de wachtdiensten ook bepaalde tijdvakken van inactiviteit omvatten, is in dit verband volgens het Hof dus volledig irrelevant. Voor de conclusie dat de wachtdiensten die een werknemer op zijn werkplek zelf verricht, de kenmerken vertonen van het begrip „arbeidstijd” in de zin van richtlijn 2003/88, is namelijk beslissend dat hij fysiek aanwezig moet zijn op de door de werkgever bepaalde plaats en zich er tot diens beschikking moet houden teneinde zo nodig onmiddellijk de adequate prestaties te kunnen verlenen. Volgens het Hof moeten die verplichtingen derhalve worden geacht onder de uitoefening van de functies van die werknemer te vallen. ( 22 )
45.
De definitie van „arbeidstijd” in de zin van artikel 2, punt 1, van richtlijn 2003/88 is gebaseerd op drie criteria die, gelet op de rechtspraak van het Hof, lijken te moeten worden beschouwd als cumulatief. Het betreft het ruimtelijke criterium (aanwezig zijn op de arbeidsplaats), het gezagscriterium (ter beschikking van de werkgever staan) en het professionele criterium (zijn werkzaamheden of functie uitoefenen). ( 23 )
46.
Wanneer de opleidingsuren van NCHD’s van het begrip „arbeidstijd” in de zin van deze bepaling worden uitgesloten is dit mijns inziens in strijd met richtlijn 2003/88, omdat voor deze categorie werknemers de drie criteria vermeld in de definitie in deze bepaling zijn vervuld.
47.
Om dit aan te tonen zal ik beginnen met het laatste van de genoemde drie criteria, namelijk dat de werknemer zijn werkzaamheden of functie uitoefent.
48.
De werkzaamheden van NCHD’s omvatten twee hoofdaspecten, te weten enerzijds de verstrekking van medische zorg en anderzijds het volgen van hun opleiding. Zij worden zowel voor het eerste als voor het tweede betaald.
49.
NCHD’s voeren de twee delen van hun werkzaamheden bij twee instanties uit. Enerzijds zijn zij verbonden aan een ziekenhuis en anderzijds ingeschreven aan een opleidingsinstituut. Dit alles valt onder de HSE, die door middel van met opleidingsinstituten gesloten overeenkomsten de opleiding van NCHD’s organiseert en financiert. ( 24 )
50.
Wanneer ik kijk naar het door de HSE opgestelde rapport „Non Consultant Hospital Doctor (NCHD) – Job Specification” [„niet-consulterende ziekenhuisartsen (NCHD’s) – Werkbeschrijving”] ( 25 ), merk ik op dat het eerste deel van de werkzaamheden van NCHD’s onder meer wordt gekenmerkt door de volgende taken ( 26 ):
—
„als lid van een multidisciplinair team deelnemen aan de verstrekking van medische zorg aan patiënten”;
—
„patiënten diagnosticeren en behandelen”;
—
„diagnostische tests voorschrijven en interpreteren”, en
—
„de behandeling initiëren en controleren”.
51.
NCHD’s zijn dus volledig betrokken bij de verstrekking van medische zorg aan patiënten.
52.
Het tweede deel, de opleiding van NCHD’s, bestaat volgens de bewoordingen van de sectie met het opschrift „Education and Training” („Opleiding en Training”) van hetzelfde document, uit de volgende taken ( 27 ):
—
„deelnemen aan verplichte en aanbevolen trainingsprogramma’s en programma’s voor professionele ontwikkeling conform de organisationele/professionele eisen”;
—
„professionele expertise en kennis bijhouden en ontwikkelen door actieve deelname aan doorlopende professionele training en ontwikkeling”;
—
„voldoende vooruitgang maken in opleiding en ontwikkeling conform de eisen van het opleidingsinstituut”, en
—
„deelnemen aan de vereiste evaluaties van de doelstellingen en prestaties met de adviseur die belast is met toezicht/de directeur van het ziekenhuis/het hoofd van de academische afdeling”.
53.
NCHD’s moeten dus een opleidingsprogramma volgen aan een hiervoor erkend instituut, en dit moet gebeuren in afstemming met hun werkgever, die hun dienstrooster zo moet opstellen dat gewaarborgd is dat zij deze opleiding zonder problemen kunnen volgen.
54.
In het document „Training principles to be incorporated into new working arrangements for doctors in training” („In de nieuwe wijze van werken van artsen in opleiding te integreren opleidingsbeginselen”) ( 28 ) komt naar voren hoe nauw deze twee aspecten van de werkzaamheden van NCHD’s met elkaar verbonden zijn. Daarin wordt aangegeven dat een van de algemene regels voor de opleiding van NCHD’s is dat opleidings- en trainingsmogelijkheden op de arbeidsplaats maximaal worden ingezet en ontwikkeld, en een andere dat er geen kunstmatige barrière mag worden opgeworpen tussen dienst en opleiding. ( 29 )
55.
Ondanks dat dit bevestigt dat er geen strikte grens is tussen opleiding en verstrekking van medische zorg, blijkt uit dit document dat er een praktijk bestaat waarin uren die NCHD’s besteden aan hun opleiding bij de instantie die met deze taak belast is, niet worden gezien als arbeidstijd. Zo staat in punt 9 van deel I van het genoemde document dat tijd die op verzoek van het opleidingsinstituut, en niet op verzoek van de werkgever, wordt besteed aan opleiding niet meetelt als arbeidstijd in de zin van richtlijn 2003/88 maar kan worden beschouwd als betaalde tijd. Bovendien staat in punt 15 van deel I dat tijd die hoofdzakelijk – of zelfs uitsluitend – wordt besteed aan opleiding (bijvoorbeeld verlof voor „beschermde” opleiding) en niet valt onder de definitie van „arbeidstijd”, niettemin te allen tijde kan worden opgenomen in een overeenkomst voor betaalde arbeid. Tot slot staat in punt 3 van deel II van ditzelfde document, met het opschrift „Principles relating to each Training Body” („Beginselen voor ieder opleidingsinstituut”), dat training en opleiding buitenshuis normaal gesproken niet wordt beschouwd als arbeidstijd.
56.
Dat de opleidingsuren van NCHD’s aldus worden uitgesloten van het begrip „arbeidstijd” in de zin van artikel 2, punt 1, van richtlijn 2003/88 is mijns inziens in strijd met deze richtlijn, omdat dit is gebaseerd op de gedachte dat NCHD’s hun activiteiten of taken in de zin van deze bepaling niet uitoefenen wanneer zij bezig zijn met hun opleiding zoals die is vastgelegd in het programma van het hiervoor erkende instituut.
57.
In tegenstelling tot het beeld dat Ierland in het kader van dit beroep wil schetsen, zijn de twee aspecten van de werkzaamheden van NCHD’s, te weten verstrekking van medische zorg en opleiding, echter nauw verbonden. Het is immers inherent aan de status van NCHD’s dat zij de verwerving van theoretische en praktische kennis combineren, hun wetenschappelijke kennis voortdurend verder ontwikkelen terwijl zij die in praktijk brengen. De kwaliteit en de doeltreffendheid van de opleiding van NCHD’s hangen juist af van het nauwe onderlinge verband tussen theorie en praktijk.
58.
De beroepsopleiding van NCHD’s maakt dus volledig deel uit van hun activiteiten, zodat zij moeten worden geacht hun activiteiten of taken uit te oefenen in de zin van artikel 2, punt 1, van richtlijn 2003/88 wanneer zij hun opleidingsprogramma volgen, ook wanneer dit buiten hun wachtdiensten is.
59.
Er is dan ook geen enkele objectieve reden om de twee aspecten van de activiteiten van NCHD’s te onderscheiden voor de berekening van hun arbeidstijd.
60.
Bovendien is mijns inziens voldaan aan het ruimtelijke criterium dat de werknemer op de arbeidsplek aanwezig moet zijn.
61.
Immers, of de opleiding nu plaatsvindt in het ziekenhuis of in de gebouwen van het opleidingsinstituut, waar het om gaat is dat NCHD’s verplicht zijn tijdens de opleidingsuren te blijven op een plaats die zij niet zelf mogen kiezen, maar die afhangt van het opleidingsprogramma dat zij moeten volgen. Deze verplichting voor NCHD’s om tijdens de opleidingsuren fysiek aanwezig te zijn op een bepaalde plaats is een last die hen belemmert hun persoonlijke activiteiten vrij uit te oefenen.
62.
Bij het laatste criterium, dat de werknemer ter beschikking van de werkgever moet staan, gaat het vóór alles om een gezagscriterium dat een doorlopende verhouding van ondergeschiktheid van de eerste aan de tweede inhoudt. ( 30 )
63.
Wanneer NCHD’s buiten de wachttijden aan hun opleiding werken, staan zij nog altijd onder het gezag van hun werkgever.
64.
In het kader van de hiërarchische verhouding die NCHD’s met hun werkgever hebben, worden zij in hun opleiding gevolgd door laatstgenoemde.
65.
Dat volgt uitdrukkelijk uit sectie 3 van de standaardarbeidsovereenkomst, „Reporting Relationship” („Hiërarchische verhouding”), waarin het volgende is bepaald:
„De hiërarchische verhouding tussen de NCHD en zijn werkgever komt tot stand door middel van de adviseur die belast is met het toezicht en de directeur van het ziekenhuis (indien aanwezig). Een NCHD kan worden verplicht verantwoording af te leggen aan de aangewezen adviseur die belast is met het toezicht/de directeur van het ziekenhuis/het hoofd van de academische afdeling over aangelegenheden betreffende de medische training, opleiding en onderzoek. Een NCHD legt, zoals vereist, rechtstreeks verantwoording af aan de werkgever.” ( 31 )
66.
Hiermee vergelijkbaar wordt in sectie 6, onder c), van de standaardarbeidsovereenkomst ook het volgende aangegeven:
„Tijdens zijn dienstverband heeft een NCHD recht op een regelmatige beoordeling van zijn prestaties – met inbegrip van prestaties op het gebied van medische training, opleiding en onderzoek – in zijn bijzijn, door de adviseur die belast is met het toezicht/de directeur van het ziekenhuis/het hoofd van de academische afdeling.”
67.
Deze vorm van controle op een opleiding van NCHD’s door de werkgever sluit aan bij de vaststelling dat de deelname van NCHD’s aan een opleidingsprogramma volgens de bewoordingen van sectie 8, onder b), van de standaardarbeidsovereenkomst deel uitmaakt van de verplichtingen van NCHD’s uit hoofde van de arbeidsovereenkomst tussen hen en hun werkgever. Mijns inziens volgt hieruit dat de werkgever een sanctie mag toepassen wanneer een NCHD niet voldoet aan de opleidingsverplichtingen van zijn arbeidsovereenkomst.
68.
Bovendien speelt de werkgever een belangrijke rol bij het goede verloop van deze opleiding, het volgen waarvan hij dient te faciliteren. Daartoe bepaalt sectie 8, onder a), van de standaardarbeidsovereenkomst dat de werkgever, indien nodig voor de training en de opleiding van NCHD’s en voor het behoud van zijn professionele deskundigheid overeenkomstig de eisen van de wet van 2007 inzake praktiserend artsen, de voor de taken van NCHD’s vereiste opleiding/deskundigheidsgarantie zal faciliteren. Hiermee vergelijkbaar voorziet sectie 8, onder c), van de standaardarbeidsovereenkomst in coördinatie tussen de werkgever en het opleidingsinstituut voor het kunnen volgen van de opleiding van NCHD’s en dat dit moet worden meegenomen in het door de werkgever opgestelde dienstrooster. ( 32 ) De werkgever moet de opleidingsverplichting van NCHD’s en hun dienstverplichting op elkaar afstemmen.
69.
De opleiding van NCHD’s dient ertoe hen in staat te stellen zich aan te passen aan hun werk en heeft dus een beroepsmatig doel. De tijd die NCHD’s besteden aan hun opleiding kan alleen worden gezien als vrije tijd wanneer die tijd valt buiten de arbeidsbetrekking, zodat zij zich vrij zouden kunnen bezighouden met hun persoonlijke zaken. Wij hebben gezien dat dat niet het geval is, omdat de werkgever in het kader van het volgen van de opleiding van NCHD’s voortdurend zijn gezag uitoefent. Bovendien is de opleiding van NCHD’s niet het gevolg van een autonome keuze van hen om hier een deel van hun vrije tijd aan te besteden. Omdat de opleidingstijd van NCHD’s bedoeld is om te voldoen aan een beroepsverplichting, onder direct of indirect gezag van de werkgever, is dit geen rusttijd.
70.
Ik memoreer dat richtlijn 2003/88 de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers tot doel heeft. Hen een minimumrusttijd garanderen past in die doelstelling. Wanneer de opleidingstijd van NCHD’s wordt uitgesloten van de berekening van hun arbeidstijd, zou dit dan ook ten koste gaan van deze minimumrusttijd en daarmee strijdig zijn met de genoemde doelstelling. ( 33 ) Met andere woorden, richtlijn 2003/88 verzet zich ertegen dat de rusttijd van NCHD’s wordt ingekort vanwege de uitsluiting van de opleidingsuren van het begrip „arbeidstijd” in de zin van artikel 2, punt 1, van deze richtlijn.
71.
Ik voeg hieraan toe dat door de wijze waarop het Hof het begrip rusttijd heeft gedefinieerd, het betoog van Ierland gemakkelijk kan worden verworpen. Zo heeft het Hof ten aanzien van de „gelijkwaardige compenserende rusttijden” in de zin van artikel 17, leden 2 en 3, van richtlijn 93/104, gepreciseerd dat die tijden zich moeten kenmerken door het feit dat „op de werknemer gedurende die tijden ten aanzien van zijn werkgever geen enkele verplichting rust die hem kan belemmeren om zich vrijelijk en ononderbroken met zijn eigen zaken bezig te houden, zodat de gevolgen van de arbeid voor de veiligheid en de gezondheid van belanghebbende worden geneutraliseerd. Dergelijke rusttijden moeten derhalve onmiddellijk volgen op de arbeidstijd die zij geacht worden te compenseren, zodat wordt voorkomen dat de werknemer vermoeid of overwerkt raakt vanwege de herhaling van aaneensluitende werktijden.” ( 34 ) Het Hof heeft eveneens gepreciseerd dat „[de werknemer,] om daadwerkelijk te kunnen uitrusten [...] de mogelijkheid [moet] hebben om zich gedurende een bepaald aantal uren uit zijn arbeidsmilieu terug te trekken. Deze uren moeten niet alleen aaneensluitend zijn maar tevens onmiddellijk op de arbeidstijd volgen, zodat de belanghebbende zich kan ontspannen en kan bekomen van de inspanningen van het werk.” ( 35 )
72.
De rusttijden hebben dus de functie de in de werktijden ontstane vermoeidheid te neutraliseren. Deze essentiële functie van de rusttijden zou worden aangetast wanneer daarin de opleidingstijden van NCHD’s werden inbegrepen.
73.
Uit deze overwegingen volgt dat mijns inziens is voldaan aan de drie criteria van het begrip „arbeidstijd” in de zin van artikel 2, punt 1, van richtlijn 2003/88. Dientengevolge moeten de uren die NCHD’s buiten de wachtdiensten moeten besteden aan hun opleiding, worden beschouwd als „arbeidstijd” in de zin van die bepaling.
III – Conclusie
74.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging te oordelen dat Ierland, door in de praktijk de in het dienstrooster buiten de wachttijden opgenomen opleidingsuren van niet-consulterende ziekenhuisartsen („non-consultant hospital doctors”) uit te sluiten van het begrip „arbeidstijd” in de zin van artikel 2, punt 1, van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd, niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit hoofde van deze bepaling en van de artikelen 3, 5 en 6 van deze richtlijn.
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) PB L 299, blz. 9.
( 3 ) Hierna: „collectieve overeenkomst”.
( 4 ) Hierna: „standaardarbeidsovereenkomst”.
( 5 ) C‑303/98, EU:C:2000:528.
( 6 ) C‑151/02, EU:C:2003:437.
( 7 ) C‑303/98, EU:C:2000:528.
( 8 ) C‑151/02, EU:C:2003:437.
( 9 ) Beschikking Grigore (C‑258/10, EU:C:2011:122, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 10 ) Arrest Jaeger (C‑151/02, EU:C:2003:437, punt 92).
( 11 ) Beschikking Grigore (C‑258/10, EU:C:2011:122, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 12 ) PB L 307, blz. 18.
( 13 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 2000 tot wijziging van richtlijn 93/104 (PB L 195, blz. 41).
( 14 ) COM(97) 334 def.
( 15 ) Punt 64.
( 16 ) Punt 65.
( 17 ) Beschikking Grigore (C‑258/10, EU:C:2011:122, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 18 ) Ibidem (punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 19 ) Ibidem (punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 20 ) Ibidem (punt 45).
( 21 ) Beschikking Vorel (C‑437/05, EU:C:2007:23, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Daar de artikelen 1 tot en met 6 van richtlijn 2003/88 in nagenoeg identieke bewoordingen zijn gesteld als de artikelen 1 tot en met 6 van richtlijn 93/104 heeft het Hof in deze beschikking gepreciseerd dat de uitlegging daarvan zonder meer kan worden toegepast op richtlijn 2003/88 (punt 29).
( 22 ) Ibidem (punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 23 ) Zie naar aanleiding van het arrest Jaeger (C‑151/02, EU:C:2003:437) het commentaar van Vigneau, C., European Review of Private Law, nr. 13, vol. 2, Kluwer Law International, Nederland, 2005, blz. 219, in het bijzonder blz. 220.
( 24 ) Sectie 15 van de standaardarbeidsovereenkomst, met het opschrift „Training Supports” („Financiering opleiding”), bepaalt dat de HSE de opleidingskosten van NCHD’s voor zijn rekening neemt.
( 25 ) Dit document is online beschikbaar op:
( 26 ) Zie ook sectie 6 van de standaardarbeidsovereenkomst.
( 27 ) Zie ook sectie 8 van de standaardarbeidsovereenkomst.
( 28 ) Medical Education and Training Group, juli 2004. Document waarnaar onder meer wordt verwezen in de voetnoten 3 en 5 van de standaardarbeidsovereenkomst en dat online beschikbaar is op:
( 29 ) Bladzijde 5.
( 30 ) Zie Vigneau, C., op. cit., waarvan ik hier de definitie herhaal, op blz. 220.
( 31 ) Cursivering door mij.
( 32 ) Zie in die zin ook „Training principles to be incorporated into new working arrangements for doctors in training”, op. cit. Punt 16 van deel I van dit document bepaalt dat de werkgevers de beschermde opleidingstijd moeten regelen voor aangewezen opleiders en voor stagiaires op erkende opleidingsplaatsen. In punt 26 van dit deel I staat dat in dienstroosters de geprogrammeerde activiteiten voor training en opleiding intern en extern moeten faciliteren.
( 33 ) Zie in die zin ten aanzien van wachttijden het arrest Simap (C‑303/98, EU:C:2000:528, punt 49).
( 34 ) Arrest Jaeger (C‑151/02, EU:C:2003:437, punt 94).
( 35 ) Ibidem (punt 95).
Full & Egal Universal Law Academy