CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 7 mei 2015 ( 1 )
Zaak C‑218/14
Kuldip Singh
Denzel Njume
Khaled Aly
tegen
Minister for Justice and Equality
[verzoek van de High Court of Ireland (Ierland) om een prejudiciële beslissing]
„Richtlijn 2004/38/EG — Artikel 7, lid 1, onder b), artikel 12 en artikel 13, lid 2 — Huwelijk tussen een burger van de Unie en een derdelander — Vertrek van de burger van de Unie en latere echtscheiding — Behoud van het verblijfsrecht van de derdelander in het gastland”
I – Inleiding
1.
In het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing staat de vraag centraal of een derdelander die als echtgenoot van een burger van de Unie samen met deze verbleef in een lidstaat van de Unie waarvan de burger van de Unie niet de nationaliteit bezit, in deze lidstaat mag blijven, zelfs als de burger van de Unie duurzaam uit die staat is vertrokken en de echtgenoten na dit vertrek zijn gescheiden.
2.
Om deze vraag te beantwoorden dient richtlijn 2004/38/EG ( 2 ) te worden uitgelegd, die het behoud van het verblijfsrecht in geval van vertrek of scheiding in twee afzonderlijke bepalingen regelt. De vraag hoe deze bepalingen dienen te worden toegepast in omstandigheden als in de hoofdgedingen is in de rechtspraak van het Hof tot dusver nog niet beantwoord.
II – Rechtskader
A – Unierecht
3.
Artikel 7 van richtlijn 2004/38 luidt, voor zover hier van belang:
„(1) Iedere burger van de Unie heeft het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven:
a)
indien hij in het gastland werknemer of zelfstandige is,
b)
indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland, [...]
(2) Het verblijfsrecht van lid 1 strekt zich uit tot familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, en die de burger van de Unie begeleiden of zich in het gastland bij hem voegen, en voldoen aan de voorwaarden onder a), b) of c).
[...]”
4.
Artikel 12 van richtlijn 2004/38 regelt het behoud van het verblijfsrecht van familieleden in geval van overlijden of vertrek van de burger van de Unie als volgt:
„(1) Onverminderd het bepaalde in de tweede alinea, zijn het overlijden van een burger van de Unie of zijn vertrek uit het gastland niet van invloed op het verblijfsrecht van zijn familieleden die de nationaliteit van een lidstaat bezitten.
[...]
(2) Onverminderd het bepaalde in de tweede alinea, leidt het overlijden van een burger van de Unie niet tot verlies van het verblijfsrecht voor zijn familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, indien zij vóór dit overlijden gedurende ten minste één jaar in het gastland hebben verbleven.
[...]
(3) Het overlijden van een burger van de Unie of zijn vertrek uit het gastland leidt niet tot verlies van het verblijfsrecht voor zijn kinderen, noch voor de ouder die daadwerkelijk de voogdij heeft voor de kinderen, ongeacht de nationaliteit, indien de kinderen in het gastland verblijven en er met het oog op studie aan een onderwijsinstelling zijn ingeschreven. Dit geldt tot hun studie voltooid is.”
5.
Indien het huwelijk van de burger van de Unie stukloopt, dienen zijn familieleden hun verblijfsrecht volgens de vijftiende overweging van richtlijn 2004/38 onder eerbiediging van het familieleven en de menselijke waardigheid te behouden.
6.
Artikel 13, lid 2, van richtlijn 2004/38 bepaalt in dit verband:
„Onverminderd het bepaalde in de tweede alinea, leiden scheiding, [...] niet tot verlies van het verblijfsrecht van de familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten:
a)
indien het huwelijk [...] bij de aanvang van de gerechtelijke procedure tot scheiding [...] ten minste drie jaar heeft geduurd, waarvan één jaar in het gastland, of
[...]
d)
indien het omgangsrecht met een minderjarig kind [...] is toegewezen aan de echtgenoot [...] die niet de nationaliteit van een lidstaat bezit en de rechter heeft bepaald dat dit omgangsrecht in het gastland moet worden uitgeoefend, en dit zolang het nodig is.
[...]
Deze familieleden behouden hun verblijfsrecht op uitsluitend persoonlijke basis.”
B – Nationaal recht
7.
Het Ierse recht omvat omzettingsbepalingen die overeenkomen met de voornoemde bepalingen van de richtlijn.
III – Feiten van de hoofdgedingen en prejudiciële vragen
8.
De heren Singh, Njume en Aly zijn derdelanders en zijn in 2005 respectievelijk 2007 in Ierland getrouwd met vrouwelijke burgers van de Unie die zelf niet de Ierse nationaliteit bezitten, maar in het kader van de uitoefening van hun rechten van vrij verkeer en verblijf in Ierland verbleven. De derdelanders verkregen een verblijfsrecht in Ierland in hun hoedanigheid van begeleidende familieleden van burgers van de Unie. In de daaropvolgende jaren werd op zijn minst gedeeltelijk door de derdelanders voorzien in het levensonderhoud van de echtgenoten.
9.
De huwelijken zijn stukgelopen nadat de echtgenoten ten minste vier jaar in Ierland hadden gewoond. In elk van de drie gevallen verlieten de burgers van de Unie Ierland zonder hun echtgenoten en vroegen daarna in Letland, het Verenigd Koninkrijk respectievelijk Litouwen de echtscheiding aan. Inmiddels is de echtscheiding in alle gevallen definitief geworden.
10.
Singh, Njume en Aly beroepen zich op artikel 13 van richtlijn 2004/38 om in Ierland te kunnen blijven, wat door de Ierse autoriteiten is geweigerd. Hun verblijfsrecht was volgens deze autoriteiten gekoppeld aan het verblijfsrecht van hun respectieve echtgenoten en is met het vertrek van deze echtgenoten uit Ierland vervallen.
11.
De High Court of Ireland waarbij deze zaken aanhangig zijn, heeft in dit verband twijfels over de uitlegging van de richtlijn en verzoekt het Hof derhalve om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1)
Behoudt de onderdaan van een derde land, in gevallen waarin het huwelijk tussen een burger van de Unie en een onderdaan van een derde land eindigt in een echtscheiding uitgesproken na het vertrek van de burger van de Unie uit een gastland waar de burger van de Unie Unierechten uitoefende, en waarin de artikelen 7 en 13, lid 2, onder a), van richtlijn 2004/38/EG van de Raad van toepassing zijn, daarna een verblijfsrecht in het gastland? Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord: heeft de onderdaan van een derde land een verblijfsrecht in het gastland tijdens de periode voorafgaande aan de echtscheiding, maar na het vertrek van de burger van de Unie uit het gastland?
2)
Wordt aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1, onder b), van richtlijn 2004/38/EG voldaan ingeval een echtgenoot die burger van de Unie is, beweert te beschikken over toereikende bestaansmiddelen als bedoeld in artikel 8, lid 4, van de richtlijn, indien deze bestaansmiddelen deels worden ingebracht door de echtgenoot met de nationaliteit van een derde land?
3)
Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord: hebben personen als de verzoekers uit hoofde van het recht van de Unie (anders dan de richtlijn) het recht om te werken in het gastland teneinde te zorgen voor of bij te dragen aan ‚voldoende bestaansmiddelen’ als bedoeld in artikel 7 van de richtlijn?”
IV – Juridische beoordeling
A – Eerste prejudiciële vraag
12.
De eerste prejudiciële vraag bestaat uit twee onderdelen waarvan het tweede alleen aan de orde komt, als het eerste onderdeel van deze prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord.
13.
Met het eerste onderdeel van zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de derdelander zijn verblijfsrecht in het gastland verliest indien zijn echtgenote – burger van de Unie – uit deze lidstaat waarvan zij niet de nationaliteit bezit, vertrekt, zelfs als het huwelijk op het moment van vertrek ten minste drie jaar – waarvan ten minste één jaar in het gastland – heeft geduurd en het huwelijk na het vertrek van de echtgenote door echtscheiding in een andere lidstaat definitief is geëindigd.
14.
Voor de beantwoording van deze vraag is van belang of het behoud van het verblijfsrecht van de gescheiden echtgenoten in gevallen als in de hoofdgedingen ook volgens artikel 12 van richtlijn 2004/38 dient te worden beoordeeld of dat alleen artikel 13 van deze richtlijn van toepassing is.
1. Behoud van het verblijfsrecht van familieleden op grond van artikel 12 van richtlijn 2004/38
15.
Artikel 12 van richtlijn 2004/38 regelt onder meer het voortbestaan van het verblijfsrecht van de familieleden in geval van vertrek van de burger van de Unie van wie zij hun verblijfsrecht in het gastland hebben afgeleid. De bepaling maakt hierbij een onderscheid naargelang het betrokken familielid dat achterblijft in het gastland, al dan niet een burger van de Unie is.
16.
Familieleden die zelf burger van de Unie zijn, behouden overeenkomstig artikel 12, lid 1, van richtlijn 2004/38 hun verblijfsrecht na het vertrek van de burger van de Unie en kunnen een duurzaam verblijfsrecht verkrijgen, voor zover zij in de zin van artikel 7 van de richtlijn niet financieel afhankelijk zijn van het gastland.
17.
Dit is anders in het geval van familieleden die derdelanders zijn en wier verblijfsrecht in geval van vertrek van de burger van de Unie slechts onder de zeer strikte voorwaarden van artikel 12, lid 3, van richtlijn 2004/38 blijft bestaan. Volgens deze bepaling behoudt de andere ouder, indien hij met de kinderen van de vertrokken burger van de Unie in het gastland achterblijft en daadwerkelijk de voogdij heeft voor deze kinderen, zijn verblijfsrecht aldaar totdat de gemeenschappelijke kinderen hun opleiding aan een onderwijsinstelling in deze staat hebben voltooid.
18.
Uit artikel 12 van richtlijn 2004/38 kan derhalve worden afgeleid dat – behalve in de bijzondere situatie zoals bedoeld in artikel 12, lid 3 – het vertrek van de burger van de Unie voor uit derde landen afkomstige familieleden tot gevolg heeft dat zij hun verblijfsrecht in het gastland verliezen. ( 3 )
19.
Ook ter terechtzitting is desgevraagd niet gebleken van een aanleiding voor de veronderstelling dat artikel 12, lid 3, van richtlijn 2004/38 op de hoofdgedingen van toepassing zou kunnen zijn. De derdelanders uit de hoofdgedingen zouden derhalve met het vertrek van hun echtgenoten, die burgers van de Unie zijn, hun verblijfsrecht in het gastland reeds hebben verloren, zelfs voordat de burgers van de Unie buiten Ierland überhaupt om echtscheiding hadden verzocht.
20.
De conclusie luidt evenwel anders indien het geval van de gescheiden derdelanders uitsluitend wordt beoordeeld op grond van artikel 13 van richtlijn 2004/38.
2. Behoud van het verblijfsrecht bij echtscheiding overeenkomstig artikel 13 van richtlijn 2004/38
21.
Ook artikel 13 van richtlijn 2004/38 maakt een onderscheid naargelang de betrokken familieleden burgers van de Unie zijn of niet.
22.
De verwijzende rechter bespreekt voor het thans aan de orde zijnde geval van de derdelanders alleen artikel 13, lid 2, onder a), van richtlijn 2004/38, dat een verblijfsrecht na een verblijf van drie jaar vestigt, en laat lid 2, onder d), buiten beschouwing, waarin onder bepaalde voorwaarden een verblijfsrecht wordt verleend om de omgang met kinderen te waarborgen.
23.
Het is ook niet nodig om nader in te gaan op laatstgenoemde bepaling. Uit de verklaringen van de procesvertegenwoordiger van Singh kan weliswaar worden afgeleid dat de ouders het erover eens zijn geworden dat de vader zijn omgangsrecht met het gemeenschappelijke kind in Ierland uitoefent, maar uit de in zoverre relevante verwijzingsbeslissing vloeit niet voort dat bovendien een „rechter heeft bepaald dat dit omgangsrecht in het gastland [dus in Ierland] moet worden uitgeoefend”. Op basis van de uiteengezette feiten bestaat derhalve geen aanleiding om artikel 13, lid 2, onder d), van richtlijn 2004/38 nader te onderzoeken, maar wel de vraag of een voortbestaan van het verblijfsrecht kan worden verdedigd op grond van artikel 13, lid 2, onder a), van richtlijn 2004/38.
24.
Volgens deze bepaling leidt echtscheiding niet tot verlies van het verblijfsrecht van de derdelander indien het huwelijk tot de aanvang van de gerechtelijke echtscheidingsprocedure ten minste drie jaar – waarvan één jaar in het gastland – heeft geduurd.
25.
Aangezien deze voorwaarden door elk van de drie verzoekers in de hoofdgedingen zijn vervuld, kunnen zij zich bij geïsoleerde toepassing van artikel 13 van richtlijn 2004/38 beroepen op het voortbestaan van hun verblijfsrecht. Volgens de bewoordingen van artikel 13 van richtlijn 2004/38 is het immers niet vereist dat de burger van de Unie en zijn echtgenoot tot na afsluiting van de echtscheidingsprocedure in het gastland verblijven, en ook niet dat de echtscheidingsprocedure in deze staat wordt gevoerd en afgesloten.
3. Gezamenlijke beoordeling van de artikelen 12 en 13 van richtlijn 2004/38
26.
Indien men artikel 12 en artikel 13 van richtlijn 2004/38 niet afzonderlijk, maar in onderling verband beziet, kan artikel 13 van de richtlijn bij een strikt letterlijke uitlegging niet als grondslag voor het voortbestaan van het verblijfsrecht van gescheiden derdelanders dienen.
27.
Met het vertrek van de burger van de Unie is het verblijfsrecht van de in het gastland achterblijvende echtgenoot immers reeds vervallen, en ook het latere verzoek tot echtscheiding zou niet tot gevolg hebben dat het verblijfsrecht herleeft, aangezien artikel 13 van richtlijn 2004/38 spreekt van het „behoud” van een bestaand verblijfsrecht en niet van herleving van een reeds vervallen verblijfsrecht.
28.
Verzoekers in de hoofdgedingen kunnen hun verblijfsrecht in het gastland derhalve alleen behouden indien uit systematische of teleologische overwegingen kan worden afgeleid dat het voortbestaan van hun verblijfsrecht uiteindelijk slechts op grond van artikel 13 van richtlijn 2004/38 dient te worden beoordeeld.
29.
Met artikel 13, lid 2, onder a), van richtlijn 2004/38 beoogde de Uniewetgever klaarblijkelijk de belangen van de uit derde landen afkomstige echtgenoten in het gastland te beschermen. Indien zij in geval van echtscheiding hun verblijfsrecht dreigen te verliezen, kan deze omstandigheid een belangrijke beweegreden zijn om geen verzoek tot echtscheiding in te dienen, ook al is het huwelijk ontwricht. Als het huwelijk drie jaar heeft geduurd – waarvan één jaar in het gastland – behoort de derdelander in de opvatting van de Uniewetgever niet te hoeven vrezen voor verblijfsrechtelijke nadelen wegens een echtscheiding.
30.
Na het vertrek van de echtgenoot uit het gastland bestaat een dergelijke beschermingsbehoefte van de derdelander volgens de intentie van de wetgever echter niet meer, aangezien reeds het vertrek van de burger van de Unie ertoe leidt dat de derdelander zijn verblijfsrecht in het gastland verliest.
31.
Hiervoor pleit het volgende.
32.
Ten eerste kan uit de opbouw van de bepalingen worden afgeleid dat artikel 13 van richtlijn 2004/38 in beginsel alleen is bedoeld voor gevallen waarin beide echtgenoten tot aan de echtscheiding in het gastland verblijven.
33.
Artikel 12 van richtlijn 2004/38 bevat immers een uitputtende regeling van de voorwaarden waaronder het verblijfsrecht van familieleden na het overlijden of het vertrek van de burger van de Unie kan blijven behouden. De echtscheidingsproblematiek wordt in artikel 12 evenwel niet genoemd, maar wordt in artikel 13 afzonderlijk geregeld. Indien vertreksituaties op grond van echtscheidingsrechtelijke overwegingen anders hadden moeten worden beoordeeld, dan had het voor de hand gelegen dat de Uniewetgever dit ook uitdrukkelijk had aangegeven.
34.
Omdat dit niet is gebeurd, dient ervan te worden uitgegaan dat het verblijfsrecht van de derdelander van artikel 12 van richtlijn 2004/38 in de regel reeds vervallen is, als de burger van de Unie pas na zijn vertrek om echtscheiding verzoekt. Voor het behoud van een verblijfsrecht op grond van artikel 13 is bij een later verzoek tot echtscheiding dan alleen al om terminologische redenen geen plaats.
35.
Slechts in het geval van artikel 12, lid 3, van richtlijn 2004/38 zou een gecombineerde toepassing van de artikelen 12 en 13 überhaupt denkbaar zijn, en wel in die zin dat het van de voogdij afgeleide verblijfsrecht van de achtergebleven ouder naderhand – als de echtscheiding definitief is geworden – in een onvoorwaardelijk verblijfsrecht wordt gewijzigd. Dit bijzondere geval hoeft evenwel niet te worden besproken, omdat de door de verwijzende rechter uiteengezette situatie geen aanwijzingen in die richting bevat.
36.
Ten tweede pleiten overwegingen van rechtszekerheid ervoor dat het vertrek van de burger van de Unie in situaties als in de hoofdgedingen leidt tot het vervallen van het verblijfsrecht van de achterblijvende derdelander.
37.
Over het algemeen zal het immers op het moment van vertrek niet te voorzien zijn of het huwelijk later al dan niet zal eindigen in een scheiding. Indien men ervan uitgaat dat artikel 13 van richtlijn 2004/38 ook na het vertrek van de burger van de Unie op echtscheidingsgevallen toepasselijk blijft, zou het verblijfsrecht van het achterblijvende familielid echter in eerste instantie vanwege het vertrek moeten vervallen om dan – na het verzoek tot echtscheiding – met terugwerkende kracht te herleven. Voor een dergelijke onzekere verblijfsrechtelijke situatie is in de richtlijn evenwel geen aanknopingspunt te vinden. In tegendeel: of een verblijfsrecht al dan niet bestaat, moet in het belang van alle betrokkenen te allen tijde duidelijk zijn.
38.
Ten derde kunnen ook uit overwegingen in verband met de nuttige werking van de richtlijn geen dwingende argumenten worden afgeleid voor de opvatting dat artikel 13, lid 2, onder a), van richtlijn 2004/38 na het vertrek van de burger van de Unie en de latere aanvang van de echtscheidingsprocedure beslissend zou zijn voor het verblijfsrecht van de derdelander in het gastland.
39.
Het toepassingsgebied van artikel 13 van richtlijn 2004/38 blijft namelijk ook dan aanzienlijk, als hiervan situaties worden uitgesloten waarin de burger van de Unie vóór de echtscheiding het gastland heeft verlaten.
40.
Weliswaar kan niet worden ontkend dat onredelijke situaties kunnen ontstaan indien een verzoek tot echtscheiding in het ene geval in het binnenland, in een ander geval pas na vertrek in het buitenland wordt ingediend en het verblijfsrecht van de derdelander bij eenzelfde duur van het huwelijk in het eerste geval, als de burger van de Unie niet vertrekt, blijft bestaan, terwijl het in het tweede geval vervalt.
41.
Dit probleem ligt evenwel besloten in de systematiek van de richtlijn en is klaarblijkelijk door de wetgever op de koop toe genomen. Uit richtlijn 2004/38 kan niet worden afgeleid dat de derdelander na een huwelijk van drie jaar ook in geval van vertrek van de burger van de Unie en een aansluitend scheidingsverzoek over een verblijfsrecht in het gastland zou moeten beschikken. De wetgever had zonder meer een dergelijke eenvoudige en transparante regel in de richtlijn kunnen opnemen. Dit heeft hij echter niet gedaan en in plaats daarvan gekozen voor het complexe systeem van de artikelen 12 en 13, dat de rechtsbeoefenaar niet om redenen van billijkheid terzijde mag schuiven.
42.
Het is waar dat de burger van de Unie door kwaadwillig vertrek uit het gastland het in artikel 13 opgenomen verblijfsrecht van zijn echtgenoot teniet kan doen, maar enerzijds zijn er geen aanwijzingen dat in de hoofdgedingen een dergelijk oogmerk bestond, en anderzijds zou de derdelander niet volledig machteloos staat tegenover een dergelijke actie – hij zou immers de burger van de Unie kunnen begeleiden of bij een stukgelopen huwelijk zelf tijdig in het gastland een verzoek tot echtscheiding kunnen indienen.
43.
Doet hij dit niet, verkeert hij in dezelfde positie als de heer Iida ( 4 ) voor wie het Hof – ondanks het voortbestaan van het huwelijk – noch op basis van het primaire recht noch op basis van het afgeleide recht een verblijfsrecht na het vertrek van zijn echtgenote heeft bevestigd. Weliswaar was richtlijn 2004/38 op het geval van Iida niet van toepassing, aangezien hij in het land van herkomst van zijn echtgenote en niet in een andere lidstaat verbleef. Desondanks kan uit het arrest Iida worden afgeleid dat het Unierechtelijke verblijfsrecht dat derdelanders via familieleden verkrijgen die burgers van de Unie zijn, zich in de regel niet uitstrekt tot lidstaten waarin de burgers van de Unie niet verblijven.
44.
Dit is ook aan de orde in het onderhavige geval waarin richtlijn 2004/38 het verblijfsrecht van de derdelander door het vertrek van de burger van de Unie heeft laten vervallen, voordat artikel 13 van de richtlijn überhaupt van toepassing kon worden door het inleiden van een echtscheidingsprocedure.
45.
Ook primairrechtelijke overwegingen – inzonderheid met betrekking tot artikel 7 van het Handvest van de grondrechten en tot het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven – leiden niet tot een andere conclusie.
46.
Enerzijds kan artikel 7 van het Handvest al niet als basis dienen voor een zelfstandig verblijfsrecht van de derdelander in het gastland, omdat dit recht niet bijdraagt aan de voortzetting van een familie- en gezinsleven met de burger van de Unie, maar veeleer samenhangt met de levensfase na beëindiging van dit familie- en gezinsleven.
47.
Anderzijds gaat de grondrechtelijke bescherming van het huwelijk en het gezin weliswaar niet zo ver dat het de echtgenoten geheel vrijstaat te kiezen in welke staat zij willen verblijven. ( 5 ) Voor zover een gezin echter rechtmatig in een bepaalde staat verblijft, kan het ontnemen van het verblijfsrecht het karakter van een inmenging hebben. ( 6 ) Hiervan moet evenwel worden onderscheiden het geval waarin het gemeenschappelijke verblijf van een gezin niet door een overheidsmaatregel, maar – zoals in de hoofdgedingen – door een vrije keuze van een vertrekkend familielid eindigt. Wat dergelijke vertreksituaties betreft staat het de Uniewetgever vrij om in een handeling die in eerste instantie het vrije verkeer van de burger van de Unie wil bevorderen en die voor diens familie- en gezinsleven aanvullende maatregelen vaststelt, het verblijfsrecht van de uit een derde land afkomstige echtgenoot aldus te regelen dat hij de burger van de Unie naar die staat moet begeleiden waarin deze zijn verdere leven wil leiden.
48.
Er rest evenwel een incoherentie in het systeem van richtlijn 2004/38. Na het vertrek van de burger van de Unie kan diens uit een derde land afkomstige echtgenoot namelijk, als hij de burger van de Unie bijvoorbeeld om beroepsmatige redenen niet begeleidt en ook niet voor een gemeenschappelijk kind zorgt, zijn verblijfsrecht in het huidige gastland verliezen, zelfs als het huwelijk stand houdt ( 7 ), terwijl de derdelander bij een stukgelopen huwelijk, indien hij zich tijdig kan laten scheiden, overeenkomstig artikel 13 van richtlijn 2004/38 zijn verblijfsrecht in het gastland behoudt ( 8 ).
49.
Hierin kan een inbreuk op de bescherming van het gezin juncto het vrije verkeer van de betrokken burger van de Unie besloten liggen. Het is immers – juist in gebieden vlakbij de grens – niet uitgesloten dat een gezin dusdanig is georganiseerd dat de echtgenoten in verschillende lidstaten wonen en werken. Desondanks is het niet nodig deze twijfels wat betreft de coherentie van de regeling van de artikelen 12 en 13 van de richtlijn in de onderhavige procedure verder te onderzoeken. Bezien vanuit artikel 7 van het Handvest zouden deze twijfels namelijk hooguit tot gevolg kunnen hebben dat het verblijfsrecht van een niet gescheiden derdelander blijft bestaan. In casu is het huwelijk tussen de echtgenoten evenwel ontbonden.
50.
Aangezien de regeling van richtlijn 2004/38 dus wat het onderhavige geval betreft ook niet stuit op belangrijke grondrechtelijke bezwaren, dient het eerste onderdeel van de eerste prejudiciële vraag aldus te worden beantwoord dat een derdelander zijn verblijfsrecht in het gastland verliest indien zijn echtgenote – burger van de Unie – vertrekt uit deze lidstaat, waarvan zij niet de nationaliteit bezit, zelfs als het huwelijk op het moment van vertrek ten minste drie jaar – waarvan ten minste één jaar in het gastland – heeft geduurd en na het vertrek van de echtgenote door echtscheiding in een andere lidstaat definitief is geëindigd.
51.
Het antwoord op het tweede onderdeel van de eerste prejudiciële vraag, waarmee de verwijzende rechter wenst te vernemen of de derdelander in ieder geval tot het einde van de echtscheidingsprocedure in het gastland mag blijven, vloeit eveneens voort uit artikel 12 van richtlijn 2004/38, dat aan de derdelander uitsluitend onder de in lid 3 opgenomen voorwaarden (waaraan in casu niet is voldaan) een verblijfsrecht in het gastland toekent dat ook na het vertrek van de burger van de Unie voortduurt. Indien na het vertrek van de burger van de Unie het verblijfsrecht van de derdelander is vervallen, kan het bij gebreke van desbetreffende bepalingen in de richtlijn ook in de periode tot het einde van de echtscheidingsprocedure niet herleven wanneer een dergelijke procedure in een andere staat zou worden ingeleid.
B – Tweede prejudiciële vraag
52.
Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of ook middelen van de echtgenoot die niet de nationaliteit van een lidstaat bezit, dienen te worden meegenomen bij de beoordeling of de burger van de Unie over voldoende bestaansmiddelen in de zin van artikel 7, lid 1, onder b), en artikel 8, lid 4, van de richtlijn beschikt.
53.
Deze vraag kan met verwijzing naar de vaste rechtspraak bevestigend worden beantwoord, met dien verstande dat de herkomst van de middelen niet van belang is, althans mits deze rechtmatig zijn verkregen. ( 9 )
54.
Een beantwoording van de derde prejudiciële vraag lijkt mij dus overbodig.
V – Conclusie
55.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden:
„Op grond van richtlijn 2004/38 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, verliest een derdelander zijn verblijfsrecht in het gastland indien zijn echtgenote, die burger van de Unie is, vertrekt uit deze lidstaat, waarvan zij niet de nationaliteit bezit, zelfs als het huwelijk op het moment van vertrek ten minste drie jaar – waarvan ten minste één jaar in het gastland – heeft geduurd en na het vertrek van de echtgenote door echtscheiding in een andere lidstaat definitief is geëindigd. Ook voor de periode tot de definitieve uitspraak van de echtscheiding kent richtlijn 2004/38 de derdelander in het gastland geen verblijfsrecht toe na het vertrek van de burger van de Unie.
Ook middelen van de echtgenoot die niet de nationaliteit van een lidstaat bezit, dienen, mits deze rechtmatig zijn verkregen, in aanmerking te worden genomen om vast te stellen of de burger van de Unie over voldoende bestaansmiddelen in de zin van artikel 7, lid 1, onder b), en artikel 8, lid 4, van richtlijn 2004/38 beschikt.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Duits.
( 2 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158, blz. 77, gerectificeerd in PB L 229, blz. 35).
( 3 ) Met betrekking tot de vroegere rechtssituatie op grond van artikel 11 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2434/92 van de Raad van 27 juli 1992 (PB L 245, blz. 1), zie arrest Mattern en Cikotic (C‑10/05, EU:C:2006:220, punt 27).
( 4 ) Arrest Iida (C‑40/11, EU:C:2012:691).
( 5 ) Zie in dit verband de punten 63‑67 van mijn conclusie van 8 september 2005 in de zaak Parlement/Raad (C‑540/03, EU:C:2005:517) en de arresten van het EHRM van 2 augustus 2001 in de zaak Boultif/Zwitserland (nr. 54273/00), Recueil des arrêts et décisions 2001-IX, § 39, en 25 maart 2014, Biao/Denemarken (nr. 38590/10), § 53.
( 6 ) Zie bijvoorbeeld arrest van het EHRM van 26 september 1997 in de zaak Mehemi/Frankrijk (nr. 25017/94), Recueil des arrêts et décisions 1997-VI, § 27.
( 7 ) Zie in dit verband arrest Iida (C‑40/11, EU:C:2012:691, punten 60‑64).
( 8 ) Theoretisch denkbaar is zelfs het geval van een „schijnechtscheiding”, als tegenhanger van het schijnhuwelijk, namelijk dat een derdelander echtscheiding aanvraagt met als enige doel om voorafgaand aan het aanstaande vertrek van zijn echtgenoot via artikel 13 van richtlijn 2004/38 een eigen verblijfsrecht in het gastland te verkrijgen. In de praktijk ligt het evenwel, niet in de laatste plaats vanwege de kosten, niet voor de hand dat echtgenoten genoodzaakt zijn dergelijke extreme stappen te ondernemen, aangezien de derdelander na vijf jaar op grond van artikel 16, lid 2, van richtlijn 2004/38 toch al een duurzaam verblijfsrecht kan krijgen. De vraag of aan een dergelijke „schijnechtscheiding” in voorkomend geval praktisch effect moet worden onthouden en welke verblijfsrechtelijke gevolgen hieruit zouden kunnen voortvloeien, hoeft niet te worden beantwoord, aangezien de onderhavige situatie hiervoor geen aanknopingspunten bevat.
( 9 ) Zie onder meer arresten Zhu en Chen (C‑200/02, EU:C:2004:639, punt 30), Commissie/België (C‑408/03, EU:C:2006:192, punt 42) en Alokpa e.a. (C‑86/12, EU:C:2013:645, punt 27).
Full & Egal Universal Law Academy