CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. WATHELET
van 7 mei 2015 ( 1 )
Zaak C‑255/14
Robert Michal Chmielewski
tegen
Nemzeti Adó- és Vámhivatal Dél-alföldi Regionális Vám- és Pénzügyőri Főigazgatósága
[verzoek van de Kecskeméti Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság (Hongarije) om een prejudiciële beslissing]
„Controle van liquide middelen die de Europese Unie binnenkomen of verlaten — Verordening (EG) nr. 1889/2005 — Niet-nakoming van de aangifteplicht — Evenredigheid van de sancties — Vrij verkeer van kapitaal en betalingen”
I – Inleiding
1.
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de evenredigheid van een in het Hongaarse recht vastgestelde administratieve geldboete wegens niet-nakoming van de aangifteplicht als bedoeld in artikel 3 van verordening (EG) nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten. ( 2 )
II – Toepasselijke bepalingen
A – Unierecht
1. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
2.
In artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), met als titel „Het recht op eigendom”, is het eigendomsrecht in lid 1 als volgt vastgelegd en beschermd:
„Eenieder heeft het recht de goederen die hij rechtmatig heeft verkregen, in eigendom te bezitten, te gebruiken, erover te beschikken en te vermaken. Niemand mag zijn eigendom worden ontnomen, behalve in het algemeen belang, in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet en mits het verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed. Het gebruik van de goederen kan bij wet worden geregeld, voor zover het algemeen belang dit vereist.”
2. Verordening nr. 1889/2005
3.
Artikel 1, met als titel „Doel”, bepaalt in lid 1:
„Deze verordening strekt tot aanvulling van richtlijn 91/308/EEG voor wat betreft langs financiële en kredietinstellingen en bepaalde beroepen verlopende transacties, en stelt daartoe geharmoniseerde regels in voor de controle, door de bevoegde autoriteiten, op liquide middelen die de [Europese Unie] binnenkomen of verlaten.”
4.
Artikel 3, met als titel „Aangifteplicht”, bepaalt:
„1. Iedere natuurlijke persoon die de [Unie] binnenkomt of verlaat, en liquide middelen ten bedrage van EUR 10000 of meer vervoert, moet dat bedrag overeenkomstig deze verordening aangeven bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat via welke deze middelen de [Unie] binnenkomen of verlaten. Er is niet aan de aangifteplicht voldaan indien de verstrekte gegevens onjuist of onvolledig zijn.
2. De in lid 1 bedoelde aangifte dient de nodige gegevens te bevatten omtrent:
[...]
e)
herkomst en beoogd gebruik van de liquide middelen;
[...]”
5.
Artikel 4, met als titel „Bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten”, bepaalt in lid 2:
„Indien niet voldaan is aan de aangifteplicht van artikel 3, mogen liquide middelen overeenkomstig de in de nationale wetgeving vastgestelde voorwaarden bij een administratieve beslissing in bewaring worden genomen.”
6.
Artikel 6, met als titel „Uitwisseling van gegevens”, luidt:
„1. Indien er aanwijzingen zijn dat de liquide middelen verband houden met een illegale activiteit ter zake van het vervoer van liquide middelen, zoals bedoeld in richtlijn 91/308/EEG, kunnen de gegevens die zijn verkregen door middel van de in artikel 3 bedoelde aangifte of de controles bedoeld in artikel 4 worden medegedeeld aan de bevoegde autoriteiten in andere lidstaten.
De bepalingen van verordening (EG) nr. 515/97 zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Indien er aanwijzingen zijn dat de liquide middelen betrekking hebben op de opbrengst van fraude of andere onwettige activiteiten ten nadele van de financiële belangen van de Gemeenschap, worden deze gegevens ook aan de Commissie medegedeeld.”
7.
Artikel 7, met als titel „Uitwisseling van gegevens met derde landen”, luidt:
„In het kader van de wederzijdse administratieve bijstand kunnen de krachtens deze verordening verkregen gegevens door de lidstaten of de Commissie aan een derde land worden medegedeeld. Voor deze mededeling is de instemming vereist van de bevoegde autoriteiten die de gegevens krachtens artikel 3 en/of artikel 4 hebben verkregen; zij moet tevens in overeenstemming zijn met de desbetreffende nationale en communautaire bepalingen inzake de overdracht van persoonsgegevens aan derde landen. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van deze uitwisseling van gegevens indien dit voor de uitvoering van deze verordening van bijzonder belang is.”
8.
Artikel 9, met als titel „Sancties”, bepaalt in lid 1:
„Elke lidstaat stelt sancties vast die van toepassing zijn indien niet aan de in artikel 3 bedoelde aangifteplicht wordt voldaan. Deze sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.”
B – Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
9.
Artikel 1 van het aanvullend Protocol bij het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, met als titel „Bescherming van eigendom”, luidt:
„Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.
De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.”
C – Hongaars recht
10.
Artikel 2 van wet XLVIII van 2007 bepaalt:
„1. De in artikel 3 van [verordening nr. 1889/2005] bedoelde aangifteplicht wordt schriftelijk nagekomen.
2. Opgave moet worden gedaan van de volledige naam en het volledige adres van de eigenaar van de liquide middelen overeenkomstig artikel 3, lid 2, onder b), van [verordening nr. 1889/2005], de volledige naam en het volledige adres van de beoogde ontvanger van de liquide middelen overeenkomstig onder c) van die bepaling, en het gebruikte vervoermiddel – en in het geval van auto’s het kenteken – overeenkomstig onder g) van die bepaling.
[...]”
11.
Artikel 5/A, lid 1, van wet XLVIII van 2007 luidt:
„Ingevolge artikel 9 van [verordening nr. 1889/2005] moet een natuurlijke persoon die de Europese Unie binnenkomt of verlaat en de in artikel 3, lid 1, van [verordening nr. 1889/2005] bedoelde aangifteplicht niet nakomt met betrekking tot de in artikel 2, lid 2, van [verordening nr. 1889/2005] bedoelde liquide middelen die hij in bezit heeft, of die deze plicht onjuist of onvolledig nakomt, ter plaatse een geldboete betalen, waarvan het bedrag in forint wordt vastgesteld
a)
op 10 % van het bedrag dat hij in bezit heeft, indien de liquide middelen samen 10000 EUR of meer maar niet meer dan 20000 EUR bedragen;
b)
op 40 % van het bedrag dat hij in bezit heeft, indien de liquide middelen samen meer dan 20000 EUR maar niet meer dan 50000 EUR bedragen;
c)
op 60 % van het bedrag dat hij in bezit heeft, indien de liquide middelen samen meer dan 50000 EUR bedragen.”
III – Hoofdgeding en prejudiciële vragen
12.
Op 9 augustus 2012 is R. M. Chmielewski Hongarije vanuit Servië binnengekomen zonder de liquide middelen ten bedrage van 147492 EUR aan te geven die hij bij zich had, namelijk 249150 Bulgaarse lev (BGN) (ongeveer 127400 EUR), 30000 Turkse lira (TRY) (ongeveer 6500 EUR) en 29394 Roemeense leu (RON) (ongeveer 13600 EUR).
13.
Volgens de Commissie heeft Chmielewski bij de controle aan de douanebeambten verklaard dat hij die grote som geld bij zich had omdat hij in Bulgarije een huis had willen kopen, maar onverrichter zake naar Polen terugkeerde.
14.
Ter terechtzitting heeft de Nemzeti Adó- és Vámhivatal Dél‑alföldi Regionális Vám- és Pénzügyőri Főigazgatósága (regionaal directoraat voor douane- en belastinginspectie van Dél‑alföld) benadrukt dat 60 % van het bedrag dat Chmieliewski bij zich had (namelijk 24532000 HUF) in bewaring was genomen als geldboete wegens niet-aangifte krachtens artikel 5/A, lid 1, onder c), van wet XLVIII van 2007.
15.
Bij besluit van 4 oktober 2013 heeft de Nemzeti Adó- és Vámhivatal Dél-alföldi Regionális Vám- és Pénzügyőri Főigazgatósága het verzoek van Chmielewski afgewezen om hem van de geldboete vrij te stellen rekening houdend met de door hem aangevoerde persoonlijke omstandigheden, en de administratieve geldboete van 24532000 HUF bevestigd die Chmielewski door de douanebeambten was opgelegd, aangezien hij, door bij zijn binnenkomst in de Unie dat bedrag niet aan te geven, de krachtens verordening nr. 1889/2005 en wet XLVIII van 2007 op hem rustende plicht niet was nagekomen.
16.
Chmielewski heeft tegen dat besluit bij de Kecskeméti Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság (rechtbank in bestuurs‑ en arbeidszaken te Kecskemét) beroep ingesteld, met name op grond dat wet XLVIII van 2007 in strijd was met het Unierecht.
17.
De Kecskeméti Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1)
Voldoet het bedrag van de administratieve geldboete waarin is voorzien door artikel 5/A van wet XLVIII van 2007 tot uitvoering van verordening [...] nr. 1889/2005 [...] aan het vereiste van artikel 9, lid 1, van [die] verordening dat in het nationale recht vastgestelde sancties doeltreffend en afschrikkend zijn en tegelijkertijd evenredig aan het verzuim en het nagestreefde doel?
2)
Is artikel 5/A van [wet XLVIII van 2007], wat het bedrag van de geldboeten betreft waarin het voorziet, in strijd met het verbod op verkapte beperkingen van het vrije kapitaalverkeer zoals neergelegd in het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 65, lid 3, [VWEU]?”
IV – Procesverloop voor het Hof
18.
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing is bij het Hof ingediend op 27 mei 2014. De Hongaarse, de Belgische, de Spaanse en de Italiaanse regering alsook de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.
19.
Ter terechtzitting van 18 maart 2015 hebben de Nemzeti Adó- és Vámhivatal Dél-alföldi Regionális Vám- és Pénzügyőri Főigazgatósága, die geen schriftelijke opmerkingen had ingediend, de Hongaarse, de Belgische en de Spaanse regering alsook de Commissie pleidooi gehouden.
V – Analyse
A – Opmerkingen vooraf
20.
Op grond van het door de artikelen 63 en volgende VWEU gewaarborgde vrije verkeer van kapitaal staat het Unierecht weliswaar niet in de weg aan internationale transfers van liquide middelen, maar het Hof heeft reeds geoordeeld dat dit vrije verkeer van kapitaal zich niet ertegen verzet dat voor de uitvoer van geldstukken, bankbiljetten of cheques aan toonder een voorafgaande aangifte wordt vereist. ( 3 ) Deze regel is ook terug te vinden in het Unierecht over hetzelfde onderwerp, zoals in verordening nr. 1889/2005, meer in het bijzonder in artikel 3.
21.
De kwestie van de in het Hongaarse recht vastgestelde sanctie kan bijgevolg worden geanalyseerd aan de hand van zowel artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1889/2005 als artikel 65, lid 3, VWEU, op grond waarvan verkapte beperkingen van het vrije verkeer van kapitaal zijn verboden.
22.
Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen voorstelt, zal ik de twee prejudiciële vragen samen onderzoeken.
B – Argumenten van partijen
23.
De partijen in de procedure voor het Hof zijn het erover eens dat de sancties waarin artikel 5/A, lid 1, van wet XLVIII van 2007 voorziet, doeltreffend en afschrikkend zijn in de zin van artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1889/2005. Anders dan de Hongaarse, de Belgische, de Spaanse en de Italiaanse regering, die van mening zijn dat die sancties ook evenredig zijn, is de Commissie echter van mening dat de onder b) en c) van die bepaling bedoelde sancties, namelijk 40 % voor een niet‑aangegeven bedrag van 20000 à 50000 EUR en 60 % voor een dergelijk bedrag van meer dan 50000 EUR, in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel.
24.
Volgens de Commissie zijn die sancties onevenredig doordat artikel 5/A, lid 1, van wet XLVIII van 2007 de overheid en de nationale rechter geen beoordelingsmarge laat om bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete rekening te houden met de specifieke omstandigheden van iedere situatie en doordat het in zodanig hoge geldboeten voorziet dat het lijkt uit te gaan van kwaad opzet van de pleger van de betrokken administratieve inbreuk.
25.
De Hongaarse, de Belgische, de Spaanse en de Italiaanse regering leiden de evenredigheid van het bij artikel 5/A, lid 1, van wet XLVIII van 2007 ingevoerde systeem van sancties af uit de doeltreffendheid en de afschrikkende werking van dat systeem en uit het progressieve karakter van de geldboeten naargelang van de hoogte van de niet‑aangegeven bedragen.
C – Beoordeling
1. Rechtspraak van het Hof over de evenredigheid van sancties
26.
Over de evenredigheid van sancties wegens schending van het Unierecht zijn er reeds verschillende arresten van het Hof.
27.
Zo is het vaste rechtspraak dat „de lidstaten bij ontbreken van harmonisatie van de Uniewetgeving op het gebied van de toepasselijke sancties in geval van niet-naleving van de voorwaarden van het door deze regeling ingestelde stelsel, bevoegd [zijn] de sancties te kiezen die hun passend voorkomen. Zij moeten deze bevoegdheid echter uitoefenen met eerbiediging van het Unierecht en de algemene beginselen daarvan, en dus ook met eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel”. ( 4 )
28.
„Zoals het Hof reeds herhaaldelijk heeft overwogen, mogen administratieve of strafrechtelijke maatregelen niet verder gaan dan hetgeen strikt noodzakelijk is ter bereiking van het beoogde doel, en mogen aan controlemaatregelen geen sancties zijn verbonden die zo onevenredig zijn aan de ernst van de overtreding, dat zij tot een belemmering van de in het [VWEU] verankerde vrijheden worden”. ( 5 )
29.
Het Hof heeft zich echter zelden concreet over de evenredigheid van de in iedere zaak aan de orde zijnde nationale sancties uitgesproken. In de zaak die heeft geleid tot het arrest Urbán (C‑210/10, EU:C:2012:64), heeft het Hof dat weliswaar gedaan, maar in die zaak leverde de bestrafte inbreuk geen misbruik op en was zij zelfs niet ernstig, terwijl de geldboete zeer hoog was, wat het Hof ertoe gebracht heeft zelf te oordelen dat de betrokken geldboete onevenredig was. ( 6 )
30.
Gewoonlijk vertrouwt het Hof de toetsing van de evenredigheid aan de verwijzende rechter toe, waarbij het hem nuttige criteria verstrekt om die toetsing correct uit te voeren. ( 7 )
31.
In de zaak die heeft geleid tot het arrest Louloudakis (C‑262/99, EU:C:2001:407), heeft het Hof in punt 69 geoordeeld dat „hoewel het om redenen van bestraffing en preventie aangewezen kan zijn dat een nationale regeling sancties met een bepaalde graad van strengheid vaststelt, toch niet kan worden uitgesloten, dat [die sancties] onevenredig blijken te zijn en aldus een inbreuk op die vrijheid [in casu het vrije verkeer van personen en goederen] vormen, voor zover zij boetes omvatten die forfaitair zijn vastgesteld louter op basis van het criterium van de cilinderinhoud van het voertuig, ongeacht de ouderdom ervan, alsmede een verhoogde heffing die kan oplopen tot het tienvoudige van de betrokken belasting. Een sanctie die louter is gebaseerd op het criterium van de cilinderinhoud, kan namelijk onevenredig zijn aan de ernst van de overtreding, inzonderheid wanneer zij gekoppeld wordt aan een andere, zware, sanctie die uit hoofde van diezelfde overtreding wordt opgelegd. Hetzelfde zou kunnen gelden voor een sanctie die kan oplopen tot een veelvoud van de betrokken belasting, bijvoorbeeld het tienvoudige daarvan”.
32.
Wanneer het gaat om in het Unierecht zelf vastgestelde sancties neemt het Hof volstrekt logisch zelf een beslissing, zonder verwijzing naar de nationale rechter.
33.
In de zaak die heeft geleid tot het arrest Billerud Karlsborg en Billerud Skärblacka (C‑203/12, EU:C:2013:664) ( 8 ), heeft het Hof bijvoorbeeld geoordeeld dat de „beoordeling van de evenredigheid van een Uniehandeling [...] niet [kan] afhangen van beoordelingen achteraf van de graad van doeltreffendheid van die handeling. Wanneer de Uniewetgever met het oog op de vaststelling van een regeling de toekomstige gevolgen ervan dient te beoordelen en die gevolgen niet met zekerheid zijn te voorzien, kan zijn beoordeling slechts worden afgekeurd indien zij, gelet op de gegevens waarover de wetgever ten tijde van de vaststelling van de betrokken regeling beschikte, kennelijk onjuist is”. ( 9 )
34.
Op grond hiervan heeft het Hof geoordeeld dat de „in richtlijn 2003/87 neergelegde boete wegens overmatige emissie [...] niet [kan] worden geacht in te druisen tegen het evenredigheidsbeginsel op grond dat de nationale rechter niet over de mogelijkheid beschikt om het bedrag ervan te wijzigen”. ( 10 ) Ik merk op dat het Hof in het arrest Louloudakis (C‑262/99, EU:C:2001:407) had geoordeeld dat boetes die forfaitair zijn vastgesteld zonder rekening te houden met een reeks criteria „onevenredig konden blijken te zijn” (zie punten 69‑71).
35.
Na deze opmerkingen is het duidelijk dat de rechtspraak van het Hof over de evenredigheid van sancties, die de toetsing van de evenredigheid aan de nationale rechter overlaat, in hoofdzaak is gebaseerd op de concrete omstandigheden van iedere zaak, waarbij rekening wordt gehouden met de soort inbreuk en de ernst ervan, het gemak waarmee de autoriteiten kunnen voorzien hoe doeltreffend het strafstelsel is, de methode voor de berekening van de sanctie en de criteria waaraan die methode moet voldoen.
2. Evenredigheid van de sancties uit het oogpunt van het eigendomsrecht
36.
Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft vermeld, zijn de administratieve geldboeten wegens niet-aangifte van liquide middelen aan de grens door het Europees Hof voor de rechten van de mens getoetst aan artikel 1 van het eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
37.
Mijns inziens moet ook de onderhavige zaak uit het oogpunt van het in artikel 17 van het Handvest neergelegde eigendomsrecht worden onderzocht, temeer daar in overweging 15 van verordening nr. 1889/2005 wordt bepaald dat die verordening „de grondrechten [eerbiedigt] en [...] de beginselen in acht neemt die [...] in het Handvest [...] zijn overgenomen”. Het Handvest is volgens artikel 51, lid 1, ervan van toepassing wanneer de lidstaten het Unierecht ten uitvoer brengen.
38.
Aangezien artikel 17 van het Handvest overeenkomt met artikel 1 van het eerste Protocol bij dat Verdrag, kan de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens ter zake nuttig zijn voor de onderhavige zaak, wetende dat het Handvest het Unierecht toestaat „een ruimere bescherming” te bieden. ( 11 )
39.
Het Europees Hof voor de rechten van de mens heeft drie zaken behandeld met nagenoeg dezelfde feiten als de onderhavige zaak: Ismayilov v Rusland ( 12 ), Grifhorst v Frankrijk ( 13 ) en Moon v Frankrijk. ( 14 )
a) Zaak Ismayilov v Rusland
40.
Op 17 november 2002 is Adil Yunus oğlu Ismayilov, met de Azerbeidjaanse nationaliteit, in Moskou aangekomen. Hij had 21348 USD bij zich, namelijk de opbrengst van de verkoop van een in Bakoe (Azerbeidzjan) gelegen huis dat hij van zijn moeder had geërfd. Aan de douanebeambten heeft hij evenwel verklaard dat hij slechts 48 USD bij zich had, terwijl naar Russisch recht alle bedragen van meer dan 10000 USD moesten worden aangegeven. Bij de daaropvolgende controle is de rest van het bedrag in zijn bagage gevonden. Hij is toen beschuldigd van smokkelarij en het betrokken bedrag werd als bewijsmateriaal in beslag genomen. A.Y. Ismayilov is vrijgelaten met ondertoezichtstelling en de Russische rechter heeft het betrokken bedrag teruggegeven aan de douaneautoriteiten die het in beslag namen.
41.
Volgens het Europees Hof voor de rechten van de mens „kan een schending [van het eigendomsrecht] slechts als evenredig worden aangemerkt indien zij in overeenstemming is met de ernst van de inbreuk, namelijk de niet-nakoming van de aangifteplicht, in plaats van met de ernst van een vermoede inbreuk die echter niet daadwerkelijk is bewezen, zoals het witwassen van geld of belastingontduiking”. ( 15 )
42.
Het Europees Hof voor de rechten van de mens heeft daaraan toegevoegd dat de inbeslagneming niet als een geldelijke vergoeding voor door de Staat geleden schade was bedoeld „– aangezien [de Staat] geen schade had geleden als gevolg van verzoekers verzuim om het [betrokken] geld aan te geven – maar als afschrikking en straf”. ( 16 )
43.
Het Europees Hof voor de rechten van de mens heeft geconcludeerd dat de „[Russische] regering [...] niet overtuigend [had] aangetoond of zelfs maar aangevoerd dat die sanctie [namelijk de gevangenisstraf] op zich niet volstond als afschrikking en straf en evenmin om de niet-nakoming van de aangifteplicht te voorkomen. Bijgevolg was het gelasten van een inbeslagneming als een bijkomende sanctie [...] onevenredig, doordat verzoeker hierdoor een ‚buitensporige individuele last’ werd opgelegd”. ( 17 )
b) Zaak Grifhorst v Frankrijk
44.
De zaak Grifhorst v Frankrijk lijkt op de onderhavige zaak in die zin dat door de bepalingen van Frans recht die in die zaak aan de orde waren (met name de artikelen 464 en 465 van het douanewetboek), de artikelen 3 en 9 van verordening nr. 1889/2005 in Frankrijk ten uitvoer zijn gelegd.
45.
Op 29 januari 1996 is Robert Grifhorst aan de Frans‑Andorrese grens door de Franse douane aan een controle onderworpen. Zoals in het hoofdgeding, heeft R. Grifhorst ontkennend geantwoord op de in het Engels en het Spaans gestelde vraag van de douanebeambten of hij aan te geven bedragen bij zich had. Het voertuig werd doorzocht en Grifhorst werd gefouilleerd, waarop de douanebeambten in de opbergvakken van dat voertuig 500000 Nederlandse gulden (NLG), dat wil zeggen 233056 EUR, ontdekten. Tijdens zijn verhoor heeft Grifhorst verklaard dat hij in Andorra woonde en het bedrag bij Crédit Andorra' had opgenomen om in Amsterdam een onroerend goed te kopen.
46.
Anders dan in het hoofdgeding, hebben de douanebeambten het volledige bedrag dat Grifhorst bij zich had, in beslag genomen.
47.
Vervolgens hebben de Franse autoriteiten, anders dan de Hongaarse autoriteiten in het hoofdgeding, de Nederlandse autoriteiten geraadpleegd over de activiteiten van Grifhorst. De Nederlandse autoriteiten hebben de Franse autoriteiten erop gewezen dat zij Grifhorst kenden, met name wegens chantage en afpersing, ontvoering en vuurwapenbezit in 1983. De Nederlandse autoriteiten hebben voorts benadrukt dat de enige bekende activiteit van Grifhorst verband hield met onroerend goed, dat geen vorderingen waren gemaakt met een internationaal onderzoek van het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek en het Koninkrijk der Nederlanden naar zijn activiteiten en dat Grifhorst ervan werd verdacht voor rekening van anderen geld wit te wassen maar dat geen concrete aanvullende gegevens konden worden verstrekt.
48.
Grifhorst werd gedagvaard voor het Tribunal correctionnel de Perpignan (Frankrijk). Bij vonnis van 8 oktober 1998 heeft dat hem schuldig bevonden aan de niet-nakoming van de in artikel 464 van het douanewetboek vastgestelde verplichting tot aangifte van geld, effecten of waardepapieren en op grond van artikel 465 van hetzelfde wetboek heeft het de inbeslagneming van het volledige bedrag gelast en hem een geldboete opgelegd gelijk aan de helft van het niet‑aangegeven bedrag (225000 NLG, dat wil zeggen 116828 EUR).
49.
Dat vonnis is bevestigd door de Cour d’appel de Montpellier (Frankrijk), die zijn verzoek om het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing heeft afgewezen. Door de Cour de cassation (Frankrijk) is ook zijn cassatieberoep verworpen. Na die verwerping heeft Grifhorst bij het Europees Hof voor de rechten van de mens beroep ingesteld wegens schending van zijn door artikel 1 van het eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde eigendomsrecht.
50.
Het Europees Hof voor de rechten van de mens heeft eerst opgemerkt dat de „enige strafbare gedraging waarvan [Grifhorst] [kon] worden beschuldigd, [...] het feit [was] dat hij bij het overschrijden van de Frans‑Andorrese grens het contant geld dat hij bij zich had, niet had aangegeven, en dat [d]e regering [...] trouwens niet [had] betoogd dat de bedragen die hij bij zich had, uit illegale activiteiten voortkwamen of voor dergelijke activiteiten waren bestemd”. ( 18 )
51.
Het Europees Hof voor de rechten van de mens heeft zich aangesloten bij de benadering die de Commissie had gevolgd in haar met redenen omkleed advies aan de Franse Republiek over de verenigbaarheid van artikel 465 van het douanewetboek met het Unierecht en heeft voorts geoordeeld dat „de sanctie in overeenstemming moest zijn met de ernst van de inbreuk, namelijk de niet-nakoming van de aangifteplicht, in plaats van met de ernst van een vermoede inbreuk die echter niet daadwerkelijk is bewezen, zoals het witwassen van geld of belastingontduiking”. ( 19 )
52.
Het Europees Hof voor de rechten van de mens heeft vervolgens nota genomen van de in 2004, na het met redenen omkleed advies van de Commissie, in artikel 465 aangebrachte wijziging. Volgens de nieuwe tekst vond de inbeslagneming niet meer automatisch plaats en kon zij, uiterlijk aan het einde van een periode van ten hoogste zes maanden waarin het niet-aangegeven bedrag in consignatie was gegeven, nog slechts worden gelast indien er aanwijzingen waren of het aannemelijk was dat de betrokken persoon nog andere inbreuken op het douanewetboek had gepleegd. De geldboete was vastgesteld op 25 % van het bedrag waarop de inbreuk betrekking had. ( 20 )
53.
Bijgevolg heeft het Europees Hof voor de rechten van de mens geoordeeld dat „een [...] systeem [als het bij de wijziging van 2004 ingevoerde systeem] de mogelijkheid [bood] om een billijk evenwicht te bewaren tussen het algemeen belang en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu” ( 21 ), terwijl een cumulatie van „de inbeslagneming en de geldboete [...] onevenredig aan de begane inbreuk was”. ( 22 )
c) Zaak Moon v Frankrijk
54.
In de zaak Moon v Frankrijk was hetzelfde probleem aan de orde als in de zaak Grifhorst v Frankrijk. Het enige belangrijke verschil is dat de opgelegde geldboete was vastgesteld op 25 % van het niet‑aangegeven bedrag.
55.
Het Europees Hof voor de rechten van de mens heeft zijn arrest Grifhorst v Frankrijk bevestigd en heeft geoordeeld dat de cumulatie van de inbeslagneming en de geldboete 125 % van het niet‑aangegeven bedrag bedroeg en derhalve onevenredig was. ( 23 )
3. Bij de artikelen 4, lid 2, en 9, lid 1, van verordening nr. 1889/2005 ingevoerd systeem van sancties
56.
Zoals de Commissie suggereert, heeft verordening nr. 1889/2005 tot doel het Unierechtelijke mechanisme ter voorkoming van het witwassen van geld aan te vullen door te zorgen voor een bepaald niveau van controle op het vervoer van liquide middelen over de grenzen van de Unie en informatie te verzamelen over dat vervoer. ( 24 )
57.
Zo voorziet het bij verordening nr. 1889/2005 ingevoerde controlesysteem in de verplichting om alle bedragen van 10000 EUR of meer aan te geven. ( 25 ) Volgens dat systeem moeten op de niet-nakoming van die plicht „doeltreffende, evenredige en afschrikkende” sancties staan, die de lidstaten in hun nationale recht moeten vaststellen ( 26 ) en die vergezeld kunnen gaan van de inbewaringneming van de niet‑aangegeven liquide middelen bij een administratieve beslissing overeenkomstig de in de nationale wetgeving vastgestelde voorwaarden. ( 27 )
58.
Uit de structuur van dat systeem blijkt derhalve duidelijk dat, zoals de Commissie vermeldt, met de door de lidstaten vastgestelde geldboeten alleen de vastgestelde inbreuk, namelijk de niet-nakoming van de aangifteplicht, wordt bestraft en niet een niet-vastgestelde mogelijke inbreuk, zoals het witwassen van geld of belastingontduiking.
59.
Volgens artikel 3, lid 2, onder e), van verordening nr. 1889/2005 ( 28 ) staat het aan de nationale autoriteiten om, zoals de Franse autoriteiten in de zaak Grifhorst v Frankrijk hebben gedaan, telkens de herkomst en het beoogde gebruik van de niet‑aangegeven liquide middelen na te gaan. Die taak wordt verlicht door de in de artikelen 6 en 7 van die verordening vervatte voorschriften inzake de uitwisseling van gegevens.
60.
Ter terechtzitting heeft de Nemzeti Adó- és Vámhivatal Dél‑alföldi Regionális Vám- és Pénzügyőri Főigazgatósága erop gewezen dat het voor de douanebeambten moeilijk was aan de grens bewijs te verzamelen over strafbare feiten in verband met de niet‑aangegeven liquide middelen zoals het witwassen van geld of belastingontduiking. Precies om die taak te vergemakkelijken, bepaalt artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1889/2005 echter dat liquide middelen bij een administratieve beslissing tijdelijk in bewaring mogen worden genomen.
61.
Indien vaststaat dat de herkomst en het beoogde gebruik van de niet‑aangegeven liquide middelen legaal zijn, zoals in de zaken Ismayilov v Rusland ( 29 ) en Moon v Frankrijk ( 30 ) het geval was, of dit niet in twijfel kan worden getrokken, zoals in de zaak Grifhorst v Frankrijk ( 31 ) het geval was, kan alleen de op grond van artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1889/2005 in het nationale recht vastgestelde sanctie, in casu de geldboete, worden opgelegd.
62.
De inbeslagneming daarentegen kan worden gelast indien overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht vaststaat dat de herkomst of het beoogde gebruik van de betrokken liquide middelen illegaal is, en kan samengaan met de op grond van artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1889/2005 in het nationale recht vastgestelde sanctie.
63.
Aangezien de geldboete geen verband houdt met de herkomst of het gebruik van de niet‑aangegeven liquide middelen, kan zij niet variëren naargelang de herkomst of het gebruik van het betrokken bedrag legaal is of niet.
64.
Kortom, zoals het Europees Hof voor de rechten van de mens reeds heeft geoordeeld, is de wegens niet-nakoming van de aangifteplicht opgelegde geldboete slechts evenredig indien zij „in overeenstemming is met de ernst van de inbreuk, namelijk de niet-nakoming van de aangifteplicht”. ( 32 )
4. Verenigbaarheid van wet XLVIII van 2007 met verordening nr. 1889/2005
a) In het algemeen
65.
Meteen zij opgemerkt dat, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft uiteengezet, de door de lidstaten op grond van artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1889/2005 vastgestelde sancties sterk van elkaar verschillen zowel wat de berekening van de geldboete betreft (een percentage van het niet‑aangegeven bedrag dan wel een door de bevoegde autoriteiten tussen een in de wet neergelegd minimum en maximum vast te stellen bedrag) als wat de bedragen betreft waartoe die systemen kunnen leiden (van 1200 EUR in Estland tot een maximumboete van 1 miljoen EUR in Duitsland).
66.
In dit verband is een boetesysteem als dat welk door de Hongaarse wetgever is ingevoerd, waarbij de geldboete progressief is naargelang van de hoogte van het niet‑aangegeven bedrag, mijns inziens op zich niet abnormaal.
b) Andere parameters dan de eigenlijke geldboete
67.
Enkele parameters van dat systeem lijken mij echter in strijd te zijn met verordening nr. 1889/2005.
68.
Allereerst zijn de bij het overschrijden van de Servisch‑Hongaarse grens bij Chmielewski aangetroffen liquide middelen, zoals ter terechtzitting door de Nemzeti Adó- és Vámhivatal Dél-alföldi Regionális Vám- és Pénzügyőri Főigazgatósága is bevestigd, niet tijdelijk in bewaring genomen door de Hongaarse autoriteiten, aangezien in de Hongaarse wettelijke regeling niet is voorzien in de bij artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1889/2005 geboden mogelijkheid om de niet‑aangegeven liquide middelen bij een administratieve beslissing in bewaring te nemen. ( 33 )
69.
Ook al blijkt Chmielewski aan de Hongaarse douanebeambten te hebben verklaard dat hij het betrokken bedrag bij zich had omdat hij in Bulgarije een huis had willen kopen, maar onverrichter zake naar Polen terugkeerde, uit het dossier blijkt voorts niet dat de Hongaarse autoriteiten hebben getracht de herkomst van de betrokken liquide middelen vast te stellen. Daartoe hadden zij de Poolse autoriteiten om bijstand kunnen verzoeken, wat niet is gebeurd. In die zin hebben zij artikel 3, lid 2, onder e), van verordening nr. 1889/2005 niet toegepast.
70.
Aangezien verordening nr. 1889/2005 tot hoofddoel heeft de bestrijding van belastingfraude en het witwassen van geld doeltreffender te maken, met name door een door artikel 6 vergemakkelijkte samenwerking tussen de lidstaten, moeten de lidstaten absoluut de herkomst en de bestemming van het betrokken geld onderzoeken en zich niet beperken tot de vaststelling en de bestraffing van de niet-nakoming van de aangifteplicht. Dat betekent dat dit geld tijdens dat onderzoek tijdelijk in bewaring mag worden genomen.
71.
In plaats van voorwaarden vast te stellen waaronder de niet‑aangegeven liquide middelen op grond van artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1889/2005 bij een administratieve beslissing in bewaring mogen worden genomen, blijkt het bij wet XLVIII van 2007 ingevoerde systeem voor de uitvoering van die verordening mijns inziens louter te steunen op de idee dat, door het progressieve karakter van de geldboete, rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat de herkomst en het beoogde gebruik van de niet‑aangegeven liquide middelen illegaal zijn.
72.
Een dergelijk systeem waarbij, door middel van een geldboete die aan de hoogte van de betrokken bedragen is gekoppeld, een vermoeden dat de herkomst of de bestemming van die bedragen illegaal is, wordt gecombineerd met de niet-nakoming van de aangifteplicht, is mijns inziens in strijd met de artikelen 3, lid 2, en 4, lid 2, van verordening nr. 1889/2005.
73.
Wet XLVIII van 2007 is immers in strijd met de voorschriften van de verordening en brengt de doeltreffendheid van die verordening in gevaar doordat geen vragen worden gesteld over de herkomst en het beoogde gebruik van de niet‑aangegeven liquide middelen en doordat niet de mogelijkheid wordt geboden om die middelen bij een administratieve beslissing tijdelijk in bewaring te nemen opdat de Hongaarse autoriteiten kunnen beslissen of de inbeslagneming moet worden gelast. ( 34 )
74.
Tegen deze achtergrond, waarbij de verwijzende rechter de niet‑aangegeven liquide middelen niet langer tijdelijk in bewaring kan nemen om ze in beslag te kunnen nemen indien is aangetoond dat de herkomst of het beoogde gebruik ervan illegaal is, moet de evenredigheid van de opgelegde geldboete worden onderzocht, rekening houdend met de bovenvermelde problemen in verband met de verenigbaarheid van wet XLVIII van 2007 met verordening nr. 1889/2005.
c) Automatisch verband tussen de geldboete en het niet‑aangegeven bedrag aan liquide middelen
75.
Het bij artikel 5/A van wet XLVIII van 2007 ingevoerde boetesysteem laat de bevoegde autoriteiten geen beoordelingsmarge om van het vooraf bepaalde bedrag van de geldboete af te wijken. Bovendien stijgt het bedrag van de geldboete automatisch naarmate het niet‑aangegeven bedrag hoger is (namelijk 10 % voor een bedrag tussen 10000 en 20000 EUR, 40 % voor bedragen tussen 20000 en 50000 EUR en 60 % voor alle bedragen van meer dan 50000 EUR).
76.
De enige maatstaf voor de geldboete is derhalve de hoogte van het niet‑aangegeven bedrag.
77.
De Commissie maakt het verwijt dat dit systeem de bevoegde autoriteiten niet de mogelijkheid biedt om rekening te houden met de omstandigheden van ieder afzonderlijk geval, zoals het opzettelijke karakter of de herhaling van de niet-aangifte, wat volgens de Commissie tot een verlaging of zelfs de intrekking van de geldboete zou kunnen leiden indien de inbreukmaker vervolgens kan aantonen dat de herkomst en de bestemming van het niet‑aangegeven bedrag legaal zijn. Volgens de Commissie is het algemeen belang in dat geval niet geschaad, ook al is de aangifteplicht niet nagekomen.
78.
Ook al heb ik zojuist eraan herinnerd dat op grond van verordening nr. 1889/2005 bij de in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1889/2005 bedoelde controle de herkomst en het beoogde gebruik van het betrokken bedrag moeten worden onderzocht, die kritiek overtuigt mij niet.
79.
Hoewel verordening nr. 1889/2005 zich niet verzet tegen een systeem als dat voorgesteld door de Commissie, dat de nationale douaneautoriteiten of rechterlijke instanties de mogelijkheid zou bieden om rekening te houden met de specifieke omstandigheden van iedere zaak, ben ik immers van mening dat een dergelijk systeem in geen geval ertoe mag leiden dat er geen sanctie staat op de niet-nakoming van de aangifteplicht als bedoeld in artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1889/2005, dat uitdrukkelijk bepaalt dat de lidstaten „sancties [vaststellen] die van toepassing zijn indien niet aan de in artikel 3 bedoelde aangifteplicht wordt voldaan”.
80.
Voorts zijn systemen die, zoals dat ingevoerd bij wet XLVIII van 2007, niet de mogelijkheid bieden om rekening te houden met de specifieke omstandigheden van iedere zaak, mijns inziens niet door dit feit alleen in strijd met verordening nr. 1889/2005. Waarom immers zou aan de bevoegde autoriteiten een beoordelingsmarge worden gelaten voor een administratieve inbreuk bestaande in niet-aangifte waarvan de Uniewetgever wou dat zij eenvoudig is vast te stellen, los van andere strafbare feiten, zoals het witwassen van geld, de financiering van terrorisme, belastingontduiking, heling, diefstal, winst uit drugshandel of smokkelarij, en ook los van opzet?
81.
Mijns inziens hebben de lidstaten het recht om een eenvoudig, doeltreffend en afschrikkend boetesysteem in te voeren waarbij alle betrokkenen gelijk worden behandeld en een gedifferentieerde analyse wordt voorbehouden aan de vervolging van andere inbreuken dan de niet-aangifte.
d) Evenredigheid van de in het hoofdgeding opgelegde geldboete
82.
Ook al is een geldboete die progressief is naargelang van de hoogte van het niet‑aangegeven bedrag aan liquide middelen zeker geschikt ter verwezenlijking van de doelstelling ervan om de nakoming van de aangifteplicht te bevorderen en de niet-nakoming ervan te bestraffen, ik ben geneigd het hoogste progressieve percentage van de Hongaarse wettelijke regeling als onevenredig aan te merken. Ik denk niet, zoals het Europees Hof voor de rechten van de mens lijkt te doen ( 35 ), dat hetzelfde percentage (in casu 25 %) moet worden toegepast ongeacht de hoogte van het niet‑aangegeven bedrag, maar een geldboete van 60 % van het volledige niet‑aangegeven bedrag wanneer dit bedrag hoger dan 50000 EUR is, mogelijk ingegeven door het vermeende bestaan van andere inbreuken of het voornemen om andere inbreuken te plegen, grenst mijns inziens aan een inbeslagneming wegens een eenvoudige niet-nakoming van de aangifteplicht en zorgt niet voor een billijk evenwicht tussen het algemeen belang en de bescherming van het in artikel 17 van het Handvest neergelegde eigendomsrecht.
83.
Ten slotte wens ik twee opmerkingen te maken. Zonder er een doorslaggevende factor van te maken, leid ik uit de uiteenzetting van de Commissie ter terechtzitting af dat geen van de lidstaten die, zoals Hongarije, hebben gekozen voor een geldboete die gelijk is aan een percentage van het niet‑aangegeven bedrag, in een zo hoog percentage heeft voorzien. De percentages variëren van 5 tot 50 %, waarbij het percentage van 50 % alleen in uitzonderlijke omstandigheden in één lidstaat van toepassing is.
84.
Ik herinner ten slotte eraan dat de inbeslagneming van al het betrokken geld volstrekt evenredig zou zijn indien niet zou vaststaan dat de herkomst en de bestemming van de bedoelde bedragen legaal zijn, onverminderd andere sancties wegens eventueel vastgestelde andere inbreuken.
VI – Conclusie
85.
Ik geef het Hof derhalve in overweging de prejudiciële vragen van de Kecskeméti Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság te beantwoorden als volgt:
„Artikel 9, lid 1, van verordening (EG) nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een sanctie als die vastgesteld in artikel 5/A, lid 1, onder c), van wet XLVIII van 2007, voor zover een geldboete van 60 % van het niet‑aangegeven bedrag wordt opgelegd wanneer dit bedrag hoger dan 50000 EUR is, zonder dat dit bedrag in bewaring kan worden genomen gedurende een periode die noodzakelijk is om de herkomst en de bestemming ervan te onderzoeken.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) PB L 309, blz. 9.
( 3 ) Zie arresten Bordessa e.a. (C‑358/93 en C‑416/93, EU:C:1995:54, punt 31) en Sanz de Lera e.a. (C‑163/94, C‑165/94 en C‑250/94, EU:C:1995:451, punt 39).
( 4 ) Arrest Louloudakis (C‑262/99, EU:C:2001:407, punt 67). Zie in die zin ook arresten Amsterdam Bulb (50/76, EU:C:1977:13, punten 33 en 35), Commissie/Griekenland (C‑210/91, EU:C:1992:525, punt 19), Siesse (C‑36/94, EU:C:1995:351, punt 21), de Andrade (C‑213/99, EU:C:2000:678, punt 20), Ntionik en Pikoulas (C‑430/05, EU:C:2007:410, punt 54) en Urbán (C‑210/10, EU:C:2012:64, punt 53).
( 5 ) Arrest Commissie/Griekenland (C‑210/91, EU:C:1992:525, punt 20). Zie in die zin ook arresten Casati (203/80, EU:C:1981:261, punt 27), Luisi en Carbone (286/82 en 26/83, EU:C:1984:35, punten 34 en 35), Commissie/Griekenland (68/88, EU:C:1989:339, punt 24), Louloudakis (C‑262/99, EU:C:2001:407, punt 67), Ntionik en Pikoulas (C‑430/05, EU:C:2007:410, punt 53) en Urbán (C‑210/10, EU:C:2012:64, punt 53).
( 6 ) Zie arrest Urbán (C‑210/10, EU:C:2012:64, punten 55‑58). Zie met name punt 56, waarin het Hof heeft geoordeeld dat „het Hongaarse sanctiestelsel onevenredig lijkt, met name in een zaak als die welke ten grondslag ligt aan het hoofdgeding, waarin slechts één van de vijftien gecontroleerde schijven een gebrek in de registratie vertoonde, namelijk dat hierop de kilometerstand bij aankomst niet was vermeld” en dat „het in het hoofdgeding aan de orde zijnde gebrek in de registratie geen misbruik kon opleveren, aangezien de op het registratieblad ontbrekende vermelding daarentegen op het vervoerdocument was vermeld”. Zie ook punt 58, waarin het Hof, na eraan herinnerd te hebben dat „de repressieve maatregel niet onevenredig [mocht] zijn”, erop wijst dat het bedrag van de geldboete „bijna even groot is als het gemiddelde nettomaandsalaris van een werknemer in Hongarije”.
( 7 ) Zie met name arresten Louloudakis (C‑262/99, EU:C:2001:407, punt 70) en Ntionik en Pikoulas (C‑430/05, EU:C:2007:410, punt 54).
( 8 ) Die zaak betrof de wettigheid van de in artikel 16, lid 3, van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275, blz. 32) vastgestelde forfaitaire geldboete van 100 EUR voor elke ton door een installatie uitgestoten kooldioxide-equivalent waarvoor de exploitant geen emissierechten heeft ingeleverd.
( 9 ) Zie punt 37.
( 10 ) Ibidem (punt 38).
( 11 ) Zie artikel 52, lid 3, van het Handvest.
( 12 ) EHRM, arrest Ismayilov v Rusland, 6 november 2008 (arrest niet gepubliceerd in het Recueil des arrêts et décisions, toegankelijk op de website van het EHRM ‑89412).
( 13 ) EHRM, arrest Grifhorst v Frankrijk, 26 februari 2009 (arrest niet gepubliceerd in het Recueil des arrêts et décisions, toegankelijk op de website van het EHRM ‑91448).
( 14 ) EHRM, arrest Moon v Frankrijk, 9 juli 2009 (arrest niet gepubliceerd in het Recueil des arrêts et décisions, toegankelijk op de website van het EHRM ‑93522).
( 15 ) EHRM, arrest Ismayilov v Rusland, 6 november 2008, punt 38 (mijn vertaling): „in order to be considered proportionate, the interference should correspond to the gravity of the infringement, namely the failure to comply with the declaration requirement, rather than to the gravity of any presumed infringement which had not however been actually established, such as an offence of money laundering or tax evasion”.
( 16 ) Ibidem (mijn vertaling): „the confiscation measure was not intended as pecuniary compensation for damage – as the State had not suffered any loss as a result of the applicant’s failure to declare the money – but was deterrent and punitive in its purpose”.
( 17 ) Ibidem (mijn vertaling): „It has not been convincingly shown or indeed argued by the Government that that sanction alone was not sufficient to achieve the desired deterrent and punitive effect and prevent violations of the declaration requirement. In these circumstances, the imposition of a confiscation measure as an additional sanction was, in the Court’s assessment, disproportionate, in that it imposed an ‚individual and excessive burden’ on the applicant”.
( 18 ) EHRM, arrest Grifhorst v Frankrijk, 26 februari 2009, punt 98.
( 19 ) Ibidem, punt 102.
( 20 ) Ibidem, punt 103.
( 21 ) Idem.
( 22 ) Ibidem, punt 105.
( 23 ) EHRM, arrest Moon v Frankrijk, 9 juli 2009, punten 48 tot en met 52.
( 24 ) Zie met name artikel 1 en de overwegingen 2 en 3 van verordening nr. 1889/2005.
( 25 ) Zie artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1889/2005.
( 26 ) Ibidem, artikel 9, lid 1.
( 27 ) Ibidem, artikel 4, lid 2. Ik benadruk dat die inbewaringneming tijdelijk is en niet langer duurt dan strikt noodzakelijk is om na te gaan of het niet‑aangegeven bedrag in beslag moet worden genomen.
( 28 ) Ik wens het Hof en de verwijzende rechter erop te wijzen dat artikel 2, lid 2, van wet XLVIII van 2007, volgens hetwelk de herkomst en het beoogde gebruik van de liquide middelen niet tot de in de aangifte op te nemen informatie behoren, in strijd is met de uitdrukkelijke formulering van artikel 3, lid 2, onder e), van verordening nr. 1889/2005 en derhalve buiten toepassing moet worden gelaten.
( 29 ) Zie punt 40 van de onderhavige conclusie. Het bedrag dat Ismayilov bij het overschrijden van de Russische grens bij zich had, was de opbrengst van de verkoop van een in Bakoe (Azerbeidzjan) gelegen huis dat hij van zijn moeder had geërfd.
( 30 ) Zie EHRM, arrest Moon v Frankrijk, 9 juli 2009, punten 9 en 12. Bij de controle aan de Frans-Zwitserse grens heeft Timothy Moon verklaard dat het bedrag dat hij bij zich had [28240 pond sterling (GBP)], afkomstig was van een hem door een te Genève gevestigde vennootschap toegekende lening en bestemd was voor de aankoop van een huis in Frankrijk of, indien hij er geen vond, van een sportwagen in Engeland. Het Tribunal correctionnel de Thonon-les-Bains (Frankrijk), waarvoor T. Moon was gedagvaard, oordeelde dat Moon had aangetoond dat hij op basis van zijn inkomen en zijn privévermogen een dergelijk bedrag kon bezitten.
( 31 ) Zie punten 47 en 50 van de onderhavige conclusie. Hoewel Grifhorst volgens de Nederlandse autoriteiten vroeger van illegale activiteiten werd verdacht, hebben die autoriteiten verklaard dat de enige bekende activiteit van Grifhorst verband hield met onroerend goed en dat een internationaal onderzoek geen concrete bewijzen had opgeleverd.
( 32 ) EHRM, arrest Ismayilov v Rusland, 6 november 2008, punt 38; Grifhorst v Frankrijk, 26 februari 2009, punten 98 en 102, en Moon v Frankrijk, 9 juli 2009, punt 49.
( 33 ) Dat kan verbazing wekken, aangezien het vreemd is dat Chmielewski van plan was om voor de aankoop van een huis in Bulgarije grotendeels Roemeense lei en Turkse lira’s te gebruiken en blijkbaar niet heeft uitgelegd waarom hij het risico nam om met een zo groot bedrag bij zich een zo lange treinreis te maken (van Polen naar Bulgarije en terug) in plaats van een bankoverschrijving te verrichten.
( 34 ) Zie punt 68 van de onderhavige conclusie.
( 35 ) Zie EHRM, arrest Grifhorst v Frankrijk, 26 februari 2009, punt 103. Zie in die zin ook EHRM, arrest Moon v Frankrijk, 9 juli 2009, punten 48 tot en met 52.
Full & Egal Universal Law Academy