CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
N. WAHL
van 15 oktober 2015 (1)
Zaak C‑267/14 P
Buzzi Unicem SpA
tegen
Europese Commissie
„Hogere voorziening – Markten voor cement en aanverwante producten – Artikel 18, lid 3, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad – Bevoegdheid van de Commissie om inlichtingen te verlangen – Evenredigheid – Motivering – Zelfincriminatie – Goede praktijken betreffende de mededeling van economische gegevens”
1. Wat zijn de voorwaarden voor en de grenzen van de uitoefening van de bevoegdheid van de Commissie om bij besluit inlichtingen te verlangen van ondernemingen in het kader van een onderzoek naar mogelijke inbreuken op de mededingingsregels van de Unie?
2. Dit zijn in wezen de kernvragen die aan de orde zijn in de hogere voorziening die Buzzi Unicem SpA (hierna: „Buzzi Unicem” of „rekwirante”) heeft ingesteld tegen het arrest van het Gerecht houdende verwerping van het beroep tot nietigverklaring tegen het krachtens artikel 18, lid 3, van verordening (EG) nr. 1/2003(2) vastgestelde besluit van de Commissie, waarbij van die onderneming werd verlangd dat zij een aanzienlijke hoeveelheid inlichtingen verstrekte.
3. Grotendeels vergelijkbare vragen zijn aan de orde in drie andere hogere voorzieningen van op de cementmarkt actieve ondernemingen tegen een drietal arresten van het Gerecht. Ook in deze arresten zijn de grieven tegen de Commissiebesluiten, die vergelijkbaar zijn met het door Buzzi Unicem aangevochten besluit, voor het grootste deel verworpen. Ik neem vandaag eveneens conclusie in deze drie zaken(3), en de onderhavige conclusie moet dan ook in samenhang daarmee worden gelezen.
I – Toepasselijke bepalingen
4. Overweging 23 van verordening nr. 1/2003 luidt:
„De Commissie moet in de gehele Gemeenschap de bevoegdheid hebben om de inlichtingen te verlangen die noodzakelijk zijn om door [artikel 101 VWEU] verboden overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, alsook door [artikel 102 VWEU] verboden misbruik van een machtspositie op het spoor te komen. Wanneer zij gevolg geven aan een beschikking van de Commissie kunnen ondernemingen niet worden gedwongen te erkennen dat zij een inbreuk hebben gepleegd, maar zij zijn er steeds toe gehouden vragen over feiten te beantwoorden en documenten te verstrekken, zelfs als die inlichtingen kunnen dienen om ten aanzien van hen of van een andere onderneming het bestaan van een inbreuk aan te tonen.”
5. Artikel 18 („Verzoeken om inlichtingen”) van verordening nr. 1/2003 bepaalt, voor zover hier van belang:
„1. Ter vervulling van de haar bij deze verordening opgedragen taken kan de Commissie met een eenvoudig verzoek of bij beschikking de ondernemingen en ondernemersverenigingen vragen alle nodige inlichtingen te verstrekken.
2. Bij het toezenden van een eenvoudig verzoek om inlichtingen aan een onderneming of ondernemersvereniging vermeldt de Commissie de rechtsgrond voor en het doel van het verzoek, specificeert zij welke inlichtingen vereist zijn en stelt zij de termijn vast waarbinnen de inlichtingen moeten worden verstrekt, alsmede de sancties die bij artikel 23 op het verstrekken van onjuiste of misleidende inlichtingen zijn gesteld.
3. Wanneer de Commissie bij beschikking van ondernemingen en ondernemersverenigingen verlangt dat zij inlichtingen verstrekken, vermeldt zij de rechtsgrond voor en het doel van het verzoek, specificeert welke inlichtingen vereist zijn en stelt de termijn vast voor het verstrekken van deze inlichtingen. De beschikking vermeldt ook de sancties bedoeld in artikel 23 en vermeldt de sancties bedoeld in artikel 24 of legt deze laatste sancties op. De beschikking vermeldt tevens het recht om bij het Hof van Justitie beroep tegen de beschikking in te stellen.
[...]”
II – Voorgeschiedenis van het geding
6. In 2008 en 2009 heeft de Commissie – krachtens artikel 20 van verordening nr. 1/2003 – een aantal inspecties verricht in de kantoren van verschillende ondernemingen die actief zijn in de cementsector, waaronder die van Buzzi Unicem en ook Dyckerhoff AG en Cimalux SA, twee ondernemingen waarover rekwirante rechtstreeks of indirect zeggenschap uitoefent. Deze inspecties zijn in 2009 en 2010 gevolgd door een aantal inlichtingenverzoeken krachtens artikel 18, lid 2, van verordening nr. 1/2003.
7. Bij brief van 5 november 2010 heeft de Commissie Buzzi Unicem meegedeeld dat zij van plan was om haar krachtens artikel 18, lid 3, van verordening nr. 1/2003 bij besluit om inlichtingen te verzoeken, en heeft zij haar het ontwerp toegezonden van de vragenlijst die zij bij dit besluit wilde voegen. Buzzi Unicem heeft op 17 november 2010 haar opmerkingen bij de Commissie ingediend.
8. Op 6 december 2010 heeft de Commissie Buzzi Unicem meegedeeld dat zij had besloten om tegen haar en zeven andere ondernemingen op grond van artikel 11, lid 6, van verordening nr. 1/2003 en artikel 2 van verordening (EG) nr. 773/2004(4) een procedure in te leiden wegens vermoede inbreuken op artikel 101 VWEU, namelijk beperking van de invoer in de Europese Economische Ruimte (EER) vanuit landen buiten de EER, verdeling van de markten, onderlinge prijsafstemming en aanverwante mededingingsverstorende praktijken op de cementmarkt en de markten voor aanverwante producten.
9. Op 30 maart 2011 heeft de Commissie besluit C(2011) 2356 definitief inzake een procedure op grond van artikel 18, lid 3, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad (zaak 39520 – Cement en aanverwante producten) (hierna: „bestreden besluit”) vastgesteld.
10. In het bestreden besluit heeft de Commissie verklaard dat zij volgens artikel 18 van verordening nr. 1/2003 ter vervulling van de haar bij deze verordening opgedragen taken met een eenvoudig verzoek of bij besluit ondernemingen en ondernemersverenigingen kan verzoeken alle nodige inlichtingen te verstrekken (overweging 3 van het bestreden besluit). Na eraan te hebben herinnerd dat zij verzoekster had ingelicht over haar voornemen om overeenkomstig artikel 18, lid 3, van verordening nr. 1/2003 een besluit vast te stellen en dat deze haar opmerkingen over een ontwerpvragenlijst had ingediend (overwegingen 4 en 5 van het bestreden besluit), heeft de Commissie verzoekster bij besluit verzocht om te antwoorden op de vragenlijst in bijlage I. Deze bijlage I telde 79 bladzijden en 11 reeksen vragen. De instructies voor het beantwoorden van deze vragenlijst waren vermeld in bijlage II bij het bestreden besluit, terwijl de voor de antwoorden te gebruiken modellen waren opgenomen in bijlage III.
11. De Commissie herinnerde tevens aan de vermoede inbreuken (overweging 2 van het bestreden besluit), die zij heeft omschreven als volgt: „[d]e vermoede inbreuken betreffen beperkingen van de handelsstromen in de Europese Economische Ruimte (EER), daaronder begrepen beperkingen van de invoer in de EER vanuit landen buiten de EER, verdeling van de markten, onderlinge prijsafstemming en aanverwante mededingingsverstorende praktijken op de cementmarkt en de markten voor aanverwante producten”. Op basis van de aard en de omvang van de gevraagde inlichtingen en ook de ernst van de vermoede inbreuken op de mededingingsregels was de Commissie van mening dat aan verzoekster een antwoordtermijn van twaalf weken diende te worden gegund voor de eerste tien reeksen vragen, en een termijn van twee weken voor de elfde reeks vragen (overweging 8 van het bestreden besluit).
12. Het dispositief van het bestreden besluit luidt als volgt:
„Artikel 1
Buzzi Unicem SpA moet samen met haar in de Europese Unie gevestigde dochterondernemingen waarover zij rechtstreeks of indirect zeggenschap uitoefent de in bijlage I bij dit besluit genoemde inlichtingen verstrekken in de in de bijlagen II en III bij dit besluit voorgeschreven vorm, binnen een termijn van twaalf weken voor de vragen 1 tot en met 10 en binnen een termijn van twee weken voor vraag 11, te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van dit besluit. Alle bijlagen maken deel uit van dit besluit.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot Buzzi Unicem SpA en haar in de Europese Unie gevestigde dochterondernemingen waarover zij rechtstreeks of indirect zeggenschap uitoefent.”
III – Procedure voor het Gerecht en bestreden arrest
13. Bij op 10 juni 2011 neergelegd verzoekschrift verzocht Buzzi Unicem het Gerecht het bestreden besluit nietig te verklaren.
14. Bij afzonderlijk verzoekschrift van dezelfde datum heeft Buzzi Unicem verzocht de zaak te behandelen volgens de versnelde procedure van artikel 76 bis van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Dit verzoek is bij beschikking van 14 september 2011 door het Gerecht afgewezen.
15. Bij arrest van 14 maart 2014 in zaak T‑297/11, Buzzi Unicem SpA/Commissie (hierna: „bestreden arrest”)(5), heeft het Gerecht het beroep verworpen en Buzzi Unicem verwezen in de kosten.
IV – Procedure voor het Hof en conclusies van partijen
16. In haar verzoekschrift, dat bij het Hof is binnengekomen op 23 mei 2014, verzoekt Buzzi Unicem het Hof:
– het arrest in zaak T‑297/11 te vernietigen;
– besluit C(2011) 2356 definitief inzake een procedure op grond van artikel 18, lid 3, van verordening (EG) nr. 1/2003 (zaak 39520 – Cement en aanverwante producten) nietig te verklaren;
– de Commissie te verwijzen in de kosten van beide instanties.
17. De Commissie verzoekt het Hof:
– de hogere voorziening af te wijzen;
– Buzzi Unicem te verwijzen in de kosten.
V – Beoordeling van de middelen
18. Buzzi Unicem voert in hogere voorziening vijf middelen aan. In grote lijnen betreffen die middelen de vraag of het Gerecht de bevoegdheid van de Commissie om op grond van verordening nr. 1/2003 inlichtingen te verlangen, juist heeft uitgelegd.
19. De voornaamste wettelijke bepalingen en rechtspraak op het gebied van die bevoegdheid van de Commissie zijn besproken in mijn eveneens vandaag genomen conclusie in de zaak HeidelbergCement/Commissie(6).
20. Het is tegen die achtergrond dat ik de door rekwirante aangevoerde middelen zal beoordelen.
A – Doel van het verzoek om inlichtingen
1. Argumenten van partijen
21. Met haar eerste middel betoogt Buzzi Unicem dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door haar grief inzake ontoereikende motivering van het besluit af te wijzen. In het bestreden besluit ontbreken met name bijzonderheden over de vermoede inbreuken en de periode waarop het onderzoek van de Commissie betrekking heeft. Volgens rekwirante heeft het Gerecht voorts blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat met enkel een verwijzing naar het besluit tot inleiding van de procedure aan de motiveringsplicht is voldaan. Rekwirante stelt verder dat ook het bestreden arrest onvoldoende is gemotiveerd, in de zin dat een aantal argumenten van rekwirante in dit verband zonder een redelijke onderbouwing is afgewezen.
22. Volgens de Commissie is dit middel niet-ontvankelijk omdat rekwirante in wezen als rechtsvraag vermomde feitenkwesties aan de orde stelt. De Commissie concludeert subsidiair tot afwijzing van het middel. Zij benadrukt dat het Gerecht bij de beoordeling van de motiveringsplicht van de Commissie geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en overeenkomstig vaste rechtspraak terecht heeft vastgesteld dat in de motivering van een handeling van de Unie naar andere handelingen kan worden verwezen.
2. Beoordeling
23. Om te beginnen ben ik van mening dat de door de Commissie aangevoerde exceptie van niet-ontvankelijkheid moet worden afgewezen. Het eerste middel van rekwirante is ontleend aan twee gebreken, die beide de toereikendheid van de motivering van respectievelijk het bestreden besluit en het bestreden arrest betreffen. Het Hof hoeft voor de behandeling van de klachten niet de in eerste aanleg vastgestelde feiten of het in die procedure overgelegde bewijsmateriaal opnieuw te beoordelen; het behoeft slechts een uitspraak rechtens te doen over artikel 18, lid 3, van verordening nr. 1/2003 en artikel 296 VWEU.
24. Verder moet naar mijn mening het tweede onderdeel van dit middel ook worden afgewezen. Het bestreden arrest bevat in de punten 31 tot en met 38 een toereikende toelichting van de redenen waarom het bestreden besluit volgens het Gerecht afdoende was gemotiveerd.
25. Het eerste onderdeel van het eerste middel van rekwirante, dat de motivering van het bestreden besluit betreft, is daarentegen gegrond.
26. Volgens vaste rechtspraak moet de door artikel 296 VWEU vereiste motivering van handelingen van de instellingen van de Unie zijn aangepast aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking brengen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de Unierechter zijn rechtmatigheidstoezicht kan uitoefenen. De motiveringsplicht moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Het is niet vereist dat alle gegevens feitelijk en rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296 VWEU voldoet niet alleen acht moet worden geslagen op de tekst ervan, doch ook op de context waarin deze is genomen, en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen.(7)
27. Ten aanzien van inspectiebesluiten overeenkomstig artikel 20 van verordening nr. 1/2003 heeft het Hof recent bevestigd dat de Commissie niet verplicht is om de adressaat van een inspectiebesluit in kennis te stellen van alle inlichtingen waarop zij het vermoeden van het bestaan van inbreuken baseert, noch om een nauwgezette juridische kwalificatie van die inbreuken te geven, maar wel om de vermoedens die zij voornemens is te verifiëren, duidelijk te omschrijven. De Commissie dient weliswaar zo nauwkeurig mogelijk aan te geven wat onderzocht wordt en op welke gegevens de inspectie betrekking heeft, maar een inspectiebesluit behoeft niet noodzakelijkerwijs een nauwkeurige afbakening van de betrokken markt te verstrekken, noch de juridische kwalificatie van de vermoede inbreuken precies aan te duiden of het tijdvak te vermelden waarin die inbreuken zich zouden hebben voorgedaan, zolang zij maar de bovengenoemde essentiële bestanddelen bevat. Normaliter vinden de inspecties plaats aan het begin van het onderzoek en beschikt de Commissie in dat stadium bijgevolg nog niet over precieze gegevens over die aspecten. Het doel van een inspectie bestaat er juist in bewijsmateriaal voor een vermoedelijke inbreuk te verzamelen zodat de Commissie haar vermoedens kan verifiëren en een meer specifiek juridisch standpunt kan innemen.(8)
28. Deze beginselen zijn volgens mij van overeenkomstige toepassing op inlichtingenbesluiten in de zin van artikel 18, lid 3, van verordening nr. 1/2003. Het is duidelijk dat beide soorten maatregelen hetzelfde doel nastreven en zijn bedoeld om feiten te verzamelen. Hoewel de formulering ervan niet identiek is, lijkt ook de relatieve gelijkenis van de twee bepalingen steun te bieden voor een uniforme lezing ervan.(9)
29. Tegen deze achtergrond is de kernvraag, of het Gerecht de toereikendheid van de in het bestreden besluit vervatte motivering naar behoren heeft onderzocht. Met andere woorden: is de betrokken motivering, gelet op de fase van de procedure waarin het bestreden besluit is vastgesteld, voldoende duidelijk om enerzijds de adressaat in staat te stellen zijn rechten van verdediging uit te oefenen en zijn verplichting om de Commissie medewerking te verlenen in te schatten, en anderzijds controle door de Unierechter mogelijk te maken?
30. Deze vraag dient mijns inziens ontkennend te worden beantwoord.
31. In punt 36 van het bestreden arrest stelt het Gerecht vast dat de motivering van het bestreden besluit „zeer algemeen geformuleerd [is] en [dat] het beter ware geweest om een en ander nader toe te lichten. Op dit punt is het besluit dan ook vatbaar voor kritiek”. Tegen deze constatering valt moeilijk iets in te brengen: op drie belangrijke aspecten ontbreekt het de motivering namelijk aan voldoende detaillering. Ik wijs in het bijzonder op de beschrijving van de vermoede inbreuken, de geografische reikwijdte van de inbreuken en de producten waarop de inbreuken betrekking hebben.
32. Met betrekking tot de vermoede inbreuken wordt in overweging 2 van het bestreden besluit aangegeven: „[d]e vermoede inbreuken betreffen beperkingen van de handelsstromen [...], daaronder begrepen beperkingen van de invoer [...], verdeling van de markten, onderlinge prijsafstemming en aanverwante mededingingsverstorende praktijken”. Deze omschrijving van de eventuele inbreuken is niet alleen erg vaag („beperkingen van de handelsstromen”, „daaronder begrepen beperkingen van de invoer”), maar ook allesomvattend („aanverwante mededingingsverstorende praktijken”). De – zeer algemene – verwijzing naar „verdeling van de markten” en „onderlinge prijsafspraken” draagt ook niet bij aan een nadere precisering van de aard van de door de Commissie vermoede gedragingen. In feite is bij de meeste kartels sprake van aspecten van verdeling van de markt en onderlinge prijsafspraken. In de praktijk kan de overgrote meerderheid van de bij artikel 101 VWEU verboden soorten overeenkomsten onder deze omschrijving vallen.
33. Wat de geografische reikwijdte van de vermoede inbreuken betreft, verwijst het bestreden besluit naar beperkingen van de handelsstromen in de EER, daaronder begrepen de invoer in de EER vanuit landen buiten de EER. Hoewel de geografische component van de betrokken markt in een besluit in de zin van artikel 18 geen nadere bepaling behoeft(10), had het besluit op zijn minst een verwijzing naar een aantal van de betrokken landen kunnen bevatten. Met name is niet duidelijk of de markt waarom het zou gaan de gehele EER betreft of slechts delen daarvan en, zo ja, welke delen.
34. Het bestreden besluit is ten slotte zelfs nog vager op het punt van de producten die het voorwerp van het onderzoek vormen. In feite wordt alleen cement als relevant product genoemd, aangezien het besluit voor het overige verwijst naar „markten voor [aan cement verwante] producten”. Ook hier geldt dat deze omschrijving niet alleen uiterst vaag is (hoe nauw moeten de producten aan cement „verwant” zijn?), maar alle soorten producten kan omvatten waarmee rekwirante (als koper of verkoper) werkzaam is.
35. Hoewel een besluit ingevolge artikel 18 van verordening nr. 1/2003 volgens mij niet per se – zoals rekwirante lijkt te impliceren – naar de periode waarin de vermeende schending vermoedelijk heeft plaatsgevonden hoeft te verwijzen, had een dergelijke verwijzing in het bestreden besluit nuttig kunnen zijn. Gezien de eerder genoemde algemene beschrijvingen en gezien het feit dat de vragen betrekking hebben op een heel decennium, hadden meer bijzonderheden over het relevante tijdvak rekwirante kunnen helpen de omvang van het onderzoek van de Commissie beter te begrijpen.
36. Volgens het Gerecht(11) is het gebrek aan detaillering in het bestreden besluit gedeeltelijk weggenomen door de uitdrukkelijke verwijzing daarin naar het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure, die aanvullende informatie over de geografische reikwijdte van de vermoede inbreuken en de betrokken soorten producten bevat.
37. Rekwirante bestrijdt dat de gebreken van het bestreden besluit door enkel een verwijzing naar een eerder besluit kunnen worden weggenomen, en wijst erop dat ook voor het besluit tot inleiding van de procedure zelf geldt dat daarin preciseringen ontbreken.
38. In mijn optiek dienen handelingen van de Unie waarbij verplichtingen worden opgelegd die ingrijpen in de privésfeer van particulieren of ondernemingen en die, indien daaraan niet wordt voldaan, het risico van zware geldboetes inhouden, in beginsel een op zichzelf staande motivering te bevatten.(12) Het is immers van belang dat die particulieren of ondernemingen zonder een buitensporige interpretatie-inspanning de redenen voor die handeling begrijpen(13), zodat zij effectief en tijdig hun rechten kunnen uitoefenen. Dit geldt met name voor handelingen die uitdrukkelijk verwijzen naar eerdere handelingen die een afwijkende motivering bevatten. Elk significant verschil tussen de twee handelingen kan voor de adressaat een bron van onzekerheid vormen.
39. In dit geval ben ik echter van mening dat het Gerecht bij uitzondering terecht heeft gesteld dat de motivering van het bestreden besluit in samenhang met de motivering van het besluit tot inleiding van de procedure kan worden gelezen. Beide besluiten zijn genomen in het kader van hetzelfde onderzoek en betreffen onmiskenbaar dezelfde vermoedelijke inbreuken. Ze zijn ook kort na elkaar vastgesteld. En wat belangrijker is, er is geen significant verschil te zien tussen de motivering van de twee besluiten. In casu kon dus het eerste besluit worden gezien als de „context” van het tweede besluit, die de adressaat bekend moet zijn geweest.(14)
40. Waar het eerste besluit aanzienlijk meer details bevatte op het punt van de geografische reikwijdte van de vermoede inbreuken (met aanduiding van de mogelijk betrokken lidstaten), was zij echter niet even precies ten aanzien van de aard van die inbreuken en de betrokken producten. Met name de toelichting van het begrip „cement en aanverwante producten” in een voetnoot op pagina 4 van dat besluit omvat een reeks producten die zeer ruim en divers kan zijn.
41. Het feit dat een motivering te algemeen of met betrekking tot bepaalde aspecten enigszins vaag kan zijn, maakt een besluit echter niet ongeldig, mits zij voor het overige de betrokkene en de Unierechter in staat stelt voldoende nauwkeurig te begrijpen welke informatie de Commissie verlangt en wat de redenen daarvoor zijn.(15) Ook het voorwerp van de gestelde vragen kan, zelfs al is dat indirect of impliciet, licht werpen op een motivering die niet met de vereiste nauwkeurigheid is geformuleerd. Zeer nauwkeurige en gerichte vragen geven immers onvermijdelijk de omvang van het onderzoek van de Commissie aan. Dit is volgens mij met name het geval bij handelingen die in een vroeg stadium van de procedure worden vastgesteld, wanneer de omvang van het onderzoek nog niet volledig en definitief vastligt en in feite in de toekomst nog kan worden beperkt of uitgebreid ten gevolge van de nadien verzamelde informatie.
42. In het voorliggende geval is echter sprake van het tegenovergestelde. De aan Buzzi Unicem gestelde vragen zijn buitengewoon talrijk en betreffen zeer uiteenlopende soorten gegevens. Het is uiterst moeilijk een lijn te ontdekken die de verbinding vormt tussen veel van de in de vragenlijst vermelde vragen.(16) Bovendien lijken sommige van de gestelde vragen niet volledig aan te sluiten bij hetgeen in het eerdere besluit tot inleiding van de procedure was gesteld: zo beperken de vragen 3 en 4 (die een bijzonder substantiële hoeveelheid gegevens over een periode van tien jaar betreffen) zich niet tot de in het besluit tot inleiding van de procedure genoemde mogelijk betrokken lidstaten.
43. Indien overigens de lijn die deze vragen met elkaar verbindt zou bestaan in het volledig in kaart brengen van de inkomsten‑ en kostenstructuur van de onderneming, om aldus de Commissie in staat te stellen deze met behulp van econometrische methoden (via vergelijking met die van andere ondernemingen die actief zijn in de cementindustrie) te analyseren, is het de vraag of een dergelijk breed en allesomvattend inlichtingenverzoek wel onder de vlag van artikel 18 kan plaatsvinden. Tenzij de Commissie beschikt over concrete aanwijzingen die duiden op een laakbaar gedrag waarvoor die analyse de nodige bewijzen zou kunnen bieden, lijkt een dergelijk verzoek beter te passen in het kader van een sectorieel onderzoek overeenkomstig artikel 17 van verordening nr. 1/2003.
44. In deze omstandigheden ben ik het met rekwirante eens dat het doel van het inlichtingenverzoek van de Commissie onvoldoende helder en duidelijk was. Het was daarom extreem lastig voor die onderneming om de vermoede inbreuken te doorzien en aldus de reikwijdte van haar verplichting om met de Commissie samen te werken te beoordelen en, indien nodig, haar rechten van verdediging uit te oefenen, bijvoorbeeld door te weigeren antwoord te geven op de vragen die zij onrechtmatig achtte. Te meer daar bepaalde vragen informatie betroffen die niet zuiver feitelijk was maar een waardeoordeel inhield(17), en andere vragen relatief vaag waren(18). Met betrekking tot die vragen kon rekwirante dus niet eenvoudig het risico van zelfincriminerende antwoorden uitsluiten.(19)
45. Dat gebrek aan detaillering kan niet – zoals de Commissie betoogt – worden gerechtvaardigd door de omstandigheid dat het bestreden besluit is vastgesteld in een prille fase van het onderzoek. Het besluit is immers vastgesteld bijna drie jaar nadat het onderzoek was aangevangen. Gedurende die periode had een aantal inspecties plaatsgevonden en had de Commissie al zeer gedetailleerde inlichtingenverzoeken gedaan, die door de betrokken ondernemingen ook waren beantwoord. Enkele maanden vóór de vaststelling van het bestreden besluit was de Commissie zelfs van mening dat zij over voldoende gegevens beschikte om de procedure van artikel 11, lid 6, van verordening nr. 1/2003 en artikel 2 van verordening nr. 773/2004 in te leiden. Die gegevens hadden de Commissie in staat moeten stellen om in het bestreden besluit een meer gedetailleerde motivering te geven.
46. Ik ben het met de Commissie eens dat de vereiste mate van detaillering van een motivering onder andere afhankelijk is van de informatie waarover de Commissie beschikt wanneer een besluit in de zin van artikel 18 wordt vastgesteld.(20) Dit houdt in mijn optiek echter in dat een motivering die acceptabel kan zijn wanneer het gaat om een bij de aanvang van een onderzoek vastgesteld besluit (dat wil zeggen een besluit krachtens artikel 20 waarbij een onderneming wordt gelast zich aan een inspectie te onderwerpen, of het allereerste inlichtingenbesluit krachtens artikel 18, lid 3), dat mogelijk niet is wanneer het gaat om een besluit dat in een veel later stadium van het onderzoek is vastgesteld, wanneer de Commissie over uitgebreidere informatie over de vermoede inbreuken beschikt.
47. In die omstandigheden valt het niet te rechtvaardigen dat Buzzi Unicem, ondanks de reeds aan de Commissie verschafte informatie over voorgaande jaren en het extra werk dat het bestreden besluit meebracht, nog steeds „in het ongewisse” werd gelaten omtrent de precieze reikwijdte van het onderzoek van de Commissie.
48. Ik meen verder dat rekwirante terecht stelt dat de uitoefening van het toezicht op de rechtmatigheid van het bestreden besluit door de Unierechter aanzienlijk is bemoeilijkt. Zoals ik in meer detail in mijn conclusie in de zaak HeidelbergCement heb toegelicht(21), is het gelet op de karige informatie over de vermoede inbreuken in dat besluit (zelfs bezien tegen de achtergrond van het besluit tot inleiding van de procedure), moeilijk voor het Hof te beoordelen of het verzoek aan de vereisten van noodzakelijkheid en evenredigheid voldoet(22). Wat het eerste element aangaat, moet het Hof beoordelen of het verband tussen de vermoede inbreuk en de verlangde inlichtingen voldoende nauw is om het verzoek van de Commissie te rechtvaardigen. Ten aanzien van het tweede aspect moet het Hof vaststellen of de van een onderneming verlangde inspanningen al dan niet gerechtvaardigd zijn in het algemeen belang en niet te ver gaan.
49. Ik ben op grond hiervan van mening dat het Gerecht artikel 296 VWEU en artikel 18, lid 3, van verordening nr. 1/2003 op het punt van de vereiste motivering van een besluit waarbij om inlichtingen wordt verzocht, verkeerd heeft uitgelegd en toegepast. Het bestreden arrest moet derhalve worden vernietigd voor zover het Gerecht op grond van de in de punten 19 tot en met 39 van dat arrest genoemde redenen heeft geoordeeld dat het bestreden besluit afdoende was gemotiveerd.
B – Misbruik van bevoegdheid en omkering van de bewijslast
1. Argumenten van partijen
50. Met haar tweede middel komt Buzzi Unicem op tegen de beoordeling door het Gerecht van haar middel betreffende misbruik van bevoegdheid en omkering van de bewijslast door het besluit. Gezien de aard en de hoeveelheid gevraagde gegevens is volgens rekwirante duidelijk dat de Commissie niet over voldoende aanwijzingen voor een schending van artikel 101 VWEU beschikte toen zij het bestreden besluit vaststelde. Dit besluit valt derhalve aan te merken als een verkennend onderzoek („fishing expedition”), dat ingevolge artikel 18 van verordening nr. 1/2003 niet is toegestaan. Zou de Commissie een sectorieel onderzoek hebben willen instellen, dan had zij dat moeten doen op grond van artikel 17 van voornoemde verordening. Het Gerecht heeft die argumenten volgens rekwirante niet naar behoren onderzocht. Rekwirante verwijt het Gerecht met name dat het geen onderzoeksmaatregel heeft gelast om te verifiëren of de Commissie over voldoende aanwijzingen beschikte om een besluit overeenkomstig artikel 18 vast te stellen.
51. De Commissie stelt dat het middel niet-ontvankelijk is nu het feitenkwesties betreft, en dat het middel hoe dan ook ongegrond is.
2. Beoordeling
52. Met haar tweede middel, dat is gericht tegen de punten 45 tot en met 48 van het bestreden arrest, maakt rekwirante in wezen bezwaar tegen de beoordeling door het Gerecht van haar argumenten met betrekking tot misbruik van bevoegdheid en omkering van de bewijslast.
53. Ik ben het met de Commissie eens dat dit middel ten dele niet-ontvankelijk en ten dele ongegrond is.
54. In de eerste plaats is het zo dat rekwirante met de stelling dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van de punten die rekwirante in eerste aanleg in het kader van haar middel betreffende misbruik van bevoegdheid heeft aangevoerd, in wezen van het Hof verlangt dat het die punten opnieuw beoordeelt. Dat is echter in hogere voorziening niet toegestaan.
55. In de tweede plaats moet ook de kritiek op de beslissing van het Gerecht om niet ambtshalve een onderzoeksmaatregel of maatregel tot organisatie van de procesgang te gelasten teneinde het daadwerkelijke bestaan van voldoende aanwijzingen voor een inbreuk te verifiëren, van de hand worden gewezen. Het is vaste rechtspraak dat het uitsluitend ter beoordeling van het Gerecht staat of de gegevens waarover het in de aan hem voorgelegde zaken beschikt, eventueel aanvulling behoeven. De waardering van de bewijskracht van de processtukken maakt deel uit van de soevereine beoordeling van de feiten door het Gerecht, die door het Hof in hogere voorziening niet wordt getoetst, behoudens in geval van een onjuiste voorstelling van het aan het Gerecht overgelegde bewijs of wanneer de materiële onjuistheid van hetgeen het Gerecht heeft vastgesteld, uit de processtukken volgt.(23) Dit beginsel geldt te meer wanneer het gaat om het ambtshalve vaststellen van maatregelen tot onderzoek of organisatie van de procesgang.(24)
56. In het voorliggende geval stond het rekwirante vrij het Gerecht te verzoeken een dergelijke maatregel te gelasten om na te gaan of de Commissie over voldoende aanwijzingen beschikte. Zo heeft het Gerecht in een „parallelle” zaak, Cementos Portland Valderrivas/Commissie, op uitdrukkelijk verzoek van verzoekster de Commissie gelast de aanwijzingen in haar bezit over te leggen opdat het Gerecht zich ervan kon vergewissen dat het bestreden besluit niet willekeurig was.(25)
57. Rekwirante heeft een dergelijk verzoek in dit geval echter niet gedaan. Er lijkt mij dan ook niets aan te merken op de beslissing van het Gerecht dat de kwestie niet nader behoefde te worden onderzocht gezien de algemene aard van de door rekwirante aangevoerde punten (een beoordeling die in hogere voorziening niet kan worden getoetst) en het ontbreken van een expliciet verzoek.(26)
58. In de derde plaats is mijns inziens de kritiek met betrekking tot de toereikendheid van de motivering van het bestreden arrest op het punt van het gestelde misbruik van bevoegdheid en omkering van de bewijslast niet gerechtvaardigd. Om te beginnen is het duidelijk dat het Gerecht in de punten 46 en 47 van het bestreden arrest rekwirantes middel betreffende misbruik van bevoegdheid wel heeft beoordeeld. Ook heeft het Gerecht het middel van rekwirante inzake omkering van de bewijslast besproken, namelijk in de punten 61 en volgende van het bestreden arrest.
59. Het bestreden arrest is zo nu en dan inderdaad vrij beknopt wat de redenen voor afwijzing van bepaalde argumenten aangaat, en het Gerecht bespreekt inderdaad een aantal argumenten alleen in combinatie met elkaar. Dit kan het Gerecht echter niet worden tegengeworpen, nu het een verzoekschrift voor zich had met verschillende middelen en argumenten die soms een herhaling vormden of niet de vereiste mate van duidelijkheid hadden.
60. Het tweede middel kan derhalve niet slagen.
C – Aard van de gevraagde inlichtingen
1. Argumenten van partijen
61. Met haar derde middel, dat is gericht tegen de punten 54 tot en met 83 van het bestreden arrest, stelt Buzzi Unicem dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en een ontoereikende motivering heeft gegeven ten aanzien van haar middel betreffende misbruik van de bevoegdheid van de Commissie op grond van artikel 18 van verordening nr. 1/2003. Rekwirante verwijt het Gerecht dat het het verzoek van de Commissie niet heeft afgekeurd voor zover het drie soorten inlichtingen betrof: zelfincriminerende informatie, informatie die tot het publieke domein behoort en informatie waarover zij niet beschikt. Met name met betrekking tot de zelfincriminerende inlichtingen stelt rekwirante dat het Gerecht ten onrechte heeft vastgesteld dat de vragen 5R, 5S, 5T en 5V van zuiver feitelijke aard zijn en dat vraag 1D niet zelfincriminerend is.
62. Volgens de Commissie is dit middel in de eerste plaats niet-ontvankelijk omdat rekwirante in wezen dezelfde argumenten herhaalt als die welke zij voor het Gerecht heeft aangevoerd. Het middel is voorts niet-ontvankelijk voor zover rekwirante het Hof verzoekt om een nieuwe beoordeling van de aard van bepaalde vragen, waarvan het Gerecht heeft vastgesteld dat deze „zuiver feitelijk” zijn. In de tweede plaats is dit middel ook ongegrond, aldus de Commissie, nu het Gerecht artikel 18 van verordening nr. 1/2003 correct heeft uitgelegd en toegepast.
2. Beoordeling
63. Met haar derde middel stelt Buzzi Unicem in wezen dat het Gerecht artikel 18 van verordening nr. 1/2003 onjuist heeft uitgelegd en toegepast ten aanzien van de aard van de inlichtingen die de Commissie van een onderneming mag verlangen.
64. Voordat ik toekom aan de kwestie die in mijn optiek in deze context de meest problematische is (die betreffende zelfincriminatie), wil ik enkele preliminaire argumenten van de partijen bespreken.
65. Wat allereerst de ontvankelijkheid betreft, merk ik op dat het feit dat de argumenten die in dit verband in deze hogere voorziening worden aangevoerd grotendeels woordelijk overeenkomen met die in het verzoekschrift aan het Gerecht, irrelevant is. Rekwirante geeft namelijk aan in welke specifieke passages of punten van het bestreden arrest het Gerecht blijk zou hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en om welke redenen. In zoverre voldoet het derde middel van deze hogere voorziening volgens mij aan deze vereisten.
66. Verder merk ik op dat de kwestie of bepaalde specifieke vragen in het bestreden besluit zuiver feiten betreffen, onmiskenbaar van feitelijke aard is en in hogere voorziening dus niet kan worden onderzocht. Of bepaalde vragen zelfincriminerend zijn in de zin van het Unierecht is daarentegen een kwestie die de juridische kwalificatie van feiten betreft, hetgeen in hogere voorziening kan worden onderzocht.
67. Het derde middel is dan ook ontvankelijk binnen die grenzen.(27)
68. Wat in de tweede plaats het middel ten gronde betreft, moeten naar mijn mening onderdelen ervan ongegrond worden verklaard.
69. Het argument van rekwirante met betrekking tot de overlegging van niet in haar bezit zijnde gegevens is gebaseerd op een foutieve lezing van het bestreden arrest. Nergens in dat arrest staat immers dat de Commissie van een onderneming inlichtingen mag verlangen waarover deze laatste niet beschikt. In de punten 80 en 81 van het bestreden arrest stelt het Gerecht in de eerste plaats vast dat artikel 18 van verordening nr. 1/2003 niet de mogelijkheid uitsluit dat een onderneming, om gevolg te geven aan een inlichtingenverzoek van de Commissie, in haar bezit zijnde inlichtingen zou moeten verzamelen of ordenen. Het Gerecht voegt daaraan toe dat dit beginsel echter niet van toepassing is op inlichtingen waarover een onderneming niet beschikt.
70. Het spreekt voor zich dat ik het met het Gerecht op dit punt eens kan zijn. Niet alleen geldt het welbekende beginsel ad impossibilia nemo tenetur, maar ik onderschrijf ook grotendeels de overwegingen van advocaat-generaal Darmon dat „de Commissie van een onderneming alleen inlichtingen mag verlangen die reeds in het bezit van die onderneming zijn, ook al moet zij die eventueel in een bepaalde vorm gieten. Met het verzoek om inlichtingen kan van een onderneming niet worden verlangd, dat zij inlichtingen opzoekt die in het bezit zijn van derden. Wanneer de Commissie inlichtingen zou vragen waarvan zij weet, dat de betrokken onderneming ze niet heeft of niet kan hebben, dan zou dat ongetwijfeld onrechtmatig zijn.”(28)
71. Met betrekking tot het argument dat het bestreden arrest ontoereikend is gemotiveerd ten aanzien van de vraag of de Commissie van partijen inlichtingen mag verlangen die tot het publieke domein behoren, merk ik het volgende op. Rekwirante stelt ten onrechte dat het Gerecht dat argument niet expliciet heeft besproken. Het Gerecht heeft dit wel onderzocht, namelijk vanuit het gezichtspunt van de evenredigheid en de noodzakelijkheid van de verlangde inlichtingen.(29) Het feit dat het bestreden arrest op dit punt heel bondig is, vindt zijn verklaring in de omstandigheid dat dit aspect in één enkel punt van het verzoekschrift van Buzzi Unicem aan de orde is gesteld en in haar repliek niet veel verder is uitgewerkt. In die passages klaagt rekwirante in wezen erover dat een bepaalde hoeveelheid informatie niet „exclusief in haar bezit” was, en stelt zij dat de Commissie die gegevens „zelfstandig” had kunnen verkrijgen. Zij heeft in het geheel niet – zelfs niet kort – toegelicht waarom artikel 18 van verordening nr. 1/2003 aldus zou moeten worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de Commissie verzoekt om gegevens die zij ook uit andere bronnen kan verkrijgen, laat staan waar en hoe die gegevens verkregen had kunnen worden.
72. In die omstandigheden valt het Gerecht niet te verwijten dat het dit argument niet indringender heeft besproken.
73. Dan kom ik nu eindelijk toe aan de vraag die mijns inziens de kernvraag van deze hogere voorziening vormt: de uitlegging en toepassing door het Gerecht van het recht om niet mee te werken aan zijn eigen veroordeling.
74. Om te beginnen herinner ik eraan dat overweging 23 van verordening nr. 1/2003 verwijst naar het recht van ondernemingen om niet aan hun eigen veroordeling mee te werken wanneer zij gevolg geven aan een besluit van de Commissie waarbij deze laatste om inlichtingen verzoekt. Het Hof had dat recht al erkend voordat de verordening werd vastgesteld.(30) Het vormt feitelijk een van de basiscomponenten van het recht van verdediging van een onderneming, dat voor de volle duur van door de Commissie krachtens verordening nr. 1/2003 ingeleide procedures moet worden beschermd.
75. Tegen deze achtergrond zal ik nu in de eerste plaats onderzoeken of het Gerecht het recht om niet aan zijn eigen veroordeling mee te werken te restrictief heeft uitgelegd, en in de tweede plaats of dat recht in casu correct is toegepast.
76. In punt 63 van het bestreden arrest verklaart het Gerecht dat onderscheid moet worden gemaakt tussen vragen die wel en die niet als zuiver feitelijk kunnen worden gekwalificeerd. Alleen wanneer een vraag niet als een zuiver feitelijke valt aan te merken, moet volgens het Gerecht worden bezien of de betrokken onderneming door beantwoording ervan het bestaan van een inbreuk zou moeten erkennen, die de Commissie heeft te bewijzen. In de punten 64 en 65 concludeert het Gerecht vervolgens dat bepaalde vragen waarvoor een onderneming enkel gegevens moet verzamelen, louter feitelijk van aard zijn en als zodanig geen schending van het recht van verdediging van die onderneming kunnen opleveren.
77. Dit is naar mijn mening een onjuiste uitlegging van het recht om niet mee te werken aan de eigen veroordeling. Ondanks de enigszins ambigue formulering van overweging 23 van verordening nr. 1/2003(31), is de kwestie of een vraag alleen feitelijke inlichtingen van een onderneming verlangt (zoals het verzamelen van gegevens, het toelichten van feitelijke omstandigheden, het beschrijven van feiten van objectieve aard, enz.) in dat verband een belangrijk, maar niet per se doorslaggevend element. Dat van een onderneming geen inlichtingen van subjectieve aard worden verlangd, sluit niet uit dat onder bepaalde omstandigheden het recht van die onderneming om niet aan haar eigen veroordeling mee te werken kan worden geschonden.
78. Het Hof spreekt consequent van vragen „waardoor zij het bestaan van de inbreuk zou moeten erkennen”. De woordkeus van het Hof is niet zonder belang. In het arrest PVC II heeft het Hof het criterium voor zelfincriminatie verder verduidelijkt: van belang is of een antwoord van de adressaat in wezen neerkomt op het toegeven van een inbreuk.(32)
79. Uit die rechtspraak volgt dat de Commissie geen vragen mag stellen waarvan de antwoorden het toegeven van schuld door de betrokken onderneming kunnen impliceren.
80. Zo bestaat er bij mij geen twijfel over dat de Commissie ondernemingen niet mag vragen of hun vertegenwoordigers tijdens een bepaalde bijeenkomst met de vertegenwoordigers van hun concurrenten prijsverhogingen zijn overeengekomen, of ermee hebben ingestemd niet op bepaalde nationale markten te concurreren. Hoewel van dergelijke vragen kan worden gezegd dat zij zuiver feitelijk zijn, maken zij duidelijk inbreuk op het recht van een onderneming om geen inlichtingen te verschaffen die haarzelf belasten, daar een antwoord kan neerkomen op een expliciete erkenning van een schending van artikel 101 VWEU.
81. Deze uitlegging van het recht om niet aan zijn eigen veroordeling mee te werken vindt ook steun in de rechtspraak van het Hof, met name in de arresten in de zaken Orkem, Solvay en SGL Carbon. In al die zaken achtte het Hof vragen van zuiver feitelijke aard zelfincriminerend en derhalve ontoelaatbaar.(33)
82. Tegen een vraag kan dus in bepaalde omstandigheden bezwaar bestaan omdat het antwoord erop, ook al betreft de vraag alleen feiten en wordt niet naar een oordeel over die feiten gevraagd, een erkenning van schuld kan inhouden. Dit betekent dat het Gerecht bij de uitlegging van het recht om niet aan zijn eigen veroordeling mee te werken blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
83. Sterker nog, en anders dan de Commissie suggereert, ook wanneer de adressaat niet wordt gevraagd om een juridische analyse of een juridisch oordeel, kunnen vragen inbreuk maken op het recht van een onderneming om niet aan haar eigen veroordeling mee te werken. Dit volgt duidelijk uit de in punt 81 supra aangehaalde rechtspraak: geen van de door het Hof afgekeurde vragen verlangde een juridische evaluatie van de betrokken ondernemingen. Het feit dat vraag 1D Buzzi Unicem niet verplichtte tot oordelen van juridische aard betekent niet dat die vraag geen afbreuk kon doen aan het recht om niet aan haar eigen veroordeling mee te werken.
84. Op basis van deze conclusie zal ik volledigheidshalve bespreken of dit recht in casu onjuist is toegepast.
85. In punt 73 van het bestreden arrest overweegt het Gerecht dat de beoordeling die Buzzi Unicem bij vraag 1D moest verrichten, impliceerde „dat zij de hoogte van haar winstmarges dien[de] te becommentariëren”, en dat deze een „aanwijzing vormen dat er sprake is van mededingingsverstorende praktijken”. Hoewel de bewoordingen van het bestreden arrest niet geheel duidelijk zijn, lijkt ermee te worden bedoeld dat rekwirante door die vraag te beantwoorden in feite ertoe had kunnen zijn gebracht haar deelname aan de vermoede inbreuken toe te geven.
86. Het Gerecht vervolgt echter dat ondanks de zelfincriminerende aard van vraag 1D ook rekening moet worden gehouden met het feit dat verzoekster in een latere fase van de administratieve procedure of in het kader van een beroep tegen het eindbesluit van de Commissie een andere uitlegging dan de wellicht door de Commissie voorgestane uitlegging van haar antwoord op die vraag geldend kan maken.(34) Op grond daarvan heeft het Gerecht de argumenten van Buzzi Unicem afgewezen.
87. Deze redenering van het Gerecht is moeilijk te begrijpen. Het feit dat Buzzi Unicem de zelfincriminerende aard van vraag 1D ook zou kunnen aanvechten indien en wanneer de Commissie tegen haar een besluit tot oplegging van een geldboete zou vaststellen (hetzij vanwege het verzuim om een antwoord op die vraag te geven, hetzij vanwege schending van artikel 101 VWEU), betekent niet dat de Unierechter de schending door de Commissie van het recht van verdediging van die onderneming in de context van de onderhavige procedure niet kan (en niet hoeft te) kritiseren. De redenering van het Gerecht op dit punt zou de adressaat van een besluit het recht ontnemen om die handeling door de Unierechter te laten toetsen, zoals dat uitdrukkelijk is neergelegd in artikel 18, lid 3, van verordening nr. 1/2003.
88. De kernvraag waarop het Gerecht zijn analyse in deze context had moeten richten, is of beantwoording van vraag 1D voor Buzzi Unicem zou hebben kunnen neerkomen op het toegeven van een inbreuk.
89. Het Gerecht gaat echter aan deze kwestie voorbij en neemt dienaangaande geen resoluut standpunt in. Persoonlijk ben ik van mening dat de redactie van vraag 1D zekere gelijkenissen vertoont met twee vragen die het Hof in de zaken Orkem en Solvay ontoelaatbaar achtte, daar zij de onderneming konden dwingen toe te geven dat zij betrokken was bij een door (destijds) artikel 85 EEG verboden overeenkomst.(35) Ook in het hier voorliggende geval kan niet zonder meer worden uitgesloten dat de Commissie, door de onderneming te vragen naar haar oordeel over de beste methode om de brutomarges per kwartaal te berekenen, die onderneming trachtte te bewegen toe te geven dat zij met haar concurrenten afspraken tot onderlinge vaststelling of afstemming van prijzen had gemaakt.
90. Hoe het ook zij, omdat het Gerecht ontegenzeglijk het recht om niet aan zijn eigen veroordeling mee te werken onjuist heeft uitgelegd, acht ik een nadere bespreking van dit aspect niet noodzakelijk.
91. Gelet op het bovenstaande ben ik van mening dat het bestreden arrest moet worden vernietigd voor zover het Gerecht in de punten 57 tot en met 79 het middel van rekwirante betreffende schending van haar recht om niet aan haar eigen veroordeling mee te werken, heeft afgewezen. Voor het overige dient dit middel gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond te worden verklaard.
D – Evenredigheid en noodzakelijkheid
1. Argumenten van partijen
92. Met haar vierde middel, dat is gericht tegen de punten 84 tot en met 115 van het bestreden arrest, betoogt Buzzi Unicem dat het Gerecht bij de uitlegging en toepassing van de vereisten van noodzakelijkheid en evenredigheid van de in het bestreden besluit verlangde inlichtingen, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
93. De Commissie stelt zich op het standpunt dat dit middel moet worden afgewezen: het Gerecht heeft terecht erkend dat de Commissie een ruime beoordelingsvrijheid geniet bij de beslissing welke inlichtingen voor haar onderzoek noodzakelijk zijn. Zij meent voorts dat het Gerecht op goede gronden heeft geoordeeld dat het bestreden besluit evenredig is.
2. Beoordeling
94. Dit middel moet logischerwijs in twee verschillende onderdelen worden gesplitst: één betreffende de noodzakelijkheid van de in het bestreden besluit verlangde inlichtingen en één met betrekking tot de algehele evenredigheid van dit besluit. Beide aspecten vullen elkaar in feite aan. Enerzijds vereist het onderzoek van het noodzakelijkheidsvereiste de beoordeling van de vraag of vanuit het perspectief van de Commissie ten tijde van de vaststelling van het besluit, de van een onderneming gevraagde informatie voor haar van nut is om na te gaan of de vermoede inbreuk heeft plaatsgevonden, en om de precieze aard en omvang daarvan vast te stellen. Anderzijds noopt het onderzoek van het evenredigheidsvereiste tot beoordeling van de vraag of vanuit het perspectief van de adressaat van een Commissiebesluit de gevraagde informatie een te vergaande en te zware last vormt.
95. Wanneer we echter de door rekwirante in deze zaak aangevoerde argumenten onder de loep nemen, blijkt dat: i) rekwirante de twee vereisten vrijwel altijd tezamen noemt, en ii) rekwirante in wezen met de door haar aangevoerde argumenten meestal wil aantonen dat haar bij het bestreden besluit een buitensporige en onduldbare last is opgelegd.
96. Omwille van de proceseconomie zal ik derhalve de argumenten die betrekking zouden kunnen hebben op het ontbreken van noodzakelijkheid van de verlangde inlichtingen niet afzonderlijk bespreken. Voor algemene beschouwingen dienaangaande verwijs ik naar mijn conclusie in de zaak HeidelbergCement, punten 70 tot en met 76.
97. Ik ga daarom meteen over tot de bespreking van de argumenten die op de evenredigheid van het bestreden besluit zien.
98. Om te beginnen herinner ik eraan dat het Hof meermaals heeft benadrukt dat de noodzaak om particulieren te beschermen tegen willekeurige of onevenredige ingrepen van het openbaar gezag in hun privésfeer, ook wanneer die autoriteiten uitvoering geven aan de mededingingsregels, een algemeen beginsel van Unierecht is.(36) Een onderzoeksmaatregel is met name onevenredig wanneer deze een te vergaande en daarmee onduldbare inbreuk op die rechten vormt.(37)
99. Het is duidelijk dat er geen welbepaald criterium is om vast te stellen of een concreet inlichtingenverzoek dat aan een specifieke onderneming is gericht, al dan niet te ver gaat. Enkel een beoordeling van het concrete geval, rekening houdend met alle relevante omstandigheden, kan een antwoord op die vraag verschaffen.
100. Om de evenredigheid van een specifiek inlichtingenverzoek te beoordelen, moeten met name twee aspecten tegen elkaar worden afgewogen.(38) Enerzijds het algemeen belang dat het onderzoek van de Commissie rechtvaardigt en de noodzaak dat deze instelling de inlichtingen verkrijgt die zij nodig heeft om de haar bij het Verdrag opgedragen taken te vervullen. Naarmate een vermoede inbreuk schadelijker is voor de mededinging, mag de Commissie hogere verwachtingen stellen aan de inspanning die een onderneming moet leveren om ter vervulling van haar verplichting tot actieve medewerking de gevraagde inlichtingen te verstrekken. Anderzijds is daar de werklast die een inlichtingenverzoek voor een onderneming meebrengt. Hoe groter de werklast, waardoor de aandacht van het personeel van een onderneming van hun normale bedrijfstaken wordt afgeleid en extra kosten worden veroorzaakt, hoe buitensporiger dat inlichtingenverzoek kan worden geacht te zijn.
101. In het voorliggende geval stelt de Commissie dat de aan rekwirante verweten gedragingen een zeer ernstige inbreuk op de mededingingsregels van de Unie vormen. Ondanks de geringe informatie die het bestreden besluit of het besluit tot inleiding van de procedure op dit punt bevat, kan ik het standpunt van de Commissie dat de consequenties van de vermoede inbreuken voor de Europese consumenten, gesteld dat deze worden bewezen, uiterst ernstig zouden zijn, wel volgen.(39)
102. Desalniettemin lijkt de werklast die het bestreden besluit voor rekwirante heeft meegebracht (in de bewoordingen van het bestreden arrest een „zeer grote arbeidslast”)(40) extreem en onredelijk bezwarend.
103. Het valt niet serieus te betwisten dat het bestreden besluit de verstrekking van een uitzonderlijke hoeveelheid gegevens vereiste, die nagenoeg alle economische activiteiten van rekwirante in twaalf lidstaten over een periode van tien jaar omvatten.
104. Buzzi Unicem heeft verklaard, en de Commissie heeft dit niet weersproken, dat alleen al het verzamelen van sommige van de gevraagde gegevens een beduidende werklast voor haar personeel meebracht: voor enkele van de vragen moesten vrijwel alle economische transacties over de laatste tien jaar worden bekeken om de gevraagde informatie te kunnen extrapoleren. Een deel van die gegevens, met name met betrekking tot oudere transacties, was niet in haar databases voorhanden. Rekwirante moest derhalve duizenden financiële documenten één voor één verifiëren en vervolgens de relevante gegevens handmatig coderen in volgens de instructies van de Commissie geformatteerde Excel-bestanden.
105. Een andere reden voor de aanzienlijke werklast die het bestreden besluit heeft meegebracht, is gelegen in de vorm die de Commissie voor de te verstrekken inlichtingen heeft voorgeschreven. De omstandigheid dat in het kader van een inlichtingenverzoek een zeer grote hoeveelheid gegevens moet worden verstrekt, zal in het digitale tijdperk veelal van ondergeschikt belang zijn. De met een inlichtingenverzoek gemoeide werklast zal in veel gevallen met name afhangen van de wijze waarop de adressaat van dat verzoek die inlichtingen volgens de Commissie moet verstrekken. Met andere woorden, het zal vaak de door de Commissie voor de verlangde inlichtingen bepaalde vorm zijn die voor een onderneming de grootste werklast meebrengt.
106. Ik merk in dit verband op dat bijlage II (gedetailleerde instructies voor de beantwoording van de vragenlijst) en bijlage III (sjablonen voor de beantwoording) bij het bestreden besluit tezamen neerkomen op bijna 30 bladzijden van een buitengewone complexiteit. De voorgeschreven vorm was uiterst strikt en de instructies uitzonderlijk gedetailleerd.
107. Met betrekking tot de striktheid van het model wijs ik erop dat volledige naleving van de gewenste vorm werd afgedwongen door een expliciete dreiging van sancties. In het kader bovenaan de vragenlijst schrijft de Commissie (in vet en onderstreept schrift): „Gelieve er nota van te nemen dat uw antwoord als onjuist of misleidend kan worden beschouwd indien de volgende definities en instructies niet in acht worden genomen”.
108. Ten aanzien van de buitengewone detaillering van de instructies volsta ik met te verwijzen naar de overdreven nauwkeurige voorschriften voor de antwoorden die volgens de Commissie in een Excel-bestand moesten worden aangeleverd. Rekwirante mocht alleen de in bijlage III opgenomen sjablonen gebruiken en moest zich strikt houden aan de instructies betreffende onder meer het aantal te verstrekken bestanden, het aantal spreadsheets voor elk bestand, de naam van elke spreadsheet, de te gebruiken afkortingen, de aanduiding van het aantal kolommen of rijen, de datumnotatie, en het gebruik van spaties, speciale tekens of symbolen.(41)
109. Bovendien maakten de talrijke en bijna cryptische codes die de adressaat van het besluit – zoals de Commissie benadrukt, „uniform” en in „de antwoorden op alle vragen”(42) – moest gebruiken het bestreden besluit bepaald niet leesbaarder of gebruiksvriendelijker, en vergemakkelijkten zij evenmin de taak van de onderneming om de antwoorden te compileren.
110. We kunnen gerust stellen dat de bewuste vorm zelfs voor een ervaren ondernemer op het eerste gezicht een hoofdbrekende puzzel zou vormen.
111. Zoals ik in mijn conclusie in de zaak HeidelbergCement heb toegelicht, kan het begrip „inlichtingen” in de zin van artikel 18 van verordening nr. 1/2003 niet aldus worden uitgelegd, dat de Commissie van ondernemingen kan eisen dat zij de verlangde inlichtingen in een specifieke vorm aanleveren. De adressaat van een verzoek om inlichtingen is uiteraard verplicht daaraan gevolg te geven door inlichtingen te verstrekken die niet alleen juist en volledig zijn, maar ook nauwkeurig en duidelijk. Bovendien kan van een adressaat, wanneer hij informatie moet ordenen om een nuttig antwoord te verschaffen, ook worden verwacht dat hij uit hoofde van zijn verplichting tot actieve medewerking rekening houdt met de door de Commissie verlangde vorm. De Commissie kan echter niet van een onderneming eisen dat zij bij het verstrekken van de gevraagde inlichtingen zodanig uitgebreide, complexe en tijdrovende secretariële en administratieve taken verricht, dat de voorbereiding van de zaak tegen die onderneming in feite aan haarzelf wordt „uitbesteed”. Het is immers aan de Commissie te bewijzen dat sprake is van een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie.(43)
112. Hoe het ook zij, en onafhankelijk van een eventuele schending van artikel 18 (die niet door rekwirante is gesteld), komt het mij voor dat de bij het bestreden besluit opgelegde vorm onmiskenbaar een zeer aanzienlijke werklast voor rekwirante heeft meegebracht. Daarvoor bestaat nog minder rechtvaardiging nu de door de Commissie verlangde formatteringswerkzaamheden veelal gegevens betroffen die zij al in haar bezit had of die openbaar toegankelijk waren.
113. Wat het eerste aspect betreft, kunnen we niet eraan voorbijgaan dat het bestreden besluit is vastgesteld nadat Buzzi Unicem al bijzonder bezwarende inlichtingenverzoeken (in de vorm van eenvoudige verzoeken als bedoeld in artikel 18, lid 2, van verordening nr. 1/2003) had beantwoord. Deze eerdere verzoeken betroffen grotendeels dezelfde informatie, met enkele afwijkende details of in een andere vorm.
114. Het bestreden besluit dwong rekwirante derhalve – vanwege de voor de verstrekking van de inlichtingen voorgeschreven vorm – tot verdere inspanningen voor louter de herformattering van gegevens die al aan de Commissie waren verstrekt. Ik zie geen enkele rechtvaardiging voor een dergelijk verzoek. In die omstandigheden kan een verzoek van de Commissie om een grote hoeveelheid gegevens te herformatteren mutatis mutandis worden gelijkgesteld met een verzoek om een groot aantal uitgebreide documenten in het bezit van een onderneming in een andere taal te vertalen. Het feit dat het personeel van de Commissie wellicht niet over de vereiste taalvaardigheden beschikt, zou een dergelijk verzoek mijns inziens niet rechtvaardigen.
115. Indien de Commissie in haar inlichtingenverzoeken op grond van artikel 18, lid 2, van verordening nr. 1/2003 de vragen op dezelfde wijze had geformuleerd als in het bestreden besluit, of indien zij nadien had aanvaard dat enkel in een andere vorm gevraagde gegevens werden verstrekt, was rekwirante een aanzienlijke hoeveelheid werk bespaard.
116. Wat het tweede aspect aangaat, het bestreden besluit verlangde van rekwirante de ordening van gegevens die tot het publieke domein behoren. Zo luidt punt 10 van bijlage II bij het bestreden besluit: „Alle geldwaarden moeten worden uitgedrukt in euro’s. Indien de plaatselijke valuta niet de euro is, gelieve deze in euro’s om te rekenen op basis van de officiële wisselkoers die de Europese Centrale Bank voor de referentieperiode heeft gepubliceerd.” Het is niet duidelijk waarom de eigen diensten van de Commissie deze berekeningen niet konden verrichten.(44)
117. Ik ben derhalve van mening dat rekwirante op goede gronden stelt dat het Gerecht bij de uitlegging en de toepassing van het evenredigheidsbeginsel blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het vierde middel van rekwirante treft doel en het bestreden arrest moet dienovereenkomstig worden vernietigd.
E – Goede praktijken
1. Argumenten van partijen
118. Met haar vijfde en laatste middel betoogt rekwirante dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het niet de rechten van rekwirante als bedoeld in de „Goede praktijken betreffende de mededeling en verzameling van economische gegevens in procedures op grond van de artikelen 101 VWEU en 102 VWEU en in fusiezaken (werkdocument van de diensten van de Commissie)”(45) (hierna: „Goede praktijken”) heeft erkend. Rekwirante meent dat de Commissie, wanneer zij ervoor kiest haar Goede praktijken te volgen door de onderneming over het ontwerp-inlichtingenverzoek te raadplegen, zij vervolgens verplicht is nota te nemen van de opmerkingen of verzoeken om toelichting van die onderneming. Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door die verplichting te negeren.
119. Volgens de Commissie moet dit betoog worden afgewezen.
2. Beoordeling
120. Punt 3.4.3 van de Goede praktijken luidt als volgt: „Wanneer dit passend en nuttig is, zendt het DG Concurrentie een ‚ontwerp’-informatieverzoek betreffende kwantitatieve gegevens toe om een betere identificatie van de vorm en algemene consistentiecontroles mogelijk te maken (zie punt 3.3.2). Het ontwerp-informatieverzoek is bedoeld om partijen de gelegenheid te bieden wijzigingen voor te stellen die de vervulling van de verplichting om de noodzakelijke gegevens te verschaffen kunnen vergemakkelijken. Een beperking van de omvang van het informatieverzoek is alleen aanvaardbaar indien daardoor het onderzoek niet in gevaar komt, en met name in fusiezaken kan leiden tot een vervroeging van de aanvankelijk voor de beantwoording voorziene termijn.”
121. Het Gerecht heeft mijns inziens terecht verwezen naar de rechtspraak waarin is bepaald dat de Commissie, wanneer zij een indicatieve gedragsregel vaststelt die externe gevolgen beoogt, daarvan niet mag afwijken dan om redenen die verenigbaar zijn met het beginsel van gelijke behandeling. Het Gerecht heeft echter eveneens erop gewezen dat het in de Goede praktijken duidelijk gaat om een mogelijkheid voor de Commissie om rekening te houden met opmerkingen „wanneer dit passend en nuttig is” en de opmerkingen van de onderneming op te volgen wanneer „daardoor het onderzoek niet in gevaar komt”.(46)
122. De bewoordingen van de Goede praktijken vormen voor mij geen aanleiding om te concluderen dat de Commissie op dit punt een duidelijke en ondubbelzinnige gedragslijn wilde vaststellen.
123. En wat belangrijker is, het argument dat de Commissie zich door toezending van een ontwerpbesluit aan de potentiële adressaten ertoe zou verplichten om een door hen ingediende opmerking op te volgen, druist ook tegen de intuïtie in. Er is geen enkele grondslag voor dat argument en ook ontbreekt elke logica ervoor. De enige verplichting die uit punt 3.4.3 van de Goede praktijken voor de Commissie kan ontstaan, is dat zij rekening moet houden met de opmerkingen die de geraadpleegde ondernemingen indienen. Buzzi Unicem heeft niets concreets aangevoerd waaruit blijkt dat de Commissie geen rekening met haar opmerkingen zou hebben gehouden.
124. Ik merk ten slotte nog op dat in de punten 7 en 8 van de Goede partijken duidelijk is aangegeven dat de Commissie haar aanpak op basis van die praktijken kan variëren en dat het document niet beoogt nieuwe rechtsgevolgen in het leven te roepen of wijziging te brengen in het besluitvormingspraktijk van de Commissie. Het niet-bindende karakter van de Goede praktijken vindt bovendien bevestiging in het feit dat deze slechts zijn gepubliceerd als „werkdocument” van het directoraat-generaal Concurrentie en niet als document van de Commissie als geheel (dat wil zeggen vastgesteld door het college van Commissieleden). De Goede praktijken zijn zelfs niet eens in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt. Hoewel we ons kunnen afvragen waarom de Commissie mededelingen publiceert waarvan zij vervolgens, wanneer daarop in gerechtelijke procedures door een andere partij een beroep wordt gedaan, de waarde bagatelliseert, doet dit niet af aan het feit dat de Goede praktijken kennelijk niet zijn bedoeld om bindende regels vast te leggen.
125. Op grond van het voorgaande ben ik van mening dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het middel van rekwirante betreffende schending van de Goede praktijken af te wijzen. Het vijfde middel faalt dan ook.
VI – Consequenties van de analyse
126. Volgens artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie vernietigt het Hof de beslissing van het Gerecht indien de hogere voorziening gegrond is. Wanneer de zaak in staat van wijzen is, kan het Hof de zaak zelf afdoen. Het kan de zaak ook terugverwijzen naar het Gerecht voor een nieuwe uitspraak.
127. Ik heb geconcludeerd dat drie van de vijf middelen die rekwirante in deze hogere voorziening heeft aangevoerd geheel of gedeeltelijk gegrond zijn en dat het bestreden arrest dienovereenkomstig moet worden vernietigd.
128. Gelet op de feiten zoals die beschikbaar zijn en op de discussies die voor het Gerecht en voor dit Hof zijn gevoerd, kan het Hof de zaak volgens mij zelf afdoen.
129. In haar verzoekschrift in eerste aanleg heeft Buzzi Unicem vijf middelen aangevoerd ter ondersteuning van haar beroep tot nietigverklaring van het bestreden besluit.
130. Blijkens het bovenstaande ben ik van mening dat het bestreden besluit met name om twee redenen onrechtmatig is: zij bevat een ontoereikende motivering van het doel van het verzoek (zie de punten 23 tot en met 49 van deze conclusie), en voldoet niet aan het evenredigheidsvereiste (zie de punten 94 tot en met 117 van deze conclusie). Elk van deze juridische gebreken volstaat op zichzelf om het gehele besluit nietig te verklaren. Of de andere door rekwirante in eerste aanleg aangevoerde middelen gegrond zijn, behoeft derhalve niet te worden onderzocht.
VII – Kosten
131. Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd.
132. Indien het Hof mijn beoordeling van de hogere voorziening volgt, dient de Commissie overeenkomstig de artikelen 137, 138 en 184 van het Reglement voor de procesvoering de kosten te dragen van de procedure in eerste aanleg en in hogere voorziening.
VIII – Conclusie
133. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging:
– het arrest van het Gerecht van 14 maart 2011 in zaak T‑297/11, Buzzi Unicem/Commissie, te vernietigen;
– besluit C(2011) 2356 definitief van de Commissie van 30 maart 2011 inzake een procedure op grond van artikel 18, lid 3, van verordening (EG) nr. 1/2003 (zaak 39520 – Cement en aanverwante producten) nietig te verklaren;
– de Commissie te verwijzen in de kosten van beide instanties.
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – Verordening van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1).
3 – HeidelbergCement/Commissie, C‑247/14 P, EU:C:2015:694; Schwenk Zement/Commissie, C‑248/14 P, EU:C:2015:695; en Italmobiliare/Commissie, C‑268/14 P, EU:C:2015:697.
4 – Verordening van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 123, blz. 18).
5 – EU:T:2014:122.
6 – C‑247/14 P, EU:C:2015:694, punten 22‑27.
7 – Zie arrest Nexans en Nexans France/Commissie, C‑37/13 P, EU:C:2014:2030, punten 31 en 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
8 – Ibidem, punten 34‑37 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
9 – Artikel 18 van verordening nr. 1/2003 bepaalt dat de beschikking melding moet maken van „de rechtsgrond voor en het doel van het verzoek, specificeert welke inlichtingen vereist zijn en stelt de termijn vast voor het verstrekken van deze inlichtingen”. Artikel 20, lid 4, van diezelfde verordening bepaalt dat in de beschikking „wordt vermeld wat het voorwerp en het doel van de inspectie zijn en op welke datum de inspectie een aanvang neemt”.
10 – Conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Nexans en Nexans France/Commissie, C‑37/13 P, EU:C:2014:223, punten 35‑38.
11 – Punten 35 en 36 van het bestreden arrest.
12 – Zie de conclusie van advocaat-generaal Léger in de zaak BPB Industries en British Gypsum/Commissie, C‑310/93 P, EU:C:1994:408, punt 22.
13 – Zie de conclusie van advocaat-generaal Lenz in de zaak SITPA, C‑27/90, EU:C:1990:407, punt 59.
14 – Zie de in punt 26 van deze conclusie aangehaalde rechtspraak.
15 – Zie de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Nexans en Nexans France/Commissie, C‑37/13 P, EU:C:2014:223, punt 52.
16 – Zie voor meer bijzonderheden mijn conclusie in de zaak HeidelbergCement/Commissie, C‑247/14 P, EU:C:2015:694, punten 46 en 47.
17 – Vraag 1D. Zie hierna, punt 85 van deze conclusie.
18 – Zie mijn conclusie in de zaak HeidelbergCement/Commissie, C‑247/14 P, EU:C:2015:694, punten 138‑146.
19 – Zie hierna, punten 73‑91 van deze conclusie.
20 – Zie mijn conclusie in de zaak HeidelbergCement/Commissie, C‑247/14 P, EU:C:2015:694, punt 50.
21 – C‑247/14 P, EU:C:2015:694, punten 52‑54.
22 – Zie de conclusie van advocaat-generaal Jacobs in de zaak SEP/Commissie, C‑36/92 P, EU:C:1993:928, punt 30.
23 – Zie arrest Der Grüne Punkt – Duales System Deutschland/Commissie, C‑385/07 P, EU:C:2009:456, punt 163 en aldaar aangehaald rechtspraak.
24 – Zie in dat verband arrest Chalkor/Commissie, C‑386/10 P, EU:C:2011:815, punten 65 en 66.
25 – T‑296/11, EU:T:2014:121, punten 41‑56.
26 – Punt 45 van het bestreden arrest.
27 – Het is zodoende niet aan het Hof na te gaan of de vragen 5S, 5R, 5T en 5V zuiver feiten betreffen, wat hoe dan ook nauwelijks te betwisten valt.
28 – Zie de conclusie van advocaat-generaal Darmon in de zaak Orkem/Commissie, 374/87, EU:C:1989:207, punt 55.
29 – Zie de punten 87 en 88 van het bestreden arrest.
30 – Zie met name arresten Orkem/Commissie, 374/87, EU:C:1989:387, punt 35, en Solvay/Commissie, 27/88, EU:C:1989:388, punt 32.
31 – Overweging 23 verwijst zoals gezegd naar „vragen over feiten”. Dat het problematisch is om de best mogelijke termen te vinden ter aanduiding van het soort vragen die vanwege hun feitelijke inhoud geen inbreuk kunnen maken op het recht om zichzelf niet te beschuldigen, blijkt ook uit de rechtspraak. Zie de in voetnoot 94 van mijn conclusie in de zaak HeidelbergCement/Commissie, C‑247/14 P, EU:C:2015:694, aangehaalde rechtspraak.
32 – Arrest Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, EU:C:2002:582 („arrest PVC II”), punt 273 (mijn cursivering).
33 – Zie mijn conclusie in de zaak HeidelbergCement/Commissie, C‑247/14 P, EU:C:2015:694, punt 157.
34 – Punt 74 van het bestreden arrest.
35 – Zie met name arresten Orkem/Commissie, 374/87, EU:C:1989:387, punt 39, en Solvay/Commissie, 27/88, EU:C:1989:388, punt 36.
36 – Zie arresten Hoechst/Commissie, 46/87 en 227/88, EU:C:1989:337, punt 19, en Roquette Frères, C‑94/00, EU:C:2002:603, punten 27, 50 en 52.
37 – Zie in dat verband arrest Roquette Frères, C‑94/00, EU:C:2002:603, punten 76 en 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
38 – De andere aspecten omvatten onder meer de aard van de betrokkenheid van de betreffende onderneming, het belang van wat wordt onderzocht, en de hoeveelheid en het type nuttige informatie waarvan de Commissie aanneemt dat de betrokken onderneming erover beschikt.
39 – Ik houd hierbij onder meer rekening met het aantal betrokken ondernemingen, de geografische reikwijdte van de vermoede inbreuken en de hardcore restricties in de vermeende overeenkomsten.
40 – Punt 129 van het bestreden arrest.
41 – Zie de punten 2, 6, 7, 8, 9, 13, 14 en 15 van bijlage III. Zie voorts voor vergelijkbare complexe instructies onder andere de vragen 1A en 2 van bijlage I.
42 – Zie de punten 16 en 17 van bijlage II.
43 – Zie artikel 2 van verordening nr. 1/2003.
44 – Zie mijn conclusie in de zaak HeidelbergCement/Commissie, C‑247/14 P, EU:C:2015:694, punt 120.
45 – Document gepubliceerd op de website van het directoraat-generaal [DG] Concurrentie van de Europese Commissie.
46 – Zie de punten 140 en 141 van het bestreden arrest en aldaar aangehaald rechtspraak.
Full & Egal Universal Law Academy