CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
N. JÄÄSKINEN
van 17 september 2015 ( 1 )
Zaak C‑312/14
Banif Plus Bank Zrt.
tegen
Márton Lantos en Mártonné Lantos
[Verzoek van de Ráckevei Járásbíróság (Hongarije) om een prejudiciële beslissing]
„Ontvankelijkheid — Bescherming van de belegger — Lening in vreemde valuta — Begrip ‚financieel instrument’ in de zin van artikel 4, lid 1, punt 17, van richtlijn 2004/39/EG — Begrip ‚beleggingsdiensten’ in de zin van artikel 4, lid 1, punt 2, van richtlijn 2004/39 — Omstandigheden waarin de aanbieders van dergelijke diensten verplicht zijn de geschiktheid ervan voor cliënten te toetsen — Geldigheid van overeenkomsten die niet aan deze eisen voldoen — Sancties van artikel 51 van richtlijn 2004/39”
I – Inleiding
1.
Met deze prejudiciële verwijzing verzoekt de Ráckevei Járásbíróság (rechtbank van Ráckeve, Hongarije) onder meer om verduidelijking van de soorten instrumenten die binnen de werkingssfeer van richtlijn 2004/39 ( 2 ) vallen. De verwijzende rechter wenst verder te vernemen of uit die richtlijn een verplichting voortvloeit om de geschiktheid van beleggingsdiensten en financiële producten voor individuele cliënten te toetsen. De vragen zijn aan het Hof voorgelegd in de context van een geschil over een in vreemde valuta gesloten lening om de aankoop van een auto te financieren. Gelet op de onduidelijke omschrijving van de relevante feiten en het nationale rechtskader acht ik het prejudiciële verzoek echter niet-ontvankelijk.
2.
Dit gezegd hebbende, de prejudiciële verwijzing betreft een lastig sociaal en economisch probleem met belangrijke consequenties in veel lidstaten. Helaas bieden de verwijzingsbeslissing en het hoofdgeding het Hof geen goede gelegenheid voor verdere ontwikkeling van zijn rechtspraak, die zou moeten plaatsvinden in het kader van het consumentenbeschermingsrecht van de Unie, met name richtlijn 2008/48 ( 3 ), en niet in dat van het beleggersbeschermingsrecht.
II – Toepasselijke bepalingen
A – Unierecht
1. Richtlijn 2004/39
3.
Overweging 2 en overweging 31 van richtlijn 2004/39 luiden als volgt:
„(2)
De afgelopen jaren zijn op de financiële markten steeds meer beleggers actief geworden, aan wie een ruim gamma alsmaar complexer wordende diensten en instrumenten wordt aangeboden. In het licht van deze ontwikkelingen is het van belang dat het communautair wettelijk kader het gehele gamma aan op de beleggers gerichte werkzaamheden bestrijkt. Om deze doelstelling te bereiken, moet een zodanige harmonisatie worden bewerkstelligd dat beleggers een hoog niveau van bescherming wordt geboden en dat beleggingsondernemingen in staat zijn overal in de Gemeenschap, die een eengemaakte markt vormt, diensten te verrichten, op basis van toezicht door de lidstaat van herkomst. In het licht van het bovenstaande dient richtlijn 93/22/EEG door een nieuwe richtlijn te worden vervangen.
[...]
(31)
Deze richtlijn strekt onder meer tot bescherming van de beleggers. Maatregelen ter bescherming van de belegger dienen daarom te worden aangepast aan de bijzondere kenmerken van elke beleggerscategorie (niet-professionele beleggers, professionele beleggers en tegenpartijen).”
4.
Artikel 1 van richtlijn 2004/39 bepaalt:
„1. Deze richtlijn is van toepassing op beleggingsondernemingen en gereglementeerde markten.
2. De volgende bepalingen zijn tevens van toepassing op kredietinstellingen waaraan overeenkomstig richtlijn 2000/12/EG vergunning is verleend, wanneer deze één of meer beleggingsdiensten en/of beleggingsactiviteiten verrichten:
—
[...]
—
Titel II, Hoofdstuk II, met uitzondering van artikel 23, lid 2, tweede alinea,
—
[...].”
5.
Artikel 4, lid 1, punten 2, 6, en 17, van richtlijn 2004/39 bevatten de volgende definities:
„2)
beleggingsdiensten en -activiteiten: iedere in deel A van bijlage I genoemde dienst of activiteit die betrekking heeft op één van de in deel C van bijlage I genoemde instrumenten;
[...]
6)
handelen voor eigen rekening: met eigen kapitaal handelen in één of meer financiële instrumenten, hetgeen resulteert in het uitvoeren van transacties;
[...]
17)
financieel instrument: alle instrumenten die zijn genoemd in deel C van bijlage I;”
6.
In afdeling 2 van hoofdstuk II van titel II van richtlijn 2004/39 („[b]epalingen ter bescherming van de belegger”) is artikel 19 te vinden, dat het opschrift draagt: „[b]ij het verrichten van beleggingsdiensten voor cliënten in acht te nemen gedragsregels”. De leden 4, 5 en 9 van dit artikel luiden als volgt:
„4. Bij het verstrekken van beleggingsadvies of het verrichten van vermogensbeheer, wint de beleggingsonderneming de nodige informatie in, betreffende de kennis en ervaring van de cliënt of potentiële cliënt op beleggingsgebied met betrekking tot de specifieke soort product of dienst, zijn financiële situatie en zijn beleggingsdoelstellingen, teneinde de cliënt of potentiële cliënt de voor hem geschikte beleggingsdiensten en financiële instrumenten te kunnen aanbevelen.
5. De lidstaten dragen er zorg voor dat een beleggingsonderneming, wanneer zij andere dan de in lid 4 bedoelde beleggingsdiensten verricht, bij de cliënt of de potentiële cliënt informatie inwint over zijn ervaring en kennis op beleggingsgebied met betrekking tot de specifieke soort van product of dienst die men voornemens is aan te bieden of die wordt verlangd, zodat de onderneming kan beoordelen of het aangeboden product of de te verrichten dienst passend is voor de cliënt.
Indien de beleggingsonderneming op grond van de uit hoofde van de voorgaande alinea ontvangen informatie oordeelt dat het product of de dienst voor de cliënt of de potentiële cliënt ongeschikt is, waarschuwt zij de cliënt of de potentiële cliënt. Deze waarschuwing mag in gestandaardiseerde vorm worden verstrekt.
Wanneer de cliënt of de potentiële cliënt ervoor kiest de in de eerste alinea bedoelde informatie over zijn ervaring en kennis niet te verstrekken of wanneer hij onvoldoende informatie verstrekt, waarschuwt de beleggingsonderneming de cliënt of de potentiële cliënt dat zij door diens beslissing niet kan vaststellen of de aangeboden beleggingsdienst of het aangeboden product voor hem geschikt is. Deze waarschuwing mag in gestandaardiseerde vorm worden verstrekt.
[...]
9. Wanneer een beleggingsdienst wordt aangeboden als onderdeel van een financieel product dat reeds ressorteert onder andere bepalingen van de communautaire wetgeving of onder gemeenschappelijke Europese normen betreffende kredietinstellingen en consumentenkredieten ter zake van risicobeoordeling van cliënten en/of informatievereisten, zijn de verplichtingen van dit artikel niet eveneens van toepassing op deze dienst.”
7.
Volgens artikel 51, lid 1, van richtlijn 2004/39 moeten de lidstaten ervoor zorgen dat passende administratieve maatregelen of administratieve sancties kunnen worden opgelegd aan de verantwoordelijke personen indien de ter uitvoering van de richtlijn vastgestelde bepalingen niet worden nageleefd. De lidstaten moeten erop toezien dat alle vastgestelde maatregelen doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. ( 4 )
8.
De in deel A van bijlage I genoemde „[b]eleggingsdiensten en –activiteiten” omvatten „[h]et handelen voor eigen rekening”. Tot de in deel B genoemde nevendiensten behoren „[v]alutawisseldiensten voor zover deze samenhangen met het verrichten van beleggingsdiensten”. Als financiële instrumenten worden in deel C genoemd: „[o]pties, futures, swaps, rentetermijncontracten en andere derivatencontracten die betrekking hebben op effecten, valuta, rentevoeten of rendementen, of andere afgeleide instrumenten, indexen of maatstaven en die kunnen worden afgewikkeld door middel van materiële aflevering of in contanten”.
2. Richtlijn 2008/48
9.
Artikel 1 van richtlijn 2004/38 („Onderwerp”) bepaalt het volgende:
„Deze richtlijn heeft tot doel bepaalde aspecten van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake consumentenkredietovereenkomsten te harmoniseren.”
10.
Artikel 2 van richtlijn 2008/48 („Toepassingsgebied”) luidt:
„1. Deze richtlijn is van toepassing op kredietovereenkomsten.
2. Deze richtlijn is niet van toepassing op het volgende:
[...]
h)
kredietovereenkomsten die worden gesloten met beleggingsondernemingen in de zin van artikel 4, lid 1, van richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten [9] of met kredietinstellingen in de zin van artikel 4 van richtlijn 2006/48/EG waarbij een belegger transacties kan verrichten op één of meer van de in deel C van bijlage I bij richtlijn 2004/39/EG vermelde instrumenten en waarbij de beleggingsonderneming of de kredietinstelling die het krediet verleent, bij deze transactie betrokken is;
[...]”
11.
Artikel 3 van richtlijn 2008/48 („Definities”) bepaalt:
„In deze richtlijn wordt verstaan onder:
[...]
c)
‚kredietovereenkomst’: een overeenkomst waarbij een kredietgever aan een consument krediet verleent of toezegt in de vorm van uitstel van betaling, een lening of een andere, soortgelijke betalingsfaciliteit, met uitzondering van overeenkomsten voor doorlopende dienstverlening en doorlopende levering van dezelfde goederen, waarbij de consument, zolang de diensten c.q. goederen worden geleverd, de kosten daarvan in termijnen betaalt;”
B – Nationaal recht
12.
Artikel 231 van het burgerlijk wetboek van de Republiek Hongarije ( 5 ) (hierna: „burgerlijk wetboek”) bepaalt het volgende:
„1. Tenzij anders is bepaald, moeten geldschulden worden voldaan in het geld van de plaats van uitvoering van de verbintenis.
2 In ander geld of in goud uitgedrukte schulden worden omgerekend naar de koers (prijs) die van toepassing is op de plaats en op de datum van de betaling.”
13.
De Kúria, als Hooggerechtshof van Hongarije, heeft in arrest 6/2013 PJE een voor de nationale rechtspraak bindende uitspraak gedaan over de uitlegging van leningen in vreemde valuta. Op basis van artikel 231 van het burgerlijk wetboek heeft de Kúria in vreemde valuta uitgedrukte leningen gekwalificeerd als valutaleningen. De Kúria heeft erop gewezen dat door die valutaleningen weliswaar een verbintenis in vreemde valuta ontstaat, maar dat, anders dan bij een echte valutalening (die voorzien is van een beding tot effectieve voldoening in vreemde valuta – „effektivitási kikötés”) bij een in vreemde valuta luidende lening een vreemde valuta wordt vastgesteld als de munt waarin de betalingsverplichtingen moeten worden nagekomen, terwijl de munt waarin de betalingsverplichtingen daadwerkelijk worden nagekomen, de forint is. De Kúria heeft die transactie daarom aldus uitgelegd dat de in vreemde valuta geregistreerde geldstroom fictief is en de geldstroom in forinten reëel.
III – Feiten, procedure en prejudiciële vragen
14.
Volgens de verwijzingsbeslissing heeft „[o]p 11 juni 2008 [...] de financiële instelling Banif Plus Bank Zrt. (hierna: ‚bank’), verzoekster, op basis van § 523 van [...] wet IV van 1959 houdende het burgerlijk wetboek van de Republiek Hongarije [...] met de eerste verwerende partij, een cliënt van Hongaarse nationaliteit, een lening in vreemde valuta gesloten. Het doel van de leningsovereenkomst was de voorwaarden van de lening (verrichten van een dienst) en de terugbetalingstermijnen (tegenprestatie) vast te stellen. Onder de clausules van de leningsovereenkomst bevonden zich de fundamentele contractuele bepalingen inzake de (geregistreerde) fictieve geldstroom in vreemde valuta en de reële geldstroom in forint.”
15.
In de verwijzingsbeslissing wordt vervolgens gesteld: „[b]ij de toekenning van de lening heeft de bank de tegenwaarde in vreemde valuta van het door haar in forint te betalen bedrag berekend tegen de op een eerder vastgestelde datum geldende wisselkoers, overeenkomstig § 231 van het burgerlijk wetboek. [Nadien] heeft de bank van de cliënt die te zijnen laste geregistreerde vreemde valuta gekocht tegen de effectieve wisselkoers voor de aankoop van vreemde valuta die gold op het tijdstip van de betaling (transactie tegen de actuele wisselkoers), en heeft hem de tegenwaarde ervan in forint betaald. [Later] heeft de bank de geregistreerde vreemde valuta aan de cliënt verkocht in ruil voor forinten, tegen de effectieve wisselkoers voor de verkoop van vreemde valuta die gold op het tijdstip van de terugbetaling van de lening (transactie tegen de op het tijdstip van de terugbetaling geldende toekomstige wisselkoers), zodat de cliënt zijn in vreemde valuta geregistreerde terugbetalingsverplichting kon nakomen in vreemde valuta.”
16.
De verwijzende rechter merkt verder op dat, aangezien „de lening in vreemde valuta, die het voorwerp van het hoofdgeding vormt, een geldmarktaspect (de lening) en eventueel een kapitaalmarktaspect (bestaande in de wisselkoerstransacties) heeft, er twijfel bestaat over de uitlegging van de begrippen financieel instrument en beleggingsactiviteit door middel van een financieel instrument”.
17.
Onder deze omstandigheden heeft de nationale rechter het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1)
Moeten artikel 4, lid 1, punten 2 (beleggingsdiensten en -activiteiten) en 17 (financieel instrument), van en bijlage I, deel C, punt 4 (valutatermijntransactie, afgeleide instrumenten), bij [richtlijn 2004/39] aldus worden uitgelegd dat het aanbieden aan de cliënt van een (wisselkoers)transactie die, in de juridische vorm van een lening in vreemde valuta, bestaat in een contante koop/verkoop op het tijdstip van uitbetaling van de gelden en een koop/verkoop op termijn op het tijdstip van de terugbetaling, met omrekening in forint van een geregistreerd bedrag in vreemde valuta, waardoor de lening van de cliënt wordt blootgesteld aan de gevolgen en de risico’s (wisselkoersrisico) van de kapitaalmarkt, een financieel instrument in de zin van die bepalingen vormt?
2)
Moeten artikel 4, lid 1, punt 6 (handelen voor eigen rekening), van en bijlage I, deel A, punt 3 (handelen voor eigen rekening), bij [richtlijn 2004/39] aldus worden uitgelegd dat een tradingactiviteit voor eigen rekening met betrekking tot het in de eerste vraag beschreven financieel instrument een beleggingsdienst- of activiteit vormt?
3)
Moet de financiële instelling de in artikel 19, leden 4 en 5, van [richtlijn 2004/39] bedoelde geschiktheidstoets uitvoeren, in aanmerking genomen dat de valutatermijntransactie – die een beleggingsdienst in verband met afgeleide financiële instrumenten vormt – is aangeboden als onderdeel van een ander financieel product (te weten een lening) en dat het afgeleide instrument op zich een complex financieel instrument vormt? Moet artikel 19, lid 9, van de richtlijn als niet-toepasselijk worden beschouwd omdat, gelet op het feit dat de door de cliënt aangegane risico’s in verband met de lening en het financieel instrument wezenlijk verschillen, de beoordeling van de geschiktheid onontbeerlijk is waar de transactie een afgeleid instrument omvat?
4)
Leidt de omzeiling van artikel 19, leden 4 en 5, van [richtlijn 2004/39] tot de nietigheid van de tussen de bank en de cliënt gesloten lening?”
18.
Schriftelijke opmerkingen zijn ontvangen van verweerders, Márton Lantos en Mártonné Lantos, van de regeringen van Hongarije, Duitsland, Polen en het Verenigd Koninkrijk, en van de Commissie. Er heeft geen terechtzitting plaatsgevonden.
IV – Ontvankelijkheid
19.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing is naar mijn mening niet-ontvankelijk, en wel om de volgende redenen.
20.
Ik herinner eraan dat de gegevens in de verwijzingsbeslissing het Hof, de lidstaten en andere belanghebbenden die opmerkingen mogen indienen een goed begrip moeten bieden van het feitelijk en juridisch kader van het hoofdgeding, en dat de verwijzingsbeslissing de redenen moet vermelden waarom de nationale rechter twijfelt over de uitlegging van de relevante bepalingen van het Unierecht en het noodzakelijk acht het Hof een prejudiciële vraag te stellen. Beklemtoond moet worden dat de gegevens in de verwijzingsbeschikking niet alleen dienen om het Hof in staat te stellen om bruikbare antwoorden te geven, maar ook om de regeringen van de lidstaten en andere belanghebbenden de mogelijkheid te geven om opmerkingen in te dienen overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie. ( 6 )
21.
Deze eisen ten aanzien van de inhoud van een verzoek om een prejudiciële beslissing zijn uitdrukkelijk in artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering vermeld, en ook in de Aanbevelingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures. ( 7 ) Met name uit punt 22 van die aanbevelingen blijkt duidelijk dat een verzoek om een prejudiciële verwijzing „beknopt [maar] volledig [moet] zijn en alle relevante gegevens [moet] bevatten voor een goed begrip van het feitelijk en juridisch kader van het hoofdgeding door het Hof en de betrokkenen die opmerkingen mogen indienen” (mijn cursivering).
22.
De verwijzingsbeslissing vormt de basis van de procedure voor het Hof. Het is dus onontbeerlijk dat de nationale rechter in deze verwijzingsbeslissing zelf het feitelijk en juridisch kader van het hoofdgeding uiteenzet en minstens beknopt uiteenzet waarom hij om uitlegging van bepaalde voorschriften van Unierecht verzoekt, en dat hij aangeeft welk verband hij ziet tussen deze bepalingen en de nationale wetgeving die van toepassing is op de hem voorgelegde zaak. ( 8 ) Het Hof heeft verklaard dat de nationale rechter de vereisten met betrekking tot de inhoud van een verzoek om een prejudiciële beslissing „nauwgezet” ( 9 ) moet naleven – en dit is in mijn optiek bij de verwijzingsbeslissing in het hoofdgeding niet het geval.
23.
De beperkte feitelijke informatie die de verwijzingsbeslissing verstrekt, is weergegeven in de punten 14 tot en met 16 van deze conclusie. ( 10 ) Een groot aantal feitelijke gegevens die voorhanden moeten zijn om een nuttig antwoord op de prejudiciële vragen te kunnen geven, ontbreekt dus. Te denken valt bijvoorbeeld aan de precieze contractuele bepalingen die in geschil zijn en een gedetailleerde beschrijving van de gebeurtenissen tussen partijen die tot het geschil over hun respectieve wettelijke rechten en verplichtingen hebben geleid. ( 11 ) In de verwijzingsbeslissing is zelfs helemaal niets vermeld over de vreemde valuta waarin de overeenkomst is gesloten. ( 12 )
24.
De Commissie geeft in haar schriftelijke opmerkingen aan dat zij het dossier van de nationale rechter heeft bestudeerd, zodat de feitelijke lacune wat de Commissie betreft gedeeltelijk is opgevuld. Dit dossier is echter niet toegezonden aan de regeringen van de lidstaten. Deze hebben een beslissing over hun interventie in de zaak moeten baseren op de verwijzingsbeslissing en hun algemene kennis op het gebied van leningen in vreemde valuta aan consumenten.
25.
Bovendien zijn de wél vermelde feiten, zoals verschillende regeringen in hun schriftelijke opmerkingen stellen, in bepaalde opzichten onbegrijpelijk. Daarmee doet zich een bijkomend probleem voor de coherentie van de prejudiciële vragen voor.
26.
Om te beginnen merkt de Hongaarse regering op dat de nationale rechter naar nationale bepalingen inzake investeringsleningen en swapovereenkomsten in vreemde valuta verwijst, maar niet specificeert of de litigieuze overeenkomst onder een van deze categorieën valt. De Duitse regering wijst voorts op het feit dat volgens de verwijzingsbeslissing de leningsovereenkomst in vreemde valuta bestaat in een contante koop/verkoop op het tijdstip van de betaling en een koop/verkoop op termijn op het tijdstip van de terugbetaling. Volgens deze regering valt moeilijk in te zien waarom de nationale verwijzende rechter van mening is dat het om een valutatermijn-aankoop gaat, nu hij stelt dat de op het tijdstip van de terugbetaling geldende wisselkoers van toepassing is. Ook de Hongaarse regering vindt het onduidelijk of de overeenkomsten tussen partijen volgens de nationale rechter een valutatermijntransactie (op een parallelmarkt) betreffen, of dat hij louter naar de wettelijke definitie van dit begrip verwijst. ( 13 )
27.
In de tweede plaats is er onvoldoende samenhang en feitelijke nauwkeurigheid om het Hof in staat te stellen te beoordelen of hetgeen in de verwijzingsbeslissing wordt beschreven een „financieel instrument” in de zin van richtlijn 2004/39 oplevert. Zoals Duitsland en het Verenigd Koninkrijk in hun schriftelijke opmerkingen stellen, bestaat geen duidelijkheid over het soort transactie dat de bank met de schuldenaar is aangegaan, en is er sprake van een zekere dubbelzinnigheid. De Duitse regering voegt daaraan toe dat de verwijzingsbeslissing soms de indruk wekt dat het gaat om de aan- en verkoop van vreemde valuta, terwijl tegelijkertijd wordt gesproken van een fictieve geldstroom in vreemde valuta. Het is niet duidelijk welke valuta-aankopen en betalingsstromen feitelijk hebben plaatsgehad. Volgens het Verenigd Koninkrijk is niet helder of de overeenkomst uit twee verschillende instrumenten of uit één hybride instrument bestaat, en of het daadwerkelijk gaat om een combinatie van een contante koop/verkoop en een koop/verkoop op termijn en niet om een combinatie van twee contante koop/verkooptransacties.
28.
Daarbij komt dat de relevantie van de in de verwijzingsbeslissing genoemde nationale bepalingen onduidelijk is, want er wordt niet uiteengezet op welke wijze deze verband houden met de relevant geachte bepalingen van Unierecht. Voor degenen die geen diepgaande kennis van Hongaars recht hebben, is de verwijzingsbeslissing dan ook moeilijk te begrijpen. ( 14 )
29.
Tot slot, de vraag of de bank de in de artikelen 19, leden 4 en 5, van richtlijn 2004/39 verplicht gestelde geschiktheidstoets moet verrichten, of dat de bank op grond van artikel 19, lid 9, van die richtlijn van die verplichting is vrijgesteld, valt gezien de ontoereikende informatie in de verwijzingsbeslissing onmogelijk te beantwoorden. Van het Hof wordt hier verlangd dat het vaststelt of richtlijn 2004/39 van toepassing is, dan wel een andere regeling van Unierecht ter bescherming van het consumentenbelang, zoals richtlijn 2008/48. Zoals nog uit de hiernavolgende bespreking zal blijken, ben ik op basis van de beschikbare informatie van mening dat het betrokken geschil niet onder richtlijn 2004/39 valt, maar onder richtlijn 2008/48. Ik merk verder op dat de nationale wetgeving tot omzetting van richtlijn 2004/39 van toepassing is op investeringsleningen. ( 15 ) Anderzijds vallen dergelijke leningen niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2008/48, maar zijn zij evenmin gedefinieerd als financiële diensten of financiële instrumenten in richtlijn 2004/39. Dit gezegd hebbende, ben ik van mening dat het Hof niet over voldoende informatie beschikt om een antwoord op de derde vraag te kunnen geven.
V – Analyse
A – Opmerkingen vooraf
30.
Voor het geval dat het Hof niettemin van oordeel is dat de prejudiciële vragen ontvankelijk zijn, zal ik kort ingaan op de juridische kwesties die mijns inziens voor de beantwoording van die vragen relevant kunnen zijn.
31.
Om te beginnen ga ik uit van de hypothese dat het in deze zaak gaat om een lening in vreemde valuta aan een natuurlijke persoon, meer bepaald een consument. Uit de schriftelijke opmerkingen van verweerders in het hoofdgeding blijkt immers dat de lening was bedoeld om de aankoop van een auto te financieren. ( 16 )
32.
Ik herinner aan hetgeen advocaat-generaal Wahl in de zaak Kásler en Káslerné Rábai (C‑26/13, EU:C:2014:85, punt 1) heeft gesteld: „De onderhavige zaak past in het kader van het aanbod van in vreemde valuta luidende consumentenkredietovereenkomsten. Dit soort overeenkomsten, die in bepaalde lidstaten van de Europese Unie een betrekkelijk gangbare praktijk vormen en die door de kredietnemers op het eerste gezicht aantrekkelijk kunnen worden geacht wegens het rentetarief dat lager is dan het gangbare, is na de internationale financiële crisis aan het eind van het eerste decennium van de 21e eeuw voor veel particulieren problematisch gebleken wegens de grote waardevermindering van sommige valuta in verhouding tot de betrokken vreemde valuta (met name de Zwitserse frank). Deze particulieren waren verplicht om in nationale valuta luidende maandelijkse termijnen te betalen, welke aanzienlijk hoger lagen dan de termijnbedragen die zij zouden hebben moeten betalen indien deze op basis van de bij de vrijgave van de lening toepasselijke historische wisselkoers zouden zijn berekend. De gebleken tegenvallers zijn zodanig geweest dat het bankwezen van bepaalde lidstaten er indirect aanzienlijk door is getroffen.” ( 17 )
33.
De Hongaarse wetgever heeft op de verzwaring van de schuldenlast van Hongaarse huishoudens gereageerd met een wetgevingspakket dat met name is gericht op de bescherming van huiseigenaren met schulden. De vastgestelde maatregelen maken, naast andere initiatieven, de definitieve terugbetaling van schulden in vreemde valuta mogelijk tegen vaste preferentiële wisselkoersen via een door de overheid gedekte regeling, en de gedwongen omzetting van in vreemde valuta luidende hypotheekleningen. Daarnaast is het gebruik van voor bewoning bestemd onroerend goed als onderpand beperkt, en zijn leningen met rentesubsidie in forinten voorzien, alsook sociale begeleiding voor schuldenaars bij wie uitzetting dreigt vanwege problemen bij de terugbetaling van leningen in vreemde valuta. ( 18 )
34.
Ten tweede herinner ik aan de grondbegrippen van het recht inzake monetaire verplichtingen, namelijk het begrip „money of account” (rekeneenheid) waarmee de omvang van de monetaire verplichting wordt gedefinieerd, en het begrip „money of payment” (betaaleenheid), waarmee de wijze van betaling wordt aangegeven. ( 19 ) Door de differentiatie van de rekeneenheid ten opzichte van de betaaleenheid met behulp van een valutaclausule, kan de schuldeiser het risico van devaluatie van de externe en/of de interne waarde van de betaaleenheid verleggen naar de schuldenaar, die tegelijkertijd kan profiteren van een lagere nominale rente. Dit is de reden waarom leningen in vreemde valuta in bepaalde lidstaten op grote schaal worden gebruikt. Door een valutaclausule verplicht de schuldenaar zich tot betaling van een niet nader bepaald maar wel bepaalbaar geldbedrag. Niettemin betreft het een monetaire verplichting waaraan kan worden voldaan door betaling van het betrokken geldbedrag in de overeengekomen betaaleenheid. ( 20 )
35.
Op basis van het voorgaande gaat het in dit geval in feite om een lening die door de bank is verstrekt aan een consument, waarbij de rekeneenheid luidt in Zwitserse franken (waarvan de waarde bepalend is voor het verstrekte leningsbedrag en de afbetaling daarvan), terwijl de betaaleenheid de Hongaarse forint is.
B – Begrippen financieel instrument en beleggingsdienst (eerste en tweede vraag)
36.
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de verwijzende rechter van mening is dat de betrokken fictieve stromen Zwitserse franken gelijk staan aan een financieel instrument, in dit geval duidelijk een afgeleid instrument, zoals een valutatermijntransactie tussen de bank en de cliënt, waarbij deze laatste voor eigen rekening heeft gehandeld, en kennelijk op een parallelmarkt ( 21 ) of een vergelijkbare setting.
37.
Laat ik beginnen met een fundamenteel punt. Het doel van richtlijn 2004/39 is de bescherming van de belegger. ( 22 ) Een belegger in de zin van deze richtlijn is iemand die zijn eigen of geleend kapitaal in een financieel instrument investeert of wil investeren om inkomsten te verkrijgen, of in elk geval de waarde van zijn kapitaal te beschermen. Uit het dossier blijkt dat het niet de bedoeling van de cliënt was om kapitaal te beleggen, maar dat hij van de bank het geld wilde lenen dat hij nodig had om de aankoop van een duurzaam consumptiegoed, namelijk een auto, te financieren. Ik ben er niet van overtuigd, als dat het punt is dat de schuldenaars in hun opmerkingen willen maken, dat er sprake is geweest van een belegging in Zwitserse franken, door een van de partijen. Hoewel dit juridisch gezien niet doorslaggevend is voor de beslechting van het geschil, is de bescherming van de belegger in de zin van richtlijn 2004/39 niet bedoeld voor situaties waarin consumenten hun consumptie financieren, in tegenstelling tot beleggingen, die in economische termen een vorm van sparen zijn.
38.
De verwijzende rechter en verweerder in het hoofdgeding lijken er in hun zienswijze vanuit te gaan dat het een valutatermijntransactie betreft in de vorm van een derivatencontract als bedoeld in richtlijn 2004/39, bijlage I, deel C, punt 4. ( 23 ) Ik meen dat dit standpunt juridisch niet houdbaar is, en wel om de volgende redenen.
39.
Ik herinner eraan dat volgens artikel 4, lid 1, punt 2, van richtlijn 2004/39 onder „beleggingsdiensten en -activiteiten” wordt verstaan iedere in deel A van bijlage I genoemde dienst of activiteit die betrekking heeft op één van de in deel C van bijlage I genoemde instrumenten. „[H]andelen voor eigen rekening” is volgens artikel 4, lid 1, punt 6, van richtlijn 2004/39 handelen met eigen kapitaal in één of meer financiële instrumenten, hetgeen resulteert in het uitvoeren van transacties. Artikel 4, lid 1, punt 17, van richtlijn 2004/39 verstaat onder „financieel instrument” alle instrumenten die zijn genoemd in deel C van bijlage I.
40.
De litigieuze overeenkomst (een lening in vreemde valuta aan een consument, of de termijntransactie-component daarvan indien deze laatste juridisch van de lening kan worden afgescheiden) kan alleen onder één bepaling van richtlijn 2004/39 vallen, namelijk punt 4 van deel C van bijlage I. Volgens deze bepaling omvatten financiële instrumenten „[o]pties, futures, swaps, rentetermijncontracten en andere derivatencontracten die betrekking hebben op effecten, valuta, rentevoeten of rendementen, of andere afgeleide instrumenten, indexen of maatstaven en die kunnen worden afgewikkeld door middel van materiële aflevering of in contanten” (mijn cursivering).
41.
Volgens mij hoeft niet te worden bepaald in welke van de in bijlage I, deel c, punt 4, genoemde categorieën de litigieuze financiële afspraken precies vallen. Het gaat bij al deze categorieën om afgeleide contracten of instrumenten en, zoals Polen in zijn schriftelijke opmerkingen stelt, zijn afgeleide instrumenten die voor hedging of speculatieve doeleinden gebruikt kunnen worden omdat een toekomstige prijs, koers of waarde van de onderliggende activa vooraf wordt vastgesteld. ( 24 )
42.
Dit impliceert een verwachting dat de actuele prijs, koers of waarde van de onderliggende activa afwijkt van de overeengekomen toekomstige prijs, koers of waarde. Die omstandigheid verleent aan het afgeleide instrument nog een afzonderlijke economische waarde, wat een verschil is met een contract dat louter de uitvoering, op een datum in de toekomst en tegen de actuele waarde op de datum van de prestatie, van een transactie betreffende de onderliggende activa vereist. ( 25 )
43.
In de valuta-afspraken die deel uitmaken van de leenconstructie in het hoofdgeding diende de afbetaling van de in Zwitserse franken uitgedrukte monetaire verplichtingen te geschieden in Hongaarse forinten tegen de koers op het tijdstip van de terugbetaling van de lening of de afbetalingstermijnen. Deze koppeling aan de actuele koers van de Zwitserse frank ontneemt aan de overeenkomst het karakter van termijncontract. Het vermeende termijntransactiegedeelte van de overeenkomst vertegenwoordigt namelijk niet een andere juridische of economische waarde ten opzichte van de leningsovereenkomst als zodanig. ( 26 ) Zoals Duitsland terecht opmerkt, gaat het in wezen om de aflossing van een in vreemde valuta luidende schuld in de nationale munteenheid, zij het tegen de op de datum van betaling geldende koers, zodat er geen relevant verschil bestaat ten opzichte van een klassieke lening in vreemde valuta.
44.
In feite lijkt het erop dat het vermeende termijncontract louter een gecompliceerde wijze van formuleren is van een op de lening toepasselijke valutaclausule en van verlegging van het met devaluatie van de nationale munteenheid verband houdende wisselkoersrisico van de schuldeiser naar de schuldenaar. ( 27 )
45.
Wat de tweede vraag betreft, zoals gezegd omvatten volgens artikel 4, lid 1, punt 2, van richtlijn 2004/39 „beleggingsdiensten en -activiteiten” iedere in deel A van bijlage I genoemde dienst of activiteit die betrekking heeft op één van de in deel C van bijlage I genoemde instrumenten. Omdat er om de hierboven beschreven redenen geen sprake is van een financieel instrument in de zin van deel C van bijlage I van richtlijn 2004/39, is dus ook de toepasselijkheid van deel A van die bijlage uitgesloten. Bijgevolg is de richtlijn als zodanig niet van toepassing.
46.
Zouden de eerste en de tweede vraag beantwoord moeten worden, dan zou het antwoord in mijn optiek moeten zijn dat een lening die is uitgedrukt in een vreemde valuta, maar die is uitbetaald en moet worden terugbetaald in de nationale munteenheid tegen de op de datum van betaling geldende koers, op zichzelf geen financieel instrument of financiële dienst in de zin van richtlijn 2004/39 is, en ook geen financieel instrument of financiële dienst omvat, zodat de richtlijn niet op de overeenkomst van toepassing is.
C – Uitlegging van artikel 19, lid 9, van richtlijn 2004/39 (derde vraag)
47.
De derde vraag betreft het bestaan van een verplichting voor de financiële instelling om de in artikel 19, leden 4 en 5, van richtlijn 2004/39 verlangde geschiktheidstoets te verrichten. Daarvan zou volgens de vraag noodzakelijkerwijs sprake zijn, indien een financieel instrument zou zijn aangeboden als onderdeel van een ander financieel product (namelijk een leningsovereenkomst). Zoals ik hierboven heb uiteengezet, lijkt mij deze kwalificatie van de overeenkomst juridisch onjuist en is de richtlijn in de situatie van het hoofdgeding niet van toepassing.
48.
De nationale rechter wenst verder te vernemen of artikel 19, lid 9, van richtlijn 2004/39 al dan niet van toepassing is. Volgens artikel 19, lid 9, van richtlijn 2004/39 zijn de verplichtingen van dat artikel niet van toepassing indien een beleggingsdienst „reeds ressorteert onder andere bepalingen van de communautaire wetgeving of onder gemeenschappelijke Europese normen” op de relevante gebieden. Volgens de derde vraag zijn de door de cliënt aangegane risico’s in verband met de lening en het financieel instrument wezenlijk verschillend, en is het dus onontbeerlijk de geschiktheid te beoordelen omdat de transactie een afgeleid instrument omvat. Ook hier borduurt de vraag voort op de eerder besproken – door mij niet gedeelde – veronderstelling dat er sprake is van een financieel instrument.
49.
Ofschoon het Hof om deze redenen geen antwoord op deze prejudiciële vraag hoeft te geven, wil ik toch de volgende subsidiaire opmerkingen maken.
50.
Het Hof heeft in het arrest Genil 48 en Comercial Hostelera de Grandes Vinos (C‑604/11, EU:C:2013:344, punt 48) vastgesteld dat „artikel 19, lid 9, van richtlijn 2004/39 aldus moet worden uitgelegd dat, enerzijds, een beleggingsdienst slechts dan wordt aangeboden als onderdeel van een financieel product indien hij een integrerend onderdeel ervan is op het ogenblik waarop dat financieel product aan de cliënt wordt aangeboden, en, anderzijds, de bepalingen van de wetgeving van de Unie en de gemeenschappelijke Europese normen waarnaar deze bepaling verwijst, een risicobeoordeling van de cliënten mogelijk moeten maken en/of informatievereisten moeten bevatten die tevens zien op de beleggingsdienst die een integrerend onderdeel van het betrokken financieel product uitmaakt, opdat de verplichtingen van dat artikel 19 niet meer voor deze dienst gelden” (mijn cursivering).
51.
In het voorliggende geval zijn beide voorwaarden vervuld. Enerzijds was het vermeende valutatermijncontract een integrerend deel van de lening op het ogenblik waarop dat aan de cliënt werd aangeboden. Ik benadruk dat de lening was bedoeld om de aankoop van een auto te financieren, een omstandigheid die de lening tot een consumentenkredietovereenkomst maakt. De vraag of leningen die worden verstrekt voor belegging in financiële instrumenten, als zodanig of naar analogie binnen de werkingssfeer van 2004/39 zouden vallen, behoeft derhalve geen bespreking.
52.
Anderzijds bevat richtlijn 2008/48 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten informatievereisten voor leningsovereenkomsten als de onderhavige. ( 28 ) Financiële instellingen zijn dus verplicht om cliënten informatie te verstrekken met betrekking tot leningen die verplichtingen of transacties in een vreemde valuta inhouden, en hun kredietwaardigheid te beoordelen.
53.
Het juiste antwoord op de derde vraag is derhalve dat volgens artikel 19, lid 9, van richtlijn 2004/39 de geschiktheidstoets van dat artikel niet is vereist in omstandigheden als van het hoofdgeding.
D – Civielrechtelijke sancties op schending van richtlijn 2004/39 (vierde vraag)
54.
De verwijzende rechter wil met zijn vierde vraag weten of de omzeiling van artikel 19, leden 4 en 5, van de richtlijn tot de nietigheid van de tussen de bank en de cliënt gesloten lening leidt.
55.
Artikel 51, lid 1, van richtlijn 2004/39 voorziet in de oplegging van administratieve sancties aan de verantwoordelijke personen indien de ter uitvoering van de richtlijn vastgestelde bepalingen niet worden nageleefd. Richtlijn 2004/39 houdt echter geen verplichting in om te voorzien in civielrechtelijke sancties.
56.
Volgens het Hof in het arrest Genil 48 en Comercial Hostelera de Grandes Vinos (C‑604/11, EU:C:2013:344, punt 57) is het zo dat „artikel 51 van richtlijn 2004/39 [...] noch preciseert dat de lidstaten contractuele gevolgen moeten vaststellen voor gevallen waarin overeenkomsten worden gesloten waarbij de verplichtingen van de bepalingen van nationaal recht ter omzetting van artikel 19, leden 4 en 5, van richtlijn 2004/39 niet worden nagekomen, noch duidelijk aangeeft welke gevolgen daaraan kunnen worden verbonden. Bij ontstentenis van een Unieregeling is het een aangelegenheid van het interne recht van elke lidstaat om de contractuele gevolgen van de niet-nakoming van deze verplichtingen vast te stellen, met inachtneming van het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel.”
57.
Het antwoord op de vierde vraag zou dan ook moeten luiden dat het een aangelegenheid is van het interne recht van elke lidstaat om – met inachtneming van het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel – de contractuele gevolgen vast te stellen in het geval dat een beleggingsonderneming niet aan de beoordelingsvereisten van artikel 19, leden 4 en 5, van richtlijn 2004/39 voldoet.
58.
Niettegenstaande de voorgaande subsidiaire opmerkingen moet het verzoek om een prejudiciële beslissing naar mijn mening niet-ontvankelijk worden verklaard.
VI – Conclusie
59.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging het verzoek van de Ráckevei Járásbíróság om een prejudiciële beslissing in zaak C‑312/14 niet-ontvankelijk te verklaren.
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
( 2 ) Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van richtlijn 93/22/EEG van de Raad, PB L 145 blz. 1.
( 3 ) Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad, PB L 133 blz. 66. Duidelijk is daarentegen dat richtlijn 2014/17/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB L 60 blz. 34), die een hoofdstuk over leningen in vreemde valuta bevat, in dit geval niet van toepassing is.
( 4 ) Dit geldt onverminderd de voor de intrekking van de vergunning geldende procedures en onverminderd het recht van de lidstaten tot het opleggen van strafrechtelijke sancties.
( 5 ) A Magyar Köztársaság Polgári Törvénykönyvről szoló 1959. évi IV. (Ptk.).
( 6 ) Zie beschikking Herrenknecht, C‑366/14, EU:C:2014:2353, punten 14, 15 en 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
( 7 ) PB 2012, C 338, blz. 1.
( 8 ) Beschikking in de zaak Talasca (C‑19/14, EU:C:2014:2049), punt 20en aldaar aangehaalde rechtspraak.
( 9 ) Ibidem, punt 21.
( 10 ) Volledigheidshalve merk ik op dat er een korte omschrijving wordt gegeven van de afwijkende standpunten van de partijen ten aanzien van het betrokken juridische probleem, inclusief een uiterst summiere verwijzing naar hun tegenstrijdige zienswijzen over de toepasselijkheid van richtlijn 2004/39. Ook is in het document een korte samenvatting van enkele kennelijk relevante bepalingen van Hongaars recht te vinden is, maar dat is alles.
( 11 ) Volgens de opmerkingen van de schuldenaars gaat het in het hoofdgeding kennelijk om de terugvordering van de lening door de bank. Márton Lantos is hoofdschuldenaar, maar ook Mártonne Lantos is door de bank in rechte betrokken op basis van nationale bepalingen inzake de hoofdelijke aansprakelijkheid van echtgenoten voor krediet met betrekking tot huwelijksgoederen. In hun opmerkingen is ook een beschrijving van de contractuele bedingen te vinden, met slechts een korte bespreking van de relevante clausules van de leningsovereenkomst. Deze overeenkomst is als bijlage bij de schriftelijke opmerkingen van de schuldenaars gevoegd.
( 12 ) Hoewel in de verwijzingsbeslissing niet is vermeld om welke vreemde valuta het gaat, betrof het volgens verschillende schriftelijke opmerkingen een overeenkomst in Zwitserse franken.
( 13 ) Persoonlijk begrijp ik niet goed waarom de schuldenaars een lening van de bank nodig hadden, terwijl zij dat bedrag in Zwitserse franken aan de bank konden verkopen. In de verwijzingsbeslissing staat het volgende: „[Nadien] heeft de bank van de cliënt die [...] vreemde valuta gekocht”. Aan de hand van het nationale dossier merkt de Commissie echter op dat een lening in Zwitserse franken is gesloten, die is uitgekeerd en moet worden terugbetaald in Hongaarse forinten. Volgens de opmerkingen van de schuldenaars gaat het bij deze constructie in elk geval gedeeltelijk om een instrument voor belegging in Zwitserse franken.
( 14 ) Ik merk op dat het rechtskader in de schriftelijke opmerkingen van Hongarije in meer detail is beschreven dan in de verwijzingsbeslissing. De Hongaarse regering acht het prejudiciële verzoek echter niet-ontvankelijk, onder meer vanwege de onduidelijkheid op het punt van de relevantie van de daarin aangehaalde nationale bepalingen.
( 15 ) Zie artikel 4, punt 6, van wet CXXXVIII van 2007, die op 1 december 2007 in werking is getreden en waarbij richtlijn 2004/39 in Hongaars recht is omgezet (a befektetési vállalkozásokról és az árutőzsdei szolgáltatókról, valamint az általuk végezhető tevékenységek szabályairól szóló 2007. évi CXXXVIII. Törvény).
( 16 ) In de schriftelijke opmerkingen van verweerders in het hoofdgeding staat dat Márton Lantos op 11 juni 2008 bij de bank een in Zwitserse franken luidende consumentenkredietovereenkomst heeft gesloten voor de financiering van de aankoop van een motorvoertuig.
( 17 ) Advocaat-generaal Wahl lichtte (in voetnoot 2 van de conclusie) nog toe dat volgens de verwijzende rechter in die zaak het uitstaande bedrag van de door de Hongaarse huishoudens bij kredietinstellingen opgenomen leningen volgens de door Magyar Nemzeti Bank (Hongaarse nationale bank) met betrekking tot het tweede halfjaar van 2012 verstrekte gegevens 32,56 % van het bruto nationaal product bedroeg. De op basis van een vreemde valuta verstrekte leningen, zoals de in het hoofdgeding in de zaak Kásler litigieuze, vormen 18,54 % van het bruto nationaal product, ofwel een bedrag van 5289 miljard Hongaarse forint (HUF). Wat meer in het bijzonder de in Zwitserse franken (CHF) luidende kredieten betreft, zij zouden niet alleen in Hongarije, maar eveneens in andere lidstaten, met name in Polen en in Kroatië, op grote schaal zijn aangeboden.
( 18 ) Zie onder andere initiatievenwet LXXV van juni 2011 inzake de vaststelling van de wisselkoers voor de berekening van instrumenten van in vreemde valuta luidende hypotheekleningen en de gedwongen verkoop van voor bewoning bestemde onroerende goederen, decreet nr. 341/2011 van de regering inzake subsidiëring van de rente op leningen voor woningen, en wet CLXXIII van 2013 inzake een systeem voor de begrenzing van wisselkoersen.
( 19 ) Proctor, Ch., Kleiner, C., Mohs, Fl., (red.), Mann on the Legal Aspect of Money, 7e druk, Oxford University Press, Oxford 2012, blz. 127.
( 20 ) Proctor, Ch., op. cit., blz. 104. Volgens artikel 4, punt 28, van richtlijn 2014/17 is een „lening in vreemde valuta” een kredietovereenkomst waarbij het krediet hetzij uitgedrukt wordt in een andere valuta dan die waarin de consument het inkomen ontvangt of de activa aanhoudt waaruit de lening moet worden afgelost, hetzij uitgedrukt wordt in een andere valuta dan die van de lidstaat waar de consument verblijft.
( 21 ) In de verwijzingsbeslissing wordt verwezen naar verschillende nationale bepalingen inzake valutatermijntransacties op de parallelmarkt.
( 22 ) Zie de overwegingen 2 en 31 van richtlijn 2004/39.
( 23 ) Zie hierboven, punt 16. Verweerders in het hoofdgeding stellen bovendien dat de overeenkomst een gecombineerde overeenkomst is, die enerzijds een kredietovereenkomst omvat en anderzijds een valutatermijntransactie met een verlegging van het wisselkoersrisico, waarbij deze laatste elementen financiële diensten inzake financiële instrumenten vertegenwoordigen.
( 24 ) Zoals Duitsland opmerkt, is er in het Unierecht niet een enkele juridisch bindende definitie van afgeleide instrumenten, maar verwijzen veel rechtsinstrumenten van de Unie naar het begrip. In de financiële en economische literatuur zijn vele definities te vinden. Volgens de door het Internationaal Monetair Fonds vastgestelde definities, bijvoorbeeld, zijn er „twee algemene soorten financiële derivaten. In een termijncontract, dat onvoorwaardelijk is, stemmen twee tegenpartijen in met de uitwisseling van een bepaalde hoeveelheid van een onderliggende (tastbare of financiële) zaak tegen een overeengekomen prijs (de uitoefenprijs) op een bepaalde datum. In een optiecontract verwerft de koper van de verkoper het recht op aankoop of verkoop (naargelang het een calloptie of een putoptie is) van een bepaalde onderliggende zaak tegen een uitoefenprijs op of voor een bepaalde datum. Anders dan bij schuldinstrumenten komen uit financiële derivaten geen beleggingsopbrengsten voort en worden ook geen terug te betalen hoofdsommen betaald.” Zie punt FD3 van Financial Derivatives. A Supplement to the fifth edition (1993) of the Balance of Payments Manual, International Monetary Fund, 2000, te raadplegen via .
( 25 ) Indien A aan B een lening verstrekt van 100000 euro (money of account), terug te betalen in Amerikaanse dollars (money of payment) tegen de koers die geldt op de datum van betaling, moet B 100000 dollar terugbetalen indien de koers op die datum 1 US dollar/euro bedraagt, maar 120000 dollar indien de koers 1,2 US dollar/euro bedraagt. Indien A en B in de leningsovereenkomst overeenkomen dat de koers die voor terugbetaling geldt 1,2 US dollar/euro is, ongeacht de koers die op die datum van toepassing is, hetgeen juridisch neerkomt op een valutatermijntransactie, heeft de valutatermijntransactie-clausule op de dag van terugbetaling een waarde van nul dollar indien de actuele koers 1,2 US dollar/euro is (omdat 100000 euro gelijk is aan 120000 dollar). Is echter de koers op die datum 1 US dollar/euro, dan heeft het termijntransactiedeel van de overeenkomst een afzonderlijke waarde van 20000 euro/dollar, omdat de schuldeiser naast de hoofdsom van 100000 euro (equivalent aan de door de schuldenaar te betalen 100000 dollar) nog 20000 dollar (een equivalent bedrag in euro) ontvangt, zijnde het verschil tussen de overeengekomen koers en de actuele koers.
( 26 ) Ervan uitgaande dat er geen beperkingen zijn met betrekking tot kapitaalbewegingen of valutacontroles.
( 27 ) Het beschermt de schuldeiser echter niet tegen de devaluatie van de betrokken vreemde valuta ten opzichte van de nationale munteenheid.
( 28 ) Artikel 4 van richtlijn 2008/48 voorziet in uitgebreide verplichtingen ten aanzien van reclame. De artikelen 5 en 6 zien op de verplichtingen ten aanzien van de informatie die aan de consument moet worden verstrekt voordat een kredietovereenkomst wordt aangegaan. Deze informatie omvat met name de voorwaarden die de toepassing van de rentevoet regelen [artikel 5, lid 1, onder f)]; de verplichting tot het sluiten van een overeenkomst voor nevendiensten om het krediet, op de geadverteerde voorwaarden, te verkrijgen [artikel 5, lid 1, onder k)]. Tot slot verlangt artikel 8 van schuldeisers dat zij de kredietwaardigheid van consumenten beoordelen voordat zij met hen een overeenkomst sluiten.
Full & Egal Universal Law Academy