CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. CRUZ VILLALÓN
van 3 september 2015 ( 1 )
Zaak C‑440/14 P
National Iranian Oil Company (NIOC)
tegen
Raad
„Hogere voorziening — Beperkende maatregelen ten aanzien van Iran — Lijst van personen en entiteiten die onderworpen zijn aan de bevriezing van tegoeden en financiële middelen — Naam van rekwirante op de lijst geplaatst — Rechtsgrondslag — Artikel 215 VWEU — Artikel 291, lid 2, VWEU — Exceptie van onwettigheid — Belang bij hogere voorziening”
1.
Met deze hogere voorziening komt National Iranian Oil Company (NIOC) op tegen het arrest van het Gerecht houdende afwijzing van het verzoek van rekwirante om onwettigverklaring van haar plaatsing op de lijst van personen en entiteiten wier tegoeden zijn bevroren vanwege hun steun aan een regering ten aanzien waarvan in het kader van door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties vastgestelde resoluties beperkende maatregelen zijn vastgesteld. Rekwirante, een Iraans overheidsbedrijf dat actief is in de olie- en gassector, voert tegen die beperkende maatregel zes middelen aan. Deze betreffen in wezen enerzijds de onjuistheid van de rechtsgrondslag op grond waarvan de Raad de bepaling heeft vastgesteld waarbij die maatregel aan rekwirante is opgelegd, en anderzijds de onnauwkeurigheid en het gebrek aan concretisering van het criterium dat voor de toepassing ervan is gebruikt.
2.
Het Hof heeft in deze context de gelegenheid om te verhelderen, wanneer een beperkende maatregel wordt betwist, onder welke voorwaarden een beroep op procedurefouten of de aantasting van rechten van derden mogelijk is om de onwettigheid van de algemene bepaling waarop die maatregel berust aan de orde te stellen.
3.
Het Hof heeft hier bovendien de gelegenheid om zijn nog niet helemaal uitgerijpte rechtspraak op het gebied van de in artikel 291 VWEU geregelde uitvoeringsbevoegdheid verder te ontwikkelen, in dit geval ten opzichte van de aan de Raad in artikel 215 VWEU toegekende bevoegdheid.
I – Feiten en toepasselijke bepalingen
4.
Bij resolutie 1929 (2010) van 9 juni 2010 breidde de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties de omvang van de bij de resoluties 1737 (2006), 1747 (2007) en 1803 (2008) door die Veiligheidsraad vastgestelde beperkende maatregelen uit, en stelde de Veiligheidsraad ten aanzien van de Islamitische Republiek Iran aanvullende beperkende maatregelen vast.
5.
Op 17 juni 2010 deed de Europese Raad aan de Raad van de Europese Unie het verzoek om de voor de uitvoering van de maatregelen van resolutie 1929 (2010) noodzakelijke maatregelen vast te stellen, en ook flankerende maatregelen te nemen om bij te dragen tot het via onderhandelingen wegnemen van de zorgpunten inzake de ontwikkeling door Iran van technologieën op het gebied van zijn nucleaire en ballistische programma’s.
6.
De Raad stelde op 26 juli 2010 besluit 2010/413/GBVB vast betreffende beperkende maatregelen tegen Iran en tot intrekking van Gemeenschappelijk Standpunt 2007/140/GBVB. ( 2 ) In bijlage II bij dat besluit waren de namen vermeld van de personen en entiteiten – met uitzondering van de personen en entiteiten die op de lijst van de Verenigde Naties voorkwamen – wier tegoeden en economische middelen werden bevroren.
7.
Dit besluit werd op 23 januari 2012 gewijzigd bij besluit 2012/35/GBVB ( 3 ), in overweging 13 waarvan wordt verklaard: „[d]e toegangsbeperkingen en de bevriezing van tegoeden en economische middelen moeten worden uitgebreid tot andere personen en entiteiten die de regering van Iran steun verlenen voor proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten of de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens, met name personen en entiteiten die de Iraanse regering financiële, logistieke of materiële steun verlenen”.
8.
Overeenkomstig artikel 1, punt 7, onder a), ii), van besluit 2012/35 werd aan artikel 20, lid 1, van besluit 2010/413 een punt c) toegevoegd, dat de bevriezing van tegoeden voorzag van „andere, niet onder bijlage I vallende personen en entiteiten die de regering van Iran ondersteunen en personen en entiteiten die banden met hen hebben, die op de lijst in bijlage II vermeld zijn”.
9.
De Raad stelde op 23 maart 2012 verordening (EU) nr. 267/2012 vast ( 4 ), waarvan artikel 23, lid 2, de bevriezing voorziet van tegoeden van de in bijlage IX vermelde personen, entiteiten en lichamen van wie is vastgesteld dat zij „d) andere personen, entiteiten of lichamen zijn die steun verlenen aan de regering van Iran, zoals materiële, logistieke of financiële steun, of er banden mede onderhouden”.
10.
Artikel 46, lid 2, van die verordening bepaalt: „[i]ndien de Raad besluit een natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam aan de in artikel 23, leden 2 en 3, bedoelde maatregelen te onderwerpen, wijzigt hij bijlage IX dienovereenkomstig”.
11.
Op 15 oktober 2012 stelde de Raad besluit 2012/635/GBVB vast ( 5 ) (hierna: „bestreden besluit”). In overweging 16 van dit besluit is gesteld dat „bijkomende personen en entiteiten [moeten] worden opgenomen in de lijst van personen en entiteiten die zijn onderworpen aan de beperkende maatregelen als bedoeld in bijlage II bij besluit 2010/413/GBVB, met name entiteiten die eigendom zijn van de Iraanse staat en die actief zijn in de olie-en-gas-sector, aangezien deze entiteiten een substantiële bron van inkomsten vormen voor de Iraanse regering”.
12.
Bij artikel 1, punt 8, onder a), van het bestreden besluit is artikel 20, lid 1, onder c), van besluit 2010/413 aldus gewijzigd, dat deel uitmaken van de groep personen op wie de beperkende maatregelen van toepassing zijn: „andere niet onder bijlage I vallende personen of entiteiten die de regering van Iran steun bieden en entiteiten die eigendom zijn of onder zeggenschap staan van deze of aan hen geassocieerde personen of entiteiten, als opgesomd in bijlage II”.
13.
Bij artikel 2 van het bestreden besluit is de naam van rekwirante toegevoegd aan tabel I van bijlage II bij besluit 2010/413, getiteld „Personen en entiteiten die betrokken zijn bij nucleaire activiteiten of activiteiten met betrekking tot ballistische raketten en personen en entiteiten die de regering van Iran steunen”, en is bij haar inschrijving vermeld: „Entiteit die eigendom is van de overheid en door de overheid wordt geëxploiteerd; verstrekt financiële middelen aan de regering van Iran. De minister van Olie is voorzitter van de raad van bestuur van de NIOC en de viceminister van Olie is directeur van de NIOC”.
14.
Op diezelfde 15 oktober 2012 stelde de Raad uitvoeringsverordening (EU) nr. 945/2012 (hierna: „bestreden uitvoeringsverordening”) ( 6 ) vast, houdende uitvoering van verordening nr. 267/2012.
15.
Bij artikel 1 van de bestreden uitvoeringsverordening is de naam van rekwirante toegevoegd aan de tabel van bijlage IX bij verordening nr. 267/2012, waarin zijn opgenomen „[b]ij nucleaire activiteiten en activiteiten in verband met ballistische raketten betrokken personen en entiteiten, en personen en entiteiten die de regering van Iran steunen”, en is bij haar inschrijving vermeld: „Entiteit die eigendom is van de overheid en door de overheid wordt geëxploiteerd; verstrekt financiële middelen aan de regering van Iran. De minister van Olie is voorzitter van de raad van bestuur van de NIOC en de viceminister van Olie is directeur van de NIOC”.
16.
Het bestreden besluit en de bestreden uitvoeringsverordening werden op 16 oktober 2012 betekend aan rekwirante, die op 26 december 2012 bezwaar maakte tegen haar inschrijving en de Raad verzocht zijn besluit te herzien. Rekwirante verzocht tevens om overlegging van het complete dossier op grond waarvan het bestreden besluit en de bestreden uitvoeringsverordening waren genomen, inclusief de bewijsstukken die de basis voor de plaatsing op de lijst vormden en de namen van de staten die het voorstel daartoe hadden gedaan.
17.
Bij brief van 12 maart 2013 deed de Raad aan rekwirante een afschrift toekomen van A) de door vier lidstaten ingediende voorstellen voor plaatsing op de lijst; B) de notulen van de bijeenkomst van de raadswerkgroep „COMEM” (Midden-Oosten/Golf) van 9 oktober 2012; C) de aantekeningen van 11 en 12 oktober 2012 van het Secretariaat-Generaal van de Raad aan het Comité van permanente vertegenwoordigers (Coreper)/Raad en die van 12 oktober 2012 van Coreper aan de Raad.
18.
De Raad onthulde niet de identiteit van de lidstaten die het voorstel hadden ingediend, maar gaf aan dat het voorstel met eenparigheid van stemmen was aangenomen.
19.
Rekwirante stelde daarop bij het Gerecht een beroep tot nietigverklaring van het bestreden besluit en de bestreden uitvoeringsverordening in op grond van gebrekkige motivering, ontbreken van een rechtsgrondslag, onwettigheid, onjuiste rechtsopvatting, feitelijke vergissingen en beoordelingsfouten, schending van de rechten van de verdediging, van een goede rechtsbedeling en van een effectieve rechterlijke bescherming, alsook van het evenredigheidsbeginsel en het recht op eigendom.
20.
Het Gerecht heeft dit beroep verworpen bij arrest van 16 juli 2014. ( 7 )
II – Bestreden arrest
21.
Het Gerecht heeft de verschillende door rekwirante aangevoerde middelen samengevoegd tot een totaal van zes middelen. Met betrekking tot het eerste middel (gebrekkige motivering vanwege het ontbreken van een rechtsgrondslag), dat in de punten 39 tot en met 44 van het bestreden arrest is onderzocht, is het Gerecht van mening dat met de vermelding van artikel 46, lid 2, van verordening nr. 267/2012 in de litigieuze uitvoeringsverordening is voldaan aan de vereiste vermelding van de rechtsgrondslag op basis waarvan de Raad de verordening kon vaststellen.
22.
Het ontbreken van een rechtsgrondslag, zoals in het tweede middel gesteld, is door het Gerecht besproken in de punten 46 tot en met 86 van het bestreden arrest. In die punten is de regelmatigheid van voornoemd artikel 46, lid 2, van verordening nr. 267/2012 met betrekking tot artikel 215 VWEU en artikel 291, lid 2, VWEU onderzocht, met als conclusie dat de maatregelen tot bevriezing van tegoeden op basis van laatstgenoemd artikel konden worden vastgesteld en dat in casu aan de relevante voorwaarden voor de toekenning van uitvoeringsbevoegdheden aan de Raad was voldaan.
23.
Aan het derde middel, ontleend aan de onwettigheid van artikel 20, lid 1, onder c), van besluit 2010/413, en artikel 23, lid 2, onder d), van verordening nr. 267/2012, zijn de punten 90 tot en met 132 van het bestreden arrest gewijd. In die punten wijst het Gerecht achtereenvolgens van de hand dat sprake is geweest van schending van de waarden van de rechtsstaat, het eigendomsrecht en het evenredigheidsbeginsel, of van de gestelde incoherentie van de formulering van het litigieuze criterium in de toepasselijke wetgeving.
24.
Het vierde middel, waarin het Gerecht de twee door rekwirante aangevoerde juridische gebreken, een feitelijke onjuistheid en een beoordelingsfout heeft gegroepeerd, is op grond van de in de punten 134 tot en met 148 van het bestreden arrest uiteengezette redenen verworpen. Volgens het Gerecht is geen sprake van de door rekwirante gestelde onjuiste uitlegging van artikel 20, lid 1, onder c), van besluit 2010/413, ook niet van een feitelijke onjuistheid bij de vaststelling dat rekwirante een door de Iraanse Staat beheerde entiteit is, en evenmin van een beoordelingsfout bij de conclusie dat rekwirante vanwege dat beheer door de Iraanse autoriteiten de Iraanse regering van financiële middelen heeft voorzien.
25.
In het vijfde middel zijn de grieven betreffende de schending van de motiveringsplicht, de rechten van de verdediging, van een goede rechtsbedeling en van een effectieve rechtsbescherming bijeengebracht. Al deze grieven zijn door het Gerecht afgewezen in de punten 151 tot en met 166 van het bestreden arrest; deels omdat het om een herhaling van reeds afgewezen middelen gaat, en deels op grond dat de gegevens die de plaatsing van rekwirante op de betrokken lijsten rechtvaardigden in de litigieuze handelingen duidelijk zijn vermeld en ook afdoende zijn gemotiveerd.
26.
Het zesde en laatste middel betreft de vermeende schendingen van het evenredigheidsbeginsel en het eigendomsrecht. In de punten 173 tot en met 177 van het bestreden arrest maakt het Gerecht duidelijk dat de betreffende grief een herhaling vormt van andere reeds afgewezen grieven en dat de onevenredigheid van de litigieuze maatregelen niet kon worden gestaafd met een beroep op gebeurtenissen die ná de vaststelling daarvan hebben plaatsgevonden.
III – Hogere voorziening en procedure bij het Hof
27.
De hogere voorziening bestaat uit zes middelen, ten aanzien waarvan de Raad en de Commissie op de in hun respectieve schriftelijke opmerkingen vermelde gronden tot afwijzing concluderen.
28.
NIOC, de Raad en de Commissie zijn verschenen ter terechtzitting van 28 april 2015, waar het Hof hen heeft verzocht de volgende vragen te beantwoorden: a) Eventuele relevantie, wat de uitvoeringsbevoegdheid van de Raad betreft, van de artikelen 24 en 26 VEU, genoemd in artikel 291, lid 2, VWEU. b) Eventuele relevantie voor het geschil van overweging 15 van verordening (EU) nr. 961/2010 ( 8 ) inzake de bevoegdheid van de Raad om de lijsten te wijzigen. c) Eventuele weerslag van de omstandigheid dat de bevoegdheid van de Raad van artikel 46, lid 2, van verordening nr. 267/2012 is voorgesteld door de Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger, gezien het voorbehoud van het Gerecht in het arrest van 4 februari 2014, Syrian Lebanese Commercial Bank/Raad ( 9 ), betreffende de vraag of verzoekster wel een middel kan aanvoeren dat in wezen een inbreuk op de prerogatieven van het Europees Parlement betreft. d) Noodzaak, voor de verdediging van de belangen van rekwirante in de context van artikel 277 VWEU, van een beroep op de grondrechten van derden, gelet op het arrest Wöhrmann en Lütticke/Commissie. ( 10 )
A – Middelen en antwoord van de Raad
1. Eerste middel
29.
NIOC stelt om te beginnen dat in verordening nr. 267/2012 niet naar behoren de rechtsgrondslag is vermeld op basis waarvan de Raad bevoegd is om de litigieuze uitvoeringsverordening vast te stellen, voorzover in artikel 46, lid 2, van die verordening niet is bepaald welke rechtsvorm de wijziging van bijlage IX ervan moet hebben. Het Gerecht heeft daarom blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door vast te stellen dat in de litigieuze uitvoeringsverordening met de verwijzing naar die bepaling nauwkeurig is aangegeven wat daarvan de rechtsgrondslag vormt.
30.
De Raad meent daarentegen, met het Gerecht, dat de in artikel 46, lid 2, van verordening nr. 267/2012 vervatte bevoegdheid de relevante rechtsgrondslag van de litigieuze uitvoeringsverordening vormt, waarmee aan de motiveringsplicht van artikel 296 VWEU is voldaan. De verwijzing in de eerste alinea van dit artikel naar welke „soort van handeling moet worden vastgesteld” moet aldus worden uitgelegd dat als rechtsgrondslag alleen die bepalingen kunnen worden gebruikt, die een of meerdere instellingen de bevoegdheid verlenen om op een bepaald gebied op te treden en de voor de vaststelling van de daarmee samenhangende handelingen te volgen procedure preciseren, zonder dat concreet de rechtsvorm daarvan behoeft te worden gespecificeerd.
2. Tweede middel
31.
Met een eerste onderdeel van het tweede middel stelt rekwirante dat volgens het arrest van het Hof van 19 juli 2012 ( 11 ) alleen artikel 215, lid 2, VWEU de rechtsgrondslag voor de vaststelling van individuele beperkende maatregelen kan vormen.
32.
De Raad brengt daartegen in dat de verwijzing naar dat arrest voor de beslechting van dit geschil irrelevant is, omdat aldaar de vraag aan de orde was of beperkende maatregelen ter bestrijding van het terrorisme vastgesteld moesten worden op basis van artikel 75 VWEU, dan wel of dit ook mogelijk was op basis van artikel 215, lid 2, VWEU, waarbij het Hof deze laatste mogelijkheid aanvaardde. Voor het overige onderschrijft de Raad het antwoord van het Gerecht ter zake in punt 54 van het bestreden arrest.
33.
Met het tweede onderdeel stelt rekwirante, wederom onder verwijzing naar voornoemd arrest Parlement/Commissie, dat de procedures van artikel 215 VWEU en artikel 291 VWEU (uitvoeringshandelingen) onverenigbaar zijn.
34.
De Raad blijft erbij dat genoemd arrest irrelevant is, en stelt dat niet kan worden aanvaard dat het zonder onderscheid toepassen van beide procedures zou inhouden dat de personen en entiteiten die onderworpen zijn aan ingevolge artikel 215 VWEU vastgestelde beperkende maatregelen een waarborg genieten (in de vorm van de eis dat de handeling die hen aan die maatregelen onderwerpt het resultaat moet zijn van een gezamenlijk voorstel van de Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger) die niet geldt voor degenen die aan een op grond van artikel 291, lid 2, VWEU vastgestelde beperkende maatregel onderworpen zijn. Met het verschil in procedures beoogt men immers niet de adressaten van de betrokken handelingen waarborgen te bieden, maar het bij de Verdragen aan de Commissie en aan de Hoge Vertegenwoordiger toegekende initiatiefrecht te garanderen.
35.
Het derde onderdeel, dat subsidiair van aard is, gaat in op de redenen die aan het gebruik van artikel 291 VWEU in de weg staan. Volgens rekwirante kan het niet zo zijn dat artikel 291, lid 2, VWEU, de Raad voor de vaststelling van beperkende maatregelen een aanvullende rechtsgrond kan bieden buiten die van artikel 215 VWEU. Rekwirante voert twee redenen aan die zich tegen gebruikmaking van artikel 291, lid 2, VWEU zouden verzetten. Ten eerste voorziet deze bepaling een uitzondering op de principiële bevoegdheid van de lidstaten als bedoeld in lid 1, zodat een strikte uitlegging ervan geboden is. Ten tweede betwist rekwirante het gestelde in punt 55 van het bestreden arrest, te weten dat de procedure van artikel 215 VWEU ongeschikt kan zijn voor de vaststelling van loutere uitvoeringsmaatregelen en dat artikel 291, lid 2, VWEU uitdrukking geeft aan de intentie van de auteurs van het Verdrag om in een meer doeltreffende uitvoeringsprocedure te voorzien, die beantwoordt aan het soort maatregel dat moet worden uitgevoerd.
36.
Volgens de Raad geeft rekwirante een onjuiste uitlegging aan punt 55 van het bestreden arrest door te concluderen dat om redenen van efficiëntie een beroep op artikel 291, lid 2, VWEU kan worden gedaan. Hoe het ook zij, de redenering van het Gerecht in dat punt dient slechts ter aanvulling en is daarmee irrelevant in de context van deze hogere voorziening. De Raad betwist bovendien de stelling van NIOC dat artikel 291, lid 2, VWEU een uitzondering vormt op het in lid 1 van dat artikel neergelegde beginsel van uitvoeringsbevoegdheid van de lidstaten.
3. Derde middel, subsidiair
37.
Subsidiair, voor het geval dat het Hof van oordeel is dat voor de vaststelling van individuele beperkende maatregelen wel een beroep op artikel 291, lid 2, VWEU kan worden gedaan, voert rekwirante een derde middel aan dat uit twee onderdelen bestaat, waarin zij vasthoudt aan de ongeldigheid van artikel 291 VWEU voor de vaststelling van de litigieuze uitvoeringsverordening. Zij stelt in dat verband dat de ingevolge artikel 215 VWEU vastgestelde beperkende maatregelen, die zelf uitvoeringsmaatregelen zijn, geen uitvoeringsmaatregel vereisen. Dit zou blijken uit de in de bijlage bij verordening nr. 267/2012 opgenomen lijst, die is vastgesteld op basis van artikel 215 VWEU.
38.
Met het eerste onderdeel, waarin rekwirante verwijst naar de twee situaties die in artikel 291, lid 2, VWEU zijn voorzien, maakt zij enerzijds geldend dat verordening nr. 267/2012 niets van doen heeft met de artikelen 24 en 26 VEU – waarbij nog komt dat besluit 2013/35 is vastgesteld op basis van artikel 29 VEU – en anderzijds dat het beroep op artikel 291 VWEU in casu niet „naar behoren met redenen omkleed” is.
39.
Anders dan NIOC stelt, is de Raad van mening dat de verplichting om de toekenning van een uitvoeringsbevoegdheid aan de Raad ex artikel 291, lid 2, VWEU te motiveren slechts uitdrukking geeft aan de algemene motiveringsplicht van artikel 296 VWEU.
40.
Met het tweede onderdeel betwist rekwirante dat overweging 28 en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 267/2012, zoals het Gerecht heeft gesteld, rechtvaardigen dat de beperkende maatregelen tot de uitvoeringsbevoegdheid van de Raad ex artikel 291, lid 2, VWEU behoren.
41.
De Raad verdedigt de uitlegging van het Gerecht en verwijst verder nog naar overweging 11 en volgende van verordening nr. 267/2012.
4. Vierde middel, subsidiair
42.
Eveneens subsidiair, voor het geval dat het Hof het gebruik van artikel 291 VWEU rechtmatig acht, voert rekwirante aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat aan de Raad in artikel 46, lid 2, van verordening nr. 267/2012 de bevoegdheid is voorbehouden om de bepalingen van artikel 23, leden 2 en 3, van die verordening ten uitvoer te leggen, wat zou volstaan om aan de motiveringsplicht ten aanzien van de vermelding van haar rechtsgrondslag te voldoen. Volgens rekwirante bevat verordening nr. 267/2012 geen enkele verwijzing naar artikel 291 VWEU, zodat noodzakelijkerwijs wordt terugverwezen naar artikel 215, lid 2, VWEU.
43.
De Raad stelt dat het Gerecht zich heeft gehouden aan de rechtspraak van het Hof volgens welke het ontbreken van een vermelding van de rechtsgrondslag niet automatisch een schending van de motiveringsplicht impliceert, en bestaat in casu geen enkele twijfel erover dat de Raad zich in artikel 46, lid 2, van verordening nr. 267/2012 een uitvoeringsbevoegdheid op het gebied van individuele beperkende maatregelen heeft voorbehouden.
5. Vijfde middel, subsidiair
44.
Eveneens subsidiair voert rekwirante aan dat het Gerecht verder blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Raad zijn motiveringsplicht niet heeft geschonden door artikel 291 VWEU niet te noemen.
45.
De Raad wijst wederom slechts op de rechtspraak met betrekking tot de mogelijkheid dat de verwijzing naar de rechtsgrondslag niet per se expliciet hoeft te zijn.
6. Zesde middel
46.
Rekwirante stelt met het eerste onderdeel van het zesde middel dat sprake is van een onjuiste rechtsopvatting doordat het Gerecht heeft geconcludeerd dat de aan de Raad verleende bevoegdheid noch arbitrair noch discretionair is, een conclusie die het zou hebben bereikt door „herformulering” van artikel 23, lid 2, onder d), van verordening nr. 267/2012.
47.
De Raad betwist dat het Gerecht de betrokken bepaling heeft „geherformuleerd” en gaat in op de redenen waarom het bestreden arrest in zijn optiek niet in de door rekwirante gestelde zin kan worden uitgelegd.
48.
Met het tweede onderdeel betoogt rekwirante dat de „herformulering” van artikel 23, lid 2, onder d), van verordening nr. 267/2012 de rechten van de verdediging heeft aangetast.
49.
De Raad benadrukt dat het Gerecht het in dat artikel vervatte criterium niet heeft geherformuleerd.
50.
Met het derde onderdeel, tot slot, stelt rekwirante dat het Gerecht zichzelf heeft tegengesproken door enerzijds te stellen dat het litigieuze criterium betrekking heeft op vormen van steun die vanwege hun kwantitatieve of kwalitatieve belang bijdragen aan de voortzetting van Irans nucleaire activiteiten (punt 119 van het bestreden arrest), en anderzijds dat dit criterium betrekking heeft op iedere steun die, hoewel deze niet direct of indirect samenhangt met de ontwikkeling van nucleaire proliferatie, haar niettemin vanwege zijn kwantitatieve of kwalitatieve belang kan bevorderen (punt 140 van het bestreden arrest).
51.
Volgens de Raad is geen sprake van de gestelde tegenstrijdigheid, nu het Gerecht in punt 140 van het bestreden arrest de in de punten 119 tot en met 121 ontwikkelde redenering op synthetische wijze hervat.
B – Standpunt van de Commissie
52.
De Commissie heeft de eerste vijf middelen tezamen beantwoord. Naar haar mening is artikel 215 VWEU de bepaling die de juiste basis vormt voor de vaststelling van de litigieuze uitvoeringsverordening; niet artikel 291 VWEU, daar de handeling van de wetgever waarbij de uitvoeringsbevoegdheden zijn toegekend niet het doel van verordening nr. 267/2012 weerspiegelt, te weten Iran beperkende maatregelen opleggen. De Commissie wijst in dit verband op de talrijke voorbeelden van verordeningen waarbij aan de Commissie een uitvoeringsbevoegdheid is toegekend en waarbij in geen enkel geval artikel 291 VWEU als rechtsgrondslag is gegeven.
53.
Bovendien zouden de bepalingen van artikel 291 VWEU volgens de Commissie ook in de context van beperkende maatregelen kunnen worden toegepast, en wijst zij er in dit verband op dat de vaste praktijk van de Commissie bij gezamenlijke voorstellen krachtens artikel 215 VWEU erin bestaat dat een voorstel wordt gedaan voor de vaststelling van uitvoeringshandelingen tot wijziging van de bijlagen, inclusief die welke betrekking hebben op lijsten van personen wier tegoeden zijn bevroren.
54.
Ten aanzien van het zesde middel stelt de Commissie dat artikel 23, lid 2, onder d), van verordening nr. 267/2012 in zijn context moet worden gelezen en met inachtneming van het geheel van de toepasselijke wetgeving, zoals het Gerecht volgens de Commissie heeft gedaan, in welk geval men eenvoudig tot de conclusie komt dat het litigieuze criterium enkel ziet op de personen en entiteiten die de Iraanse regering steun van „kwantitatief en kwalitatief belang” bieden, zoals in het geval van rekwirante.
C – Conclusies van partijen
55.
NIOC verzoekt het Hof het bestreden arrest te vernietigen, de door rekwirante voor het Gerecht geformuleerde conclusies toe te wijzen en de Raad te verwijzen in de kosten van beide procedures.
56.
Zowel de Raad als de Commissie concluderen tot verwerping van het beroep en veroordeling van rekwirante in de kosten.
IV – Beoordeling
A – Inleiding
57.
NIOC is een Iraans staatsbedrijf dat actief is in de olie- en aardgassector. Haar tegoeden zijn ingevolge het litigieuze besluit en de litigieuze uitvoeringsverordening bevroren op 15 oktober 2012.
58.
De toepasselijke criteria voor plaatsing op de lijst van personen en entiteiten voor wie de bevriezing van tegoeden geldt, zijn in de loop van de tijd veranderd. Aanvankelijk moest men zich hebben beziggehouden met of direct betrokken zijn geweest bij de nucleaire activiteiten van Iran ( 12 ), een criterium dat voor het eerst werd verruimd in 2010 ( 13 ) en dat, voorzover hier van belang, in 2012 opnieuw werd verruimd bij verordening nr. 267/2012: artikel 23, lid 2, voorziet de bevriezing van tegoeden van de personen, entiteiten en lichamen die in bijlage IX zijn vermeld, van wie is vastgesteld dat zij: „d) andere personen, entiteiten of lichamen zijn die steun verlenen aan de regering van Iran, zoals materiële, logistieke of financiële steun, of er banden mede onderhouden”.
59.
Anderzijds bepaalt artikel 46, lid 2, van verordening nr. 267/2012: „[i]ndien de Raad besluit een natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam aan de in artikel 23, leden 2 en 3, bedoelde maatregelen te onderwerpen, wijzigt hij bijlage IX [van die verordening] dienovereenkomstig”.
60.
NIOC heeft bij het Gerecht een beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit en de litigieuze uitvoeringsverordening ingesteld, en het Gerecht verzocht verordening nr. 267/2012 in haar geval buiten toepassing te verklaren. Tegen de verwerping van haar beroep door het Gerecht heeft NIOC een hogere voorziening ingesteld, gegrond op zes middelen die, zoals de Commissie terecht stelt, in twee middelen kunnen worden gegroepeerd en die respectievelijk de rechtsgrondslag van de litigieuze uitvoeringsverordening (middelen een tot en met vijf) en de wettigheid van de verruiming van het plaatsingscriterium door besluit 2012/35 en verordening nr. 267/2012 (zesde middel) betreffen.
B – Ontvankelijkheid van de middelen
61.
Zoals ik al in punt 28 heb vermeld, heeft het Hof partijen ter terechtzitting verzocht verschillende vragen te beantwoorden. Twee van die vragen betreffen het belang dat NIOC moet hebben om die middelen ontleend aan de onwettigheid van verordening nr. 267/2012 te kunnen aanvoeren. Ter terechtzitting is met name gedebatteerd over de vraag of als middel ontvankelijk is: A) de vermeende schending van de bevoegdheid van de Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger om voorstellen te doen, of B) de schending van grondrechten van derden.
62.
Wat de eerste vraag betreft, te weten de mogelijkheid om de eventuele inbreuk op de bevoegdheid van de Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger om voorstellen te doen als middel aan te voeren, merkt de Raad op dat een eventuele fout in de aanduiding van de rechtsgrondslag alleen gevolgen zou hebben voor het evenwicht tussen de instellingen van de Unie, omdat de ratio van de verschillen tussen de procedures die in respectievelijk artikel 291 VWEU en artikel 215 VWEU zijn voorzien, is gelegen in een concrete definitie van de respectieve posities van de Raad, de Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken, die geen gevolgen heeft voor de bescherming van individuele rechten.
63.
Ten aanzien van de mogelijkheid om een beroep te doen op de rechten van derden, stelt de Raad dat, voorzover de betwisting door NIOC van de wettigheid van het plaatsingscriterium is gebaseerd op het argument dat de toepassing van dit criterium, zoals dit door de Uniewetgever is gedefinieerd, de rechten van derden zou aantasten, NIOC daarmee in werkelijkheid een toetsing in abstracto beoogt van de bepalingen die zij onwettig acht.
64.
Ik meen dat er geen reden is om de middelen niet-ontvankelijk te verklaren.
1. Belang van NIOC bij een beroep op de onwettigheid van verordening nr. 267/2012
65.
Het belang van NIOC – en daarmee haar legitimatie voor het aanvoeren van de concrete middelen waarop haar hogere voorziening berust – moet worden bezien aan de hand van de gevolgen die de vaststelling van de onwettigheid van verordening nr. 267/2012 kan hebben voor de geldigheid van het litigieuze besluit en de litigieuze uitvoeringsverordening. Kort gezegd, indien de onwettigheid van de verordening gevolgen heeft voor de geldigheid van het besluit en de uitvoeringsverordening, is NIOC bevoegd om in hogere voorziening die exceptie van onwettigheid op te werpen – ongeacht de gronden voor de onwettigheid. Voorzover hier van belang, of het nu om een formele of een procedurele onwettigheidsgrond gaat, of dat de voor ongeldigheid aangevoerde grond van doen heeft met de inhoud van de betrokken bepaling, is duidelijk dat NIOC geen beroep op de onwettigheid kan worden ontzegd dat, indien dit gegrond blijkt, zou leiden tot de niet-toepasselijkheid van de bepalingen en handelingen die haar zo onmiddellijk en rechtstreeks treffen als bij de litigieuze beperkende maatregelen het geval is.
66.
Ik heb de term „niet-toepasselijkheid” gecursiveerd, omdat dit is waar het hier feitelijk en exclusief om gaat. Het bepaalde in artikel 277 VWEU is glashelder: „[i]edere partij kan [...] naar aanleiding van een geschil waarbij een [...] handeling van algemene strekking in het geding is [...] voor het Hof [...] de niet-toepasselijkheid van deze handeling [inroepen]”. De niet-toepasselijkheid moet zijn gegrond op „de in artikel 263, tweede alinea, [VWEU] bedoelde middelen”, dat wil zeggen middelen ontleend aan de onwettigheid. Dergelijke onwettigheidsgronden resulteren in het geval van artikel 277 VWEU echter niet in de ongeldigheid of onwettigheid van de betrokken bepaling, maar enkel in de niet-toepasselijkheid ervan ad casum. ( 14 )
67.
Volgens de rechtspraak van het Hof kan de wettigheid van een verordening niet bij wege van incident worden betwist in de loop van een procedure tegen besluiten die geen toepassingsmaatregelen van die verordening zijn. ( 15 ) In het voorliggende geval correleert echter de geldigheid van de in de procedure bestreden bepalingen rechtstreeks met die van verordening nr. 267/2012, zodat het hier niet gaat om eenzelfde geval als in het arrest Raad/Chvatal e.a., waarin de ontvankelijkheid van de ambtenaren van het Hof om de wettigheid te betwisten van een verordening waarvan de werkingssfeer zich tot het Europees Parlement beperkte, werd afgewezen en die verordening dus, gesteld dat zij onwettig was, geen rechtsgrondslag kon opleveren voor de verzoeken van de ambtenaren in hogere voorziening. ( 16 )
68.
Zoals het Hof partijen duidelijk heeft gemaakt, heeft het Gerecht in de zaak Syrian Lebanese Commercial Bank/Raad niet zonder meer erkend dat „verzoekster [een bank waarin een derde land een belang heeft] een middel zou kunnen aanvoeren dat in wezen een inbreuk op de prerogatieven van het Parlement betreft”. ( 17 ) Deze mogelijkheid heeft het Hof echter als vanzelfsprekend aanvaard in geschillen waarin de discussie over de geschiktheid van de rechtsgrondslag die de basis vormt van de litigieuze wetgeving in wezen een probleem met betrekking tot het interinstitutionele evenwicht inhoudt, wat in beginsel geen verband houdt met het „subjectieve belang” van degene die de toepasselijkheid van die wetgeving ter discussie stelt. ( 18 )
69.
Het in de context van artikel 277 VWEU relevante subjectieve belang is er uitsluitend in gelegen dat een bepaling ten aanzien waarvan zich een onwettigheidsgrond voordoet buiten toepassing blijft, zodat zoals gezegd een beroep op de niet-toepasselijkheid in de zin van artikel 277 VWEU kan worden gedaan op grond van „de in artikel 263, tweede alinea, [VWEU] bedoelde middelen”, namelijk„onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van de Verdragen of van enige uitvoeringsregeling daarvan, dan wel wegens misbruik van bevoegdheid”. En dat is waar het uiteindelijk om gaat: niet om de verklaring dat de bepaling waartegen de exceptie van onwettigheid is gericht ongeldig is, maar om het buiten toepassing laten daarvan in het concrete geval van rekwirante op basis van een onwettigheidsgrond.
70.
In dit geval is duidelijk dat indien verordening nr. 267/2012 onwettig zou zijn doordat daarin aan de Raad in de in artikel 46, lid 2, voorziene termen de bevoegdheid is toegekend om bijlage IX bij de verordening te wijzigen, dit tot gevolg zou hebben dat de plaatsing van rekwirante op de in die bijlage opgenomen lijst niet de vereiste juridische dekking heeft en dus een gebrek vertoont dat in dit geval tot het buiten toepassing laten van die verordening zou moeten leiden, waarmee de plaatsing van NIOC op die lijst nietig zou zijn.
71.
De Raad heeft gelijk wanneer hij stelt dat het verschil tussen de rechtsgrondslag van artikel 215 VWEU en die van artikel 291, lid 2, VWEU zich beperkt tot een verschil in procedures waarvan de ratio in wezen is gelegen in de wens om, in het eerste geval, te waarborgen dat de Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger een recht van initiatief hebben. Dit betekent echter niet dat de keuze voor de ene of de andere rechtsgrondslag geen ander belang heeft dan hetwelk voortvloeit uit een eventuele aantasting van het interinstitutionele evenwicht dat het VWEU met de regeling van die twee normatieve procedures beoogt.
72.
Het lijdt geen enkele twijfel dat het gebruik van de procedure van artikel 291, lid 2, VWEU in een situatie waarin volgens het VWEU artikel 215 VWEU moet worden gevolgd, de onwettigheid van verordening nr. 267/2012 zou meebrengen en deze dus in het geval van rekwirante buiten toepassing zou moeten blijven, waardoor ook het besluit op grond waarvan zij op de lijst is geplaatst ongeldig zou zijn. Uitgedrukt in termen van belang ligt aan het belang van de Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger de eerbiediging van de Verdragen door verordening nr. 267/2012 ten grondslag, terwijl het belang van NIOC erin bestaat dat de verordening in haar geval juist vanwege de onwettigheid ervan buiten toepassing blijft. Het is dit laatste belang dat voor de toepassing van artikel 277 VWEU in feite relevant is, en dus het enige belang dat moet worden bekeken wat de ontvankelijkheid van de aan de onwettigheid van die verordening ontleende middelen aangaat.
2. Belang van NIOC bij een beroep op de onwettigheid van het criterium dat voor haar plaatsing op de litigieuze lijst is toegepast
73.
Wat de exceptie van niet-ontvankelijkheid betreft die is gebaseerd op het vermeende beroep op de belangen en rechten van derden, dat wil zeggen de betwisting door NIOC van de materiële inhoud van het criterium voor plaatsing op de litigieuze lijst, is het volgens mij duidelijk dat rekwirante in wezen alleen haar eigen rechten en belangen geldend maakt. NIOC doet geen beroep op het belang van de Iraanse burgers in het algemeen, maar betoogt onder verwijzing naar haar eigen specifieke belang als op de lijst vermelde vennootschap dat deze vermelding het gevolg is van de toepassing van een criterium op basis waarvan om het even wie op de lijst kan worden geplaatst.
74.
Aldus bezien, heeft de kwestie niet met de ontvankelijkheid van haar middel van doen, maar met de motivering daarvan ten gronde. Dat wil zeggen, met de reden die rekwirante kan hebben om te stellen dat het Gerecht het criterium van artikel 20, lid 1, onder c), van besluit 2010/413 en van artikel 23, lid 2, onder d), van verordening nr. 267/2012 heeft „geherformuleerd” en daarmee de – volgens rekwirante – primaire betekenis ervan, namelijk de intentie om in wezen de plaatsing op de lijst van een willekeurig Iraans individu of entiteit mogelijk te maken, heeft verdraaid.
75.
Ik ben daarom van mening dat alle door rekwirante aangevoerde middelen ontvankelijk zijn.
C – De verschillende middelen
1. Voorafgaande overwegingen
76.
Zoals ik in punt 60 heb opgemerkt, kunnen de zes middelen die rekwirante heeft aangevoerd op basis van hun inhoud worden onderverdeeld in twee groepen: enerzijds de middelen betreffende de rechtsgrondslag van de litigieuze uitvoeringsverordening (eerste tot en met vijfde middel); en anderzijds het zesde middel, waarmee de wettigheid van het voor de plaatsing van NIOC op de litigieuze lijst toegepaste criterium wordt betwist. Drie van deze middelen worden bovendien primair aangevoerd (eerste, tweede en zesde middel) en de overige drie subsidiair (derde, vierde en vijfde middel), enkel voor het geval dat het Hof net als het Gerecht van mening is dat de relevante rechtsgrondslag in dit geval die van artikel 291 VWEU is.
77.
Ten aanzien van de rechtsgrondslag van de litigieuze uitvoeringsverordening stelt NIOC dat artikel 46, lid 2, van verordening nr. 267/2012 in de eerste plaats zou moeten aangeven welke rechtsvorm het besluit van de Raad tot wijziging van de bijlage waarin de door de bevriezing van tegoeden getroffen personen is opgenomen moet hebben (eerste middel, dat een exceptie van onwettigheid ten aanzien van verordening nr. 267/2012 impliceert). Rekwirante betoogt voorts dat de betrokken maatregelen op artikel 215, lid 2, VWEU ( 19 ) en niet op artikel 291 VWEU ( 20 ) hadden moeten worden gebaseerd (tweede middel, dat is gericht tegen de litigieuze uitvoeringsverordening en dat eveneens een exceptie van onwettigheid ten aanzien van verordening nr. 267/2012 inhoudt).
78.
Rekwirante stelt ten slotte subsidiair dat indien het gebruik van artikel 291 VWEU wettig is, dit gemotiveerd had moeten worden (derde middel, waarin opnieuw naar de ongeldigheid van artikel 291 VWEU wordt verwezen; vierde en vijfde middel, die eveneens een exceptie van onwettigheid ten aanzien van verordening nr. 267/2012 inhouden).
79.
Wat de wettigheid van het toegepaste criterium betreft (zesde middel), voert rekwirante aan dat de normatieve definitie ervan veel te algemeen en onbepaald is, en het Gerecht bij de toepassing ervan op dit geval het criterium in feite heeft „geherformuleerd”.
2. Eerste middel: vermelding van de rechtsgrondslag
80.
Het eerste middel dat tegen verordening nr. 267/2012 is aangevoerd, ziet op het stilzwijgen van artikel 46, lid 2, van de verordening met betrekking tot de vorm die de besluiten tot wijziging van bijlage IX ervan moeten hebben, waardoor die bepaling ongeschikt zou zijn als rechtsgrondslag voor de litigieuze uitvoeringsverordening.
81.
In dat artikel is inderdaad alleen maar bepaald: „[i]ndien de Raad besluit een natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam aan de in artikel 23, leden 2 en 3, bedoelde maatregelen te onderwerpen, wijzigt hij bijlage IX dienovereenkomstig”.
82.
Zoals NIOC stelt, opent dit stilzwijgen de deur naar twee mogelijke rechtsvormen: a) een overeenkomstig artikel 215 VWEU vastgesteld besluit; b) een uitvoeringsverordening ex artikel 291 VWEU. In dit geval is uiteindelijk gekozen voor de vorm van een uitvoeringsverordening, vanuit de gedachte dat artikel 46, lid 2, van verordening nr. 267/2012 juist naar de procedure van artikel 291 VWEU kon verwijzen.
83.
In mijn optiek was die uitlegging van artikel 46, lid 2, van verordening nr. 267/2012 absoluut niet ongefundeerd, aangezien de in dat artikel aan de Raad toegekende bevoegdheid al eerder was neergelegd in andere bepalingen die in het kader van het beleid inzake de oplegging van beperkende maatregelen ten aanzien van Iran waren vastgesteld.
84.
Dit is het geval bij verordening (EG) nr. 423/2007 ( 21 ) en verordening (EU) nr. 961/2010. Zo bepaalde artikel 15, lid 2, van verordening nr. 423/2007: „[d]e Raad stelt de in artikel 7, lid 2, bedoelde lijst van personen, entiteiten en lichamen vast, en evalueert en wijzigt deze met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, geheel overeenkomstig de vaststellingen die de Raad doet ten aanzien van bijlage II van Gemeenschappelijk Standpunt 2007/140/GBVB. De lijst in bijlage V wordt met regelmatige tussenpozen en ten minste om de 12 maanden opnieuw bezien”.
85.
Artikel 36, lid 2, van verordening nr. 961/2010 luidde: „[w]anneer de Raad besluit een natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of lichaam te onderwerpen aan de in artikel 16, lid 2, bedoelde maatregelen, wijzigt hij bijlage VIII dienovereenkomstig”.
86.
In beide gevallen had de wetgever bovendien de toekenning van die uitvoeringsbevoegdheid aan de Raad gemotiveerd. In het geval van verordening nr. 423/2007 was de motivering te vinden in overweging 6, die letterlijk luidde: „Wat betreft de procedure voor het vaststellen en wijzigen van de lijst van artikel 7, lid 2, van deze verordening, moet de Raad de overeenkomstige uitvoeringsbevoegdheden zelf uitoefenen gezien de doelstellingen van UNSCR 1737 (2006), met name de beheersing van de ontwikkeling door Iran van gevoelige technologieën ter ondersteuning van zijn nucleaire programma’s en raketprogramma’s, en van de proliferatiegevoelige aard van de activiteiten van de personen en entiteiten die deze programma’s steunen”.
87.
Wat verordening nr. 961/2010 betreft, was de motivering te vinden in overweging 15, volgens welke „[g]ezien de specifieke bedreiging van de internationale vrede en veiligheid die uitgaat van Iran, zoals blijkt uit de groeiende en door de Europese Raad op 17 juni 2010 benadrukte bezorgdheid over Irans nucleaire programma, en ter waarborging van de consistentie met de procedure tot wijziging en herziening van bijlage I en bijlage II bij Besluit 2010/413/GBVB, de bevoegdheid tot wijziging van de lijsten in de bijlagen VII en VIII bij de verordening [dient] te worden uitgeoefend door de Raad”.
88.
Met betrekking tot verordening nr. 267/2012 zelf werd ná de mondelinge behandeling voor het Gerecht ( 22 ) een rectificatie gepubliceerd in het Publicatieblad van de Unie ( 23 ), waarbij overweging 27 bis werd ingevoegd, geformuleerd als volgt:
„Gezien de specifieke bedreiging van de internationale vrede en veiligheid die uitgaat van het nucleaire programma van Iran, en ter waarborging van de consistentie met de procedure tot wijziging en herziening van de bijlagen I en II bij Besluit 2010/413/GBVB, dient de bevoegdheid tot wijziging van de lijsten in de bijlagen VIII en IX bij deze verordening te worden uitgeoefend door de Raad.”
89.
Deze nieuwe overweging is nadien op 22 juli 2014 ( 24 ) in de volgende zin gecorrigeerd: „de bevoegdheid tot wijziging van de lijsten in de bijlagen VIII en IX bij deze verordening dient te worden uitgeoefend door de Raad.”
90.
Ik meen dat verordening nr. 267/2012 dient te worden bezien in de context van het geheel van de beperkende maatregelen die de Unie ten aanzien van Iran heeft genomen, en die als zodanig een betekeniseenheid vormen die, voorzover hier van belang, op passende wijze het met het motiveringsvereiste nagestreefde doel dient dat aan de basis ligt van de verplichting om van alle rechtshandelingen die rechtsgevolgen sorteren de rechtsgrondslag te vermelden.
91.
Het is immers vaste rechtspraak dat „de in artikel 253 EG [artikel 296 VWEU] neergelegde motiveringsplicht vereist, dat alle betrokken handelingen een uiteenzetting van de redenen bevatten op grond waarvan de instelling ze heeft vastgesteld, zodat het Hof zijn toezicht kan uitoefenen en de lidstaten en de belanghebbenden de voorwaarden kennen waaronder de gemeenschapsinstellingen het Verdrag hebben toegepast”. ( 25 )
92.
In deze zelfde zin heeft het Hof verklaard dat „de verplichting om de rechtsgrondslag van een handeling te vermelden deel uitmaakt van de motiveringsplicht” ( 26 ), en heeft het bovendien geoordeeld dat „ingevolge het rechtszekerheidsvereiste elke handeling die rechtsgevolgen beoogt teweeg te brengen, haar verbindendheid dient te ontlenen aan een bepaling van het gemeenschapsrecht, die expliciet als rechtsgrondslag moet worden vermeld en die de rechtsvorm bepaalt waarin de handeling moet worden verricht”. ( 27 )
93.
Als onderdeel van de reeks bepalingen die ten aanzien van Iran is vastgesteld, staat verordening nr. 267/2012 niet los van de motiveringen die de invoering van de daaraan voorafgaande verordeningen hebben gerechtvaardigd. Het is zo dat elk van deze verordeningen in werking is getreden onder intrekking van de daaraan voorafgaande, en dat bij verordening nr. 267/2012 verordening nr. 961/2010 is ingetrokken.
94.
Maar juist vanwege de inhoudelijke continuïteit die tussen al deze verordeningen bestaat, houdt de formele intrekking bij verordening nr. 267/2012 naar mijn mening niet in dat de motivering waarmee verordening nr. 961/2010 – en daarvoor verordening nr. 423/2007 – expliciet is gerechtvaardigd, verordening nr. 267/2012 niet impliciet kan rechtvaardigen.
95.
Voorzover in deze verordening aan de Raad dezelfde uitvoeringsbevoegdheid is toegekend als in de eerdere verordeningen het geval was, kan daaruit alleen worden afgeleid dat bij gebreke van een expliciete motivering dienaangaande, de grond voor die toekenning impliciet dezelfde is als die welke in eerdere verordeningen uitdrukkelijk is genoemd. Alhoewel zij impliciet is, is daarmee voldaan aan de motiveringsplicht van artikel 296 VWEU, die zoals gezegd uiteindelijk tot doel heeft dat „het Hof zijn toezicht kan uitoefenen en de lidstaten en de belanghebbenden de voorwaarden kennen waaronder de gemeenschapsinstellingen het Verdrag hebben toegepast”. ( 28 )
96.
Ik ben daarom van mening dat verordening nr. 267/2012 de aan de Raad toegekende bevoegdheid om de litigieuze lijst te wijzigen afdoende motiveert en dat het om de bevoegdheid als bedoeld in artikel 291, lid 2, VWEU gaat. Dit blijkt volgens mij uit het feit dat de aan verordening nr. 267/2012 voorafgaande verordeningen wijzen op de noodzaak dat de Raad voor het wijzigen van de lijsten „de overeenkomstige uitvoeringsbevoegdheden” uitoefent ( 29 ) (overweging 6 van verordening nr. 423/2007) en op de noodzaak van „waarborging van de consistentie met de procedure tot wijziging en herziening” van andere lijsten ( 30 ) (overweging 15 van verordening nr. 961/2010), wat onmiddellijk doet denken aan het taalgebruik van artikel 291 VWEU, dat wil zeggen dat van de aan de instellingen van de Unie toegekende uitvoeringsbevoegdheid onder de in lid 2 van dat artikel voorziene voorwaarden.
97.
Een andere kwestie is of verordening nr. 267/2012 dusdoende de Verdragen heeft geëerbiedigd, een aspect dat hierna nog zal worden besproken. Wat het eerste middel aangaat, moet de conclusie echter luiden dat rekwirante ongelijk heeft wanneer zij stelt dat artikel 46, lid 2, van verordening nr. 267/2012 niet voorschrijft welke rechtsvorm het besluit van de Raad tot wijziging van bijlage IX van de verordening moet hebben. De verordening doet dit niet expliciet, maar wel impliciet en ook toereikend, om de redenen die ik zojuist heb uiteengezet. Onderzocht moet daarom nu worden of artikel 291, lid 2, VWEU de relevante rechtsgrondslag voor de wijziging van die bijlage vormt.
98.
Concluderend meen ik op grond van het voorgaande dat het eerste middel moet worden afgewezen.
3. Tweede middel: relevante rechtsgrondslag voor de vaststelling van de litigieuze uitvoeringsverordening
99.
Rekwirante betwist dat artikel 291, lid 2, VWEU de juiste rechtsgrondslag voor de wijziging van bijlage IX bij verordening nr. 267/2012 is en betoogt dat dit alleen artikel 215 VWEU kan zijn. Met het eerste onderdeel van het middel stelt zij dat overeenkomstig het arrest Parlement/Commissie ( 31 ) artikel 215, lid 2, VWEU de enige mogelijke rechtsgrondslag is voor de vaststelling van individuele beperkende maatregelen. Met een tweede onderdeel stelt zij, eveneens op basis van dit arrest Parlement/Commissie, dat de procedures van artikel 215 VWEU en artikel 291 VWEU onverenigbaar zijn. Ten slotte noemt rekwirante in een derde onderdeel, subsidiair, de redenen die in dit geval aan gebruikmaking van artikel 291 VWEU in de weg staan.
100.
Mijns inziens kunnen de drie onderdelen tezamen worden besproken, nu zij alle vanuit hun verschillende perspectieven de kwestie van de relevante rechtsgrondslag voor de vaststelling van de litigieuze uitvoeringsverordening betreffen.
101.
Voordat ik met het onderzoek van deze kwestie begin, wil ik opmerken dat het tussen partijen gerezen geschil uitsluitend ziet op de geschiktheid van artikel 291, lid 2, VWEU als rechtsgrondslag van een normatieve bepaling die, in de visie van rekwirante, enkel artikel 215 VWEU als rechtsgrondslag kan hebben. Het is dus duidelijk dat het hier niet gaat om de gebruikmaking van zogeheten „afgeleide rechtsgrondslagen”, dat wil zeggen de wetgevingstechniek waarbij een andere normatieve ad-hocprocedure word vastgesteld dan in de Verdragen is voorzien, en die door Hof in het arrest van 6 mei 2008, Parlement/Raad ( 32 ), is afgekeurd. De procedures waar het hier om gaat, zijn uitsluitend procedures van primair recht, zodat onderzocht moet worden welke procedure voor de wijziging van bijlage IX van verordening nr. 267/2012 moest worden gebruikt.
102.
Verordening nr. 267/2012 zelf is vastgesteld op de rechtsgrondslag van artikel 215 VWEU. De wetgever heeft zich op dit punt strikt gehouden aan het beginsel dat „artikel 215, lid 2, VWEU de rechtsgrondslag kan vormen voor door de Unie genomen beperkende maatregelen, daaronder begrepen maatregelen ter bestrijding van het terrorisme, jegens natuurlijke personen, rechtspersonen dan wel niet-statelijke groepen of entiteiten, wanneer het besluit om die maatregelen te nemen onder het optreden van de Unie in het kader van het GBVB valt”. ( 33 ) De vraag is dus of de herziening of intrekking, niet van verordening nr. 267/2012 zelf in haar geheel, maar zuiver die van haar bijlage IX en enkel om – zoals in artikel 46, lid 2, is bepaald – „een natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam aan de in artikel 23, leden 2 en 3, [van de verordening] bedoelde maatregelen te onderwerpen”, alleen mogelijk is via de procedure van artikel 215, lid 1, VWEU.
103.
Hoewel in artikel 215 VWEU de specifieke procedure is gegeven voor de vaststelling van de nodige maatregelen voor de verbreking of gehele of gedeeltelijke beperking van de economische en financiële betrekkingen met een of meer derde landen, waartoe ingevolge een GBVB-besluit wordt besloten, mogen we niet vergeten dat volgens artikel 40 VEU, eerste alinea, „[d]e uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid [...] geen gevolgen [heeft] voor de toepassing van de procedures en de respectieve omvang van de bevoegdheden van de instellingen waarin de Verdragen voorzien voor de uitoefening van de in de artikelen 3 tot en met 6 [VWEU] bedoelde bevoegdheden van de Europese Unie”. In overeenstemming met het gestelde in punt 54 van het bestreden arrest valt daarom niet vol te houden dat een verordening die is vastgesteld op de grondslag van artikel 215 VWEU geen uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie of aan de Raad kan toekennen onder de in artikel 291, lid 2, VWEU vastgestelde voorwaarden.
104.
Het voorgaande laat zich probleemloos rijmen met hetgeen het Hof in punt 65 van het eerdergenoemde arrest Parlement/Commissie heeft verklaard, namelijk dat „artikel 215, lid 2, VWEU de rechtsgrondslag kan vormen voor door de Unie genomen beperkende maatregelen [...] jegens natuurlijke personen, rechtspersonen dan wel niet-statelijke groepen of entiteiten, wanneer het besluit om die maatregelen te nemen onder het optreden van de Unie in het kader van het GBVB valt”. Een ding is immers de vaststelling van de maatregelen en de afbakening van de daaraan onderworpen personen en entiteiten (kwesties ten aanzien waarvan alleen besluiten op de grondslag van artikel 215 VWEU kunnen worden vastgesteld), en iets anders is de concretisering van de groep van betrokken personen en entiteiten wanneer deze handeling een zuivere uitvoeringshandeling is, dat wil zeggen, louter dient ter uitvoering van de beginselen en criteria die in de artikel 215 VWEU vastgestelde bepaling zijn vervat.
105.
Nu artikel 215 VWEU zelf deze mogelijkheid niet uitdrukkelijk uitsluit, staat niets eraan in de weg dat overeenkomstig het beginsel van artikel 40, eerste alinea, VEU, de algemene procedures waarin de Verdragen voorzien toepassing vinden, en in het bijzonder de procedure die in artikel 291 VWEU is neergelegd voor de gevallen waarin de toekenning van een uitvoeringsbevoegdheid aan de instellingen is vereist.
106.
Het besluit tot wijziging van bijlage IX bij verordening nr. 267/2012 voor de plaatsing van een persoon of entiteit op de lijst van aan de bevriezing onderworpen subjecten zou noodzakelijkerwijs via de procedure van artikel 215 VWEU moeten worden genomen, indien verordening nr. 267/2012 niet zelf nauwkeurig en in detail de criteria bepaalde die voor de plaatsing van een persoon of entiteit op die lijst gelden. Het is echter zo dat de in artikel 46, lid 2, van verordening nr. 267/2012 aan de Raad toegekende bevoegdheid aan deze laatste geen allesomvattende beoordelingsbevoegdheid verleent om tot opname van een persoon over te gaan, en dat de Raad zich daarbij dient te houden aan de in artikel 23, lid 2, van die verordening nr. 267/2012 gespecificeerde criteria.
107.
Overeenkomstig deze criteria kan de Raad alleen diegenen vermelden van wie „is vastgesteld dat zij: a) betrokken zijn bij, direct verband houden met of steun bieden aan Iraanse proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten of de ontwikkeling door Iran van systemen voor de overbrenging van kernwapens, met inbegrip van betrokkenheid bij het verschaffen van verboden goederen en technologie, of eigendom zijn of onder zeggenschap staan van een dergelijke persoon, entiteit of lichaam, ook op onrechtmatige wijze, of optreden namens hen of handelen op hun aanwijzing; b) een natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of lichaam zijn die of dat steun heeft verleend aan een op de lijst geplaatste persoon, entiteit of lichaam om de bepalingen van deze verordening, van besluit 2010/413/GBVB van de Raad of van UNSCR 1737 (2006), UNSCR 1747 (2007), UNSCR 1803 (2008) en UNSCR 1929 (2010), te omzeilen of te schenden; c) een lid zijn van de Iraanse revolutionaire garde of een rechtspersoon, entiteit of lichaam die of dat eigendom is of onder zeggenschap staat van de Iraanse revolutionaire garde of van een of meer leden daarvan, of een natuurlijke persoon of rechtspersoon die namens hen optreedt; d) andere personen, entiteiten of lichamen zijn die steun verlenen aan de regering van Iran, zoals materiële, logistieke of financiële steun, of er banden mede onderhouden; e) een rechtspersoon, entiteit of lichaam zijn die of dat eigendom is of onder zeggenschap staat van de ‚Islamic Republic of Iran Shipping Lines’ (IRISL), of namens deze optreedt”. ( 34 )
108.
Verordening nr. 267/2012 is in mijn optiek voldoende nauwkeurig om een geschikt kader te bieden voor de uitoefening van een uitvoeringsbevoegdheid, dat wil zeggen om – hetzij de Commissie, hetzij de Raad – door middel van uitvoeringsverordeningen ex artikel 291 VWEU te machtigen om de lijst van bijlage IX te herzien. ( 35 ) Voorts zij herinnerd aan het argument van het Gerecht in punt 55 van het bestreden arrest, waar het vaststelt dat op grond van artikel 291, lid 2, VWEU een „meer doeltreffende uitvoeringsprocedure mogelijk [is], die beantwoordt aan het soort maatregel dat moet worden uitgevoerd en aan de handelingsbevoegdheid van iedere instelling”.
109.
Aangezien artikel 291, lid 2, VWEU naar ik meen de relevante rechtsgrondslag voor de wijziging van bijlage IX bij verordening nr. 267/2012 vormt, moet het tweede middel worden afgewezen.
4. Derde middel, subsidiair: naleving van de voorwaarden van artikel 291, lid 2, VWEU
110.
Rekwirante stelt subsidiair dat hoe dan ook niet aan de voorwaarden van artikel 291, lid 2, VWEU is voldaan om de Raad de litigieuze uitvoeringsbevoegdheid te verlenen.
111.
Bepaald moet daarom worden, uitgaande van artikel 291, lid 2, VWEU als relevante rechtsgrondslag voor de vaststelling van de litigieuze uitvoeringsverordening, of is voldaan aan de in die bepaling gestelde voorwaarden voor toekenning van de betrokken bevoegdheid aan de Raad.
112.
Volgens artikel 291, lid 1, VWEU moeten de lidstaten „alle maatregelen van intern recht [nemen] die nodig zijn ter uitvoering van de juridisch bindende handelingen van de Unie”. ( 36 ) Lid 2 van dat artikel bepaalt echter dat, wanneer het „nodig is dat” die handelingen „volgens eenvormige voorwaarden worden uitgevoerd, [...] aan de Commissie, of, in naar behoren gemotiveerde specifieke gevallen en in de bij de artikelen 24 en 26 [VEU] bepaalde gevallen, aan de Raad uitvoeringsbevoegdheden [worden] toegekend”.
113.
Zoals in punt 59 van het bestreden arrest is gesteld, is de Raad van mening dat hij zich op rechtmatige wijze de bevoegdheid heeft voorbehouden om uitvoering te geven aan artikel 23, leden 2 en 3, van verordening nr. 267/2012, nu „het om een naar behoren gemotiveerd geval ging”. Van de twee gevallen waarin volgens artikel 291, lid 2, VWEU de uitvoeringsbevoegdheid niet aan de Commissie maar aan de Raad kan worden toegekend, zou de wetgever van verordening nr. 267/2012 dus op het eerste daarvan een beroep hebben gedaan en niet op dat met betrekking tot de in de artikelen 24 en 26 VEU bepaalde gevallen, welk ook in de optiek van de Commissie en rekwirante hier niet het relevante geval zou zijn.
114.
Ik ben echter van mening, in lijn met het standpunt van de Raad ter terechtzitting, dat artikel 291, lid 2, VWEU in voorkomend geval de Raad bevoegd verklaart om de op het gebied van de GBVB vastgestelde bepalingen uit te voeren, zodat de verwijzing naar de „bij de artikelen 24 en 26 [VEU] bepaalde” gevallen de wijziging van bijlage IX bij nr. 267/2012 omvat, dat wil zeggen, van een normatieve handeling die is vastgesteld op de grondslag van artikel 215 VWEU, daar het gaat om „een overeenkomstig hoofdstuk 2 van titel V [VWEU] vastgesteld besluit”.
115.
Deze uitlegging van de systematiek van artikel 291, lid 2, VWEU verdraagt zich volgens mij het beste met de respectieve posities van de Raad en de Commissie op het terrein van de GBVB, waarop de rol van de Commissie ondergeschikt is aan die van de Raad, die in die context duidelijk protagonist is, zoals het Gerecht in punt 63 van het bestreden arrest bevestigt. ( 37 ) Dit houdt echter niet per se in dat de toekenning van uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie op het gebied van de GBVB principieel is uitgesloten, zoals ook het Gerecht in punt 64 van het bestreden arrest opmerkt, maar veeleer dat het die toekenning aan de Commissie is die „naar behoren gemotiveerd” moet zijn; bijvoorbeeld omdat, zoals het geval is bij artikel 45 van verordening nr. 267/2012, zoals we hebben gezien, de uitvoering betrekking heeft op zuiver technische kwesties of op kwesties waarvan de uitvoering dermate strak is bepaald dat er geen enkele ruimte is voor een beoordelingsbevoegdheid.
116.
Uitgaande van het beginsel dat de bij artikel 46, lid 2, van verordening nr. 267/2012 toegekende uitvoeringsbevoegdheid betrekking heeft op een bepaling die is vastgesteld op het gebied van de GBVB, zou dus de voor de uitoefening bevoegde instelling de Raad zijn, zodat niet de „behoorlijke motivering” is vereist die in een ander geval, dat wil zeggen, buiten de BGVB, voor de toekenning van een uitvoeringsbevoegdheid aan de Raad zou zijn vereist.
117.
In zoverre het Gerecht heeft geoordeeld dat de uitvoeringsbevoegdheid aan de Raad is toegekend in het kader van de „naar behoren gemotiveerde specifieke gevallen” en niet in dat van de „in de artikelen 24 en 26 [VEU] bepaalde gevallen”, heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Ik herinner er evenwel aan dat volgens vaste rechtspraak „wanneer blijkt dat door de motivering van een arrest van het Gerecht het Unierecht is geschonden, maar het dictum ervan op andere rechtsgronden gerechtvaardigd voorkomt, dit niet betekent dat dit arrest moet worden vernietigd maar dat het anders dient te worden gemotiveerd”. ( 38 )
118.
Het dictum van het bestreden arrest kan hier eenvoudig worden gerechtvaardigd door artikel 291, lid 2, VWEU toe te passen, waar die bepaling betrekking heeft op de in de artikelen 24 en 26 VEU bepaalde gevallen, nu het in deze zaak zoals gezegd om die gevallen gaat, zodat de gestelde onjuiste rechtsopvatting niet tot de vernietiging van het bestreden arrest kan leiden.
119.
Gelet op het voorgaande moet het derde middel dan ook worden afgewezen.
5. Vierde en vijfde middel
120.
Op dezelfde gronden als ik voor de afwijzing van het eerste middel heb voorgesteld ( 39 ), moeten mijns inziens ook het vierde en vijfde middel, waarin rekwirante subsidiair stelt dat niet naar behoren is voldaan aan de verplichting om de rechtsgrondslag van de litigieuze uitvoeringsverordening te vermelden en te motiveren, worden afgewezen.
6. Zesde middel: wettigheid van het plaatsingscriterium en uitlegging ervan door het Gerecht in het bestreden arrest
121.
NIOC stelt in wezen dat op grond van het door de Raad toegepaste criterium volledig arbitrair aan elke Iraanse belastingbetaler, ambtenaar of advocaat een sanctie kan worden opgelegd met het argument dat deze op de een of andere manier steun biedt of een financiële bijdrage levert aan de Iraanse Staat. Nu het Gerecht dit argument heeft afgewezen op de grond dat het betreffende criterium slechts betrekking heeft op de vormen van steun die vanwege hun kwantitatieve of kwalitatieve belang ( 40 ) bijdragen aan de ontwikkeling van de Iraanse nucleaire activiteiten, meent rekwirante dat het Gerecht dit criterium heeft „geherformuleerd”.
122.
Zoals ik al bij de bespreking van de eventuele niet-ontvankelijkheid van dit middel heb opgemerkt ( 41 ), is mij niet duidelijk waarom rekwirante daarbij de rechten en belangen van derden inroept of het Hof een toetsing in abstracto wil laten verrichten van de bepaling die zij onwettig acht. NIOC komt immers op tegen de gevolgen die de toepassing van het litigieuze criterium voor haarzelf heeft, zodat zij niet om een toetsing in abstracto maar – op goede gronden – om een toetsing in concreto van het in haar geval toegepaste criterium verzoekt.
123.
Met het eerste onderdeel van dit laatste middel betoogt rekwirante dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te concluderen dat de beoordelingsvrijheid die aan de Raad op grond van het criterium voor plaatsing op de lijst van artikel 20, lid 1, onder c), van besluit 2010/413 en artikel 23, lid 2, onder d), van verordening nr. 267/2012 is toegekend, niet arbitrair of discretionair is en de vereiste mate van voorzienbaarheid biedt. Volgens het eerste onderdeel kon het Gerecht naar de mening van NIOC alleen maar tot die conclusie komen door artikel 23, lid 2, onder d), van verordening nr. 267/2012 zo te interpreteren dat dit, in strijd met de bewoordingen en de betekenis ervan, in een „herformulering” van die bepaling heeft geresulteerd. Rekwirante stelt met het tweede onderdeel dat zodoende haar rechten van verdediging zijn aangetast, aangezien het uit die „herformulering” resulterende criterium haar vanzelfsprekend niet bekend was op het moment dat zij zich tegen de plaatsing op de litigieuze lijst verzette. Met het derde onderdeel, ten slotte, stelt rekwirante dat het Gerecht zichzelf in de punten 119 en 140 van het bestreden arrest tegenspreekt, nu het enerzijds stelt dat het litigieuze criterium betrekking heeft op vormen van steun die een bijdrage leveren aan de voortzetting van de nucleaire activiteiten van Iran, en het anderzijds bevestigt dat het litigieuze criterium is gericht op steun waarbij geen sprake is van een directe of indirecte band met die activiteiten.
124.
Wat het eerste onderdeel van het middel betreft, het is vaste rechtspraak van het Hof dat de Raad over een ruime marge beschikt voor de omschrijving van de algemene criteria voor plaatsing op de lijsten van personen op wie beperkende maatregelen van toepassing zijn. ( 42 ) Het Gerecht herinnert hieraan in punt 107 van het bestreden arrest, met de kanttekening dat hoewel daardoor de rechterlijke toetsing van de beoordeling van de opportuniteitsoverwegingen waarop die maatregelen zijn gebaseerd in zekere mate beperkt is, het echter ook zo is dat „de Unierechter de wettigheid van alle Uniehandelingen in beginsel volledig dient te toetsen aan de grondrechten”. ( 43 )
125.
Ik ben van mening dat het Gerecht de litigieuze bepalingen volledig heeft getoetst en daarbij tot een juiste uitkomst is gekomen.
126.
Ik kan het eens zijn met de stelling van rekwirante dat het criterium voor plaatsing op de lijst in artikel 20, lid 1, onder c), van besluit 2010/413 en artikel 23, lid 2, onder d), van verordening nr. 267/2012 zonder meer algemeen en onbepaald is. Wat NIOC kwalificeert als „herformulering” van de bepaling door het Gerecht, is echter niet meer dan zijn uitlegging in overeenstemming met de eisen van het primaire recht van de Unie, in het bijzonder de door het Handvest gegarandeerde grondrechten – een uitlegging die in mijn optiek correct is.
127.
De uitlegging die het Gerecht heeft gegeven valt immers niet als „herformulering” te kwalificeren indien men haar, zoals NIOC volhoudt, opvat als de introductie van een ander criterium dan het criterium dat de wetgever in het uitgelegde voorschrift heeft bepaald. Het Gerecht heeft in de betrokken bepaling geen ander criterium gelezen dan uit de bewoordingen ervan valt af te leiden. Het Gerecht heeft niet, zo men wil, een niet-bestaand voorschrift in de bewoordingen van de bepaling geïntroduceerd, maar heeft haar zó uitgelegd, in overeenstemming met het recht van de Unie, dat uit de formulering ervan een criterium voor plaatsing op de litigieuze lijst kan worden afgeleid dat aan alle eisen met betrekking tot het beginsel van rechtszekerheid en de garanties van de rechtstaat voldoet.
128.
Elke „conforme uitlegging” vereist uiteraard, omwille van het beginsel van rechtszekerheid en eerbiediging van de intentie van de wetgever, niet alleen een gekwalificeerde uitlegging, maar eerder nog de uitdrukkelijke erkenning dat het betrokken voorschrift alleen verenigbaar met de rechtsorde kan worden geacht voorzover het buiten de strikte bewoordingen ervan – maar niet in tegenspraak daarmee – een betekenis kan hebben die verenigbaar is met de eisen van de bepalingen waaraan het ondergeschikt is.
129.
In het voorliggende geval is in de tekst van artikel 20, lid 1, onder c), van besluit 2010/413 en artikel 23, lid 2, onder d), van verordening nr. 267/2012 een evident algemeen en onbepaald criterium gegeven dat echter, zonder dat sprake van tegenstrijdigheid hoeft te zijn, aan de eisen van het Unierecht kan voldoen voorzover deze een conforme uitlegging toelaten, dat wil zeggen dat aan de bewoordingen niet een letterlijke betekenis wordt gegeven, maar een betekenis die voldoet aan de eisen van nauwkeurigheid en bepaaldheid die de eerbieding van de grondrechten van rekwirante daaraan in deze context stellen.
130.
Dit is wat het Gerecht in het bestreden arrest heeft gedaan. Het ware beter geweest als het Gerecht uitdrukkelijk had aangegeven dat het daarbij ging om de gekwalificeerde uitlegging die kenmerkend is voor elke conforme uitlegging. De redenering in zijn arrest is echter voldoende gemotiveerd, gedetailleerd en solide om bij de toepassing ervan op het concrete litigieuze geval tot een met het Unierecht conforme uitkomst te komen.
131.
Ik kan het op dit punt alleen maar eens zijn met de overwegingen van het Gerecht in punt 118 van het bestreden arrest, waar het stelt dat het litigieuze criterium deel uitmaakt van een juridisch kader dat duidelijk is afgebakend door de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling inzake de beperkende maatregelen ten aanzien van Iran, zijnde de context waarin dat criterium moet worden uitgelegd. Vermelding verdient in dit verband besluit 2012/35/BVGB, in overweging 13 waarvan is verklaard: „de toegangsbeperkingen en de bevriezing van tegoeden en economische middelen moeten worden uitgebreid tot andere personen en entiteiten die de regering van Iran steun verlenen voor proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten of de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens, met name personen en entiteiten die de Iraanse regering financiële, logistieke of materiële steun verlenen”. ( 44 ) Artikel 23, lid 2, onder d), van verordening nr. 267/2012 bepaalt bovendien dat het bij die steun om „materiële, logistieke of financiële” steun kan gaan.
132.
Gelijk het Gerecht in punt 119 van het bestreden arrest redeneert, is het daarom duidelijk dat het niet om willekeurige steun gaat, maar om steun die „vanwege het kwantitatieve of kwalitatieve belang” ervan bijdraagt aan de voortzetting van de nucleaire activiteiten van Iran. Deze vaststelling is, anders dan rekwirante met het derde onderdeel van dit middel stelt, niet onverenigbaar met de vaststelling in punt 140 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht eenvoudigweg preciseert dat die steun niet uitdrukkelijk betrekking hoeft te hebben op de ontwikkeling van de nucleaire proliferatie als zodanig, maar dat het voldoende is dat aan de Iraanse regering middelen van materiële, financiële, of logistieke aard worden verschaft, waardoor laatstgenoemde die ontwikkeling kan voortzetten.
133.
Anders dan rekwirante ben ik dan ook niet van mening dat het Gerecht de criteria van verordening nr. 267/2012 heeft „geherformuleerd”, maar dat duidelijk is dat het deze slechts op het litigieuze geval heeft toegepast op basis van zijn met het primaire Unierecht conforme uitlegging en in de normatieve context waarin die criteria hun juiste en passende betekenis verkrijgen.
134.
Er is dus geen sprake van schending van het recht door het Gerecht, nu zijn uitlegging van de betrokken bepaling materieel gezien heeft geresulteerd in een conclusie rechtens die niet als onredelijk of arbitrair kan worden gekwalificeerd, aangezien er geen twijfel over bestaat dat NIOC, nationale oliemaatschappij, waarvan de functie van voorzitter van de raad van bestuur en die van directeur worden vervuld door respectievelijk de Iraanse minister van Olie en de viceminister van Olie, de Iraanse regering aanzienlijke financiële steun kan bieden en in deze zin een kwantitatief relevante materiële en financiële steun kan bieden voor de ontwikkeling van de door die regering bekostigde nucleaire activiteiten, een kwestie waarop rekwirante overigens niet verder heeft willen ingaan.
135.
Het feitelijk toegepaste criterium, voorzover dat in overeenstemming met het recht van de Unie kan worden uitgelegd, is dus niet zo open en onnauwkeurig dat iedere willekeurige persoon op de lijst van bijlage IX kan worden geplaatst, en ook de toepassing ervan op rekwirante kan niet als onrechtvaardig of overdreven worden beschouwd in de context van de regeling van de Unie inzake de bevriezing van tegoeden. Hieruit volgt dat de toepassing ervan in dit geval niet tot de door rekwirante gestelde rechteloosheid heeft kunnen leiden.
136.
Gelet op het voorgaande, dient ook het zesde en laatste middel te worden afgewezen.
V – Kosten
137.
Ingevolge artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, geef ik het Hof in overweging NIOC te verwijzen in de kosten.
138.
Ingevolge artikel 140, lid 4, van hetzelfde Reglement dragen de lidstaten en gemeenschapsinstellingen die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten. De Commissie dient derhalve haar eigen kosten te dragen.
VI – Conclusie
139.
Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging:
—
de hogere voorziening te verwerpen;
—
NIOC te verwijzen in de kosten;
—
de Commissie te verwijzen in haar eigen kosten.
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Spaans.
( 2 ) PB L 195, blz. 39.
( 3 ) PB L 19, blz. 22.
( 4 ) Verordening betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EU) nr. 961/2010 (PB L 88, blz. 1).
( 5 ) PB L 282, blz. 58.
( 6 ) PB L 282, blz. 16.
( 7 ) National Iranian Oil Company/Raad, T‑578/12, EU:T:2014:678; hierna: „bestreden arrest”.
( 8 ) Verordening van de Raad van 25 oktober 2010 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EG) nr. 423/2007 (PB L 281, blz. 1).
( 9 ) Arrest T‑174/12 en T‑80/13, EU:T:2014:52, punten 161 en 162.
( 10 ) Arresten 31/62 en 33/62, EU:C:1962:49, blz. 979.
( 11 ) Arrest Parlement/Commissie, C‑130/10, EU:C:2012:472, punt 65.
( 12 ) Artikel 7, lid 2, van verordening (EG) nr. 423/2007 van de Raad van 19 april 2007 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB L 103, blz. 1).
( 13 ) Artikel 16, lid 2, van verordening nr. 961/2010 (PB L 88, blz. 1).
( 14 ) Zie in deze zin het arrest uit de vroege jaren, gewezen in de zaak Wöhrmann en Lütticke/Commissie, 31/62 en 33/62, EU:C:1962:49, blz. 1007.
( 15 ) Arrest Raad/Chvatal e.a., C‑432/98 P en C‑433/98 P, EU:C:2000:545, punten 28‑33.
( 16 ) Arrest Raad/Chvatal e.a., C‑432/98 P en C‑433/98 P, EU:C:2000:545, punt 31.
( 17 ) Arrest Syrian Lebanese Commercial Bank/Raad, T‑174/12, en T‑80/13, EU:T:2014:52, punt 162.
( 18 ) Arrest België/Commissie, C‑110/03, EU:C:2005:223, punten 76‑80.
( 19 ) Artikel 215 VWEU, lid 2: „Wanneer een overeenkomstig hoofdstuk 2 van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie vastgesteld besluit daarin voorziet, kan de Raad volgens de in lid 1 bedoelde procedure jegens natuurlijke personen, rechtspersonen dan wel niet-statelijke groepen of entiteiten beperkende maatregelen vaststellen”.
( 20 ) Bepaling die de uitvoeringsbevoegdheid opdraagt aan de Commissie, „of, in naar behoren gemotiveerde specifieke gevallen en in de bij de artikelen 24 en 26 van het Verdrag betreffende de Europese Unie bepaalde gevallen, aan de Raad”.
( 21 ) Verordening van de Raad van 19 april 2007 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB L 103, blz. 1).
( 22 ) Op 6 maart 2014.
( 23 ) PB L 93, blz. 85, van 28 maart 2014.
( 24 ) PB L 216, blz. 5.
( 25 ) Arrest Commissie/Raad, C‑370/07, EU:C:2009:590, punt 37.
( 26 ) Arrest Commissie/Raad, C‑370/07, EU:C:2009:590, punt 38.
( 27 ) Arrest Commissie/Raad, C‑370/07, EU:C:2009:590, punt 39.
( 28 ) Arrest Commissie/Raad, C‑370/07, EU:C:2009:590, punt 37.
( 29 ) Mijn cursivering.
( 30 ) Mijn cursivering.
( 31 ) Arrest C‑130/10, EU:C:2012:472.
( 32 ) Arrest C‑133/06, EU:C:2008:257. Zie hierover Masson, A., „Les conditions de validité des bases juridiques dérivées à la suite de l’arrêt du 6 mai 2008”, Cahiers de Droit Européen, deel 44, 2008, blz. 157‑173; Garzón Clariana, G., „Los actos delegados en el sistema de fuentes de Derecho de la Unión Europea”, Revista de Derecho Comunitario Europeo, nr. 37, 2010, blz. 721‑759 (734‑738); Navarro Batista, N., „Bases jurídicas derivadas, delegación legislativa y poder de ejecución: el equilibrio institucional en la sentencia del TJUE de 6 de mayo de 2008, Parlamento Europeo c. Consejo”, Revista General de Derecho Europeo, 18, 2009.
( 33 ) Parlement/Commissie, C‑130/10, EU:C:2012:472, punt 65.
( 34 ) Artikel 23, lid 2, van verordening nr. 267/2012.
( 35 ) Hetzelfde geldt ten aanzien van de wijziging van bijlage II van verordening nr. 267/2012, waarin de goederen en technologie zijn vermeld waarvoor beperkende maatregelen gelden. Met de wijziging daarvan is volgens artikel 45, onder a), van de verordening de Commissie belast „op basis van de vaststellingen van het Sanctiecomité of de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties of op basis van door de lidstaten verstrekte informatie”.
( 36 ) Het beginsel dat de materiële uitvoering van de regels van de Unie normaal gesproken bij de lidstaten berust, is onomstreden (zie Jacqué, J.P., Droit institutionnel de l’Union européenne, 6e druk, Dalloz, Parijs, 2010, kanttekeningen 581‑584). Dat de uitvoerende macht bij de lidstaten berust, vindt zijn rechtsgrondslag in artikel 4, lid 3, VEU, dat luidt: „[d]e lidstaten treffen alle algemene en bijzondere maatregelen die geschikt zijn om de nakoming van de uit de Verdragen of uit de handelingen van de instellingen van de Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren”. Zie over de verdeling van de uitvoeringsbevoegdheden in de Unie Fuentetaja Pastor, J.Á., „Actos delegados, actos de ejecución y distribución de competencias ejecutivas en la Unión Europea”, in Revista Española de Derecho Administrativo, nr. 149, 2011, blz. 5‑89 (57‑63).
( 37 ) Zie in deze zin Ruffert, M., „Art. 291 AEUV”, in Callies, Ch., Ruffert, M., EUV/AEUV Kommentar, C.H. Beck, München, 4e druk, 2011, kanttekening 10.
( 38 ) Arrest Comitato Venezia vuole vivere e.a./Commissie, C‑71/09 P, C‑73/09 P en C‑76/09 P, EU:C:2011:368, punt 118, en aldaar aangehaalde rechtspraak.
( 39 ) Punten 80‑97.
( 40 ) Punt 119 van het bestreden arrest.
( 41 ) Zie hierboven, punten 73 en 74.
( 42 ) Zie recentelijk de arresten van de Grote Kamer in de zaken Anbouba/Raad, C‑605/13 P, EU:C:2015:248, punt 41, en Anbouba/Raad, C‑630/13 P, EU:C:2015:247, punt 42, en aldaar aangehaalde rechtspraak.
( 43 ) Punt 108 van het bestreden arrest.
( 44 ) Mijn cursivering.
Full & Egal Universal Law Academy