CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. CAMPOS SÁNCHEZ-BORDONA
van 3 mei 2016 ( 1 )
Zaak C‑525/14
Europese Commissie
tegen
Tsjechische Republiek
(Beroep wegens niet-nakoming, ingesteld door de Commissie tegen de Tsjechische Republiek)
„Niet-nakoming — Vrij verkeer van goederen — Artikel 34 VWEU — Kwantitatieve invoerbeperkingen — Maatregelen van gelijke werking — In een derde land volgens de Nederlandse wetgeving afgeslagen edelmetalen werken — Invoer in de Tsjechische Republiek na het in het vrije verkeer brengen in een lidstaat, die een andere kan zijn dan Nederland — Weigering van erkenning van het stempelmerk — Consumentenbescherming — Ontvankelijkheid”
1.
De Tsjechische Republiek betwist de haar door de Commissie verweten niet-nakoming en betoogt dat de artikelen 34 en 36 VWEU de administratieve praktijk van haar nationale waarborginstelling niet verbieden, aangezien de stempelmerken WaarborgHolland zowel in Nederland als in inrichtingen in derde landen (China en Thailand) worden aangebracht.
2.
Het Hof heeft reeds een vaste rechtspraak ontwikkeld over de wederzijdse erkenning van de nationale stempelmerken van de lidstaten. Het nieuwe van deze beroepsprocedure is dat moet worden beslist of die rechtspraak ook van toepassing is op de edelmetalen werken van oorsprong uit derde landen die, voorzien van het in die landen afgeslagen waarborgmerk van de Nederlandse waarborginstelling WaarborgHolland, in de Europese Unie worden ingevoerd en in het vrije verkeer gebracht.
3.
Hoewel producten van buiten de Unie die in het vrije verkeer worden gebracht daardoor worden gelijkgesteld met communautaire goederen, kan die gelijkstelling ontoereikend zijn voor wederzijdse erkenning. Voorwaarde voor de erkenning van de gelijkwaardigheid door een lidstaat (die van bestemming) en de buitentoepassinglating van zijn eigen regels is dat het product eerst in een andere lidstaat overeenkomstig zijn nationale regeling in de handel is gebracht. In de onderhavige zaak moet nader worden verduidelijkt in hoeverre en in welke omstandigheden die voorwaarde kan worden gesteld.
I – Verloop van de niet-nakomingsprocedure
4.
Op 30 september 2011 heeft de Commissie de Tsjechische Republiek een aanmaningsbrief gestuurd waarin zij haar om uitleg vraagt over haar weigering de Nederlandse stempelmerken, met name die van de waarborginstelling WaarborgHolland, te erkennen.
5.
In haar antwoord van 30 november 2011 heeft de Tsjechische Republiek toegegeven dat zij die Nederlandse stempelmerken niet erkende. Haars inziens deed dat geen probleem rijzen op het gebied van het vrije verkeer van goederen maar van de vrijheid van dienstverrichting. De Tsjechische regering heeft de weigering gemotiveerd met het feit dat het niet mogelijk was, de in Nederland en de in derde landen met de stempelmerken WaarborgHolland afgeslagen en vervolgens in de Unie ingevoerde producten van elkaar te onderscheiden.
6.
Aangezien de uitleg van de Tsjechische autoriteiten de Commissie niet kon overtuigen, heeft zij op 30 mei 2013 een met redenen omkleed advies aan de Tsjechische Republiek gestuurd, waarin zij erop wees dat de bepalingen van het VWEU over het vrije verkeer van goederen van toepassing zijn op de in het douanegebied van de Unie in het vrije verkeer gebrachte goederen, en derhalve op die welke uit derde landen in een lidstaat worden ingevoerd, overeenkomstig artikel 29 VWEU. De Commissie heeft de Tsjechische Republiek verzocht haar handelen binnen twee maanden in overeenstemming te brengen met artikel 34 VWEU.
7.
In haar antwoord van 23 juli 2013 heeft de Tsjechische Republiek haar standpunt gehandhaafd en gesteld dat de weigering de edelmetalen werken met de stempelmerken WaarborgHolland tot de markt toe te laten werd gerechtvaardigd door de noodzaak haar consumenten te beschermen.
8.
Gezien de houding van de Tsjechische Republiek heeft de Commissie op 20 november 2014 het onderhavige niet-nakomingsberoep ingesteld, onder aanvoering van de in de loop van de voorafgaande fase uiteengezette standpunten. In haar verweerschrift heeft de Tsjechische Republiek haar tegenover de Commissie ingenomen standpunt gehandhaafd.
9.
Bij brief van 26 februari 2015 heeft Frankrijk de president van het Hof verzocht in het geding te mogen interveniëren aan de zijde van de Tsjechische Republiek. Op 9 april 2015 heeft de griffie van het Hof Frankrijk meegedeeld dat het was toegelaten tot interventie, overeenkomstig artikel 130 van Reglement voor de procesvoering, en op 26 mei 2016 heeft Frankrijk zijn memorie in interventie ingediend.
10.
In repliek en dupliek alsmede ter terechtzitting van 17 februari 2016 zijn de Commissie en de Tsjechische Republiek bij hun tegengestelde standpunten gebleven.
II – Ontvankelijkheid van het beroep
11.
Volgens de Tsjechische Republiek is het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk, aangezien de niet-nakoming die de Commissie haar verwijt, onduidelijk en dubbelzinnig is gesteld: zij laakt thans de weigering „bepaalde Nederlandse stempelmerken”, „met name de stempelmerken WaarborgHolland”, te erkennen, terwijl zij in de precontentieuze fase en in haar verzoekschrift uitsluitend naar de stempelmerken WaarborgHolland had verwezen, en geen andere had genoemd. Het beroep dient derhalve te worden beperkt tot deze laatste handeling van de Tsjechische autoriteiten.
12.
De Commissie betwist de exceptie van gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid en betoogt dat zij het voorwerp van het beroep niet heeft uitgebreid, aangezien zij de Tsjechische Republiek reeds in de precontentieuze fase (met name in het met redenen omkleed advies) had verweten artikel 34 VWEU te hebben geschonden door „bepaalde Nederlandse stempelmerken” niet te erkennen.
13.
Volgens vaste rechtspraak moet elk inleidend verzoekschrift in een niet-nakomingsberoep het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten. Deze uiteenzetting dient zo duidelijk en nauwkeurig te zijn dat de verweerder zijn verweer kan voorbereiden en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen. Daaruit volgt dat de belangrijkste gegevens, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd, coherent en begrijpelijk moeten worden weergegeven in de tekst van het verzoekschrift zelf en dat het petitum op ondubbelzinnige wijze moet zijn geformuleerd, teneinde te vermijden dat het Hof ultra petita recht doet of nalaat op een van de grieven uitspraak te doen.
14.
Het Hof heeft tevens geoordeeld dat de Commissie in het kader van een beroep de grieven coherent en nauwkeurig moet uiteenzetten, zodat de lidstaat en het Hof de omvang van de verweten schending van het Unierecht precies kunnen begrijpen, hetgeen noodzakelijk is opdat die lidstaat nuttig verweer kan voeren en het Hof het bestaan van de gestelde niet-nakoming kan beoordelen. ( 2 )
15.
Gelet op deze vereisten meen ik dat het argument van de Tsjechische Republiek gegrond is en het beroep van de Commissie gedeeltelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het voorwerp van de niet-nakoming is niet duidelijk afgebakend voor zover wordt verwezen naar de Tsjechische weigering „bepaalde Nederlandse stempelmerken” te erkennen, en de Commissie slechts melding maakt van – en informatie bijvoegt over – de door de in Gouda gevestigde waarborginstelling WaarborgHolland gestempelde voorwerpen, de enige die haar activiteit naar derde landen (met name China en Thailand) heeft verplaatst.
16.
De Commissie heeft niets aangedragen dat erop wijst dat de Tsjechische autoriteiten weigeren het door de andere Nederlandse waarborginstelling (Edelmetaal Waarborg Nederland B.V., gevestigd te Joure) afgeslagen stempelmerk te erkennen. Bovendien stelt de Tsjechische Republiek, door de Commissie onweersproken, dat zij slechts eist dat het Tsjechische stempelmerk wordt afgeslagen op de edelmetalen werken die zijn voorzien van het stempelmerk WaarborgHolland.
17.
Hoewel er sprake is van een zekere samenhang tussen de stellingen van de Commissie in de precontentieuze en de gerechtelijke fase, zijn de door de Commissie tegen de Tsjechische Republiek ingebrachte beschuldigingen mijns inziens onduidelijk waar het gaat om de weigering andere Nederlandse stempelmerken dan die van WaarborgHolland te erkennen. Derhalve moet het beroep van de Commissie gedeeltelijk niet-ontvankelijk worden verklaard, en wel voor zover het die stempelmerken betreft, en ontvankelijk met betrekking tot de afwijzing van de Tsjechische autoriteiten van de met de merken WaarborgHolland gestempelde edelmetalen werken.
III – Onderzoek van de zaak ten gronde
18.
Alvorens de niet-nakoming die de Commissie de Tsjechische Republiek verwijt te onderzoeken, moeten enkele kenmerken van de wettelijke regeling, in de Europese Unie en op internationaal niveau, voor de handel in edelmetalen werken worden uiteengezet.
A – Voorafgaande beschouwingen over de handel in edelmetalen werken
19.
Het in de handel brengen van deze werken is één van de gebieden waarop de technische belemmeringen (als gevolg van het bestaan van verschillende regels in de lidstaten van de Unie) niet konden worden opgeheven door harmonisering van de wettelijke regelingen. Omdat de opeenvolgende voorstellen van de Commissie schipbreuk leden ( 3 ), is de juridische figuur van de wederzijdse erkenning in de rechtspraak van het Hof toegepast en door de Commissie zelf gestimuleerd om in het ontbreken van harmonisatie te voorzien ( 4 ).
20.
Dat er nog geen werkelijke interne markt met vrij verkeer van edelmetalen werken tot stand is gekomen, is het gevolg van het feit dat veel lidstaten nationale waarborginstellingen hebben die verschillende merktekens en stempelmerken toepassen om de oorsprong en het gehalte ervan te garanderen. ( 5 ) Die keurmerken dienen ter bescherming van de consumenten, ter voorkoming van fraude en om eerlijke handelsvoorwaarden te waarborgen.
21.
Het scala aan nationale regelingen betreffende edelmetalen werken is zeer divers. Vijftien landen (waaronder Tsjechië en Nederland) kennen een systeem van verplichte merking onder de verantwoordelijkheid van hun officiële waarborginstelling, om aan te geven dat het voorwerp is onderzocht en goedgekeurd. Zeven lidstaten hebben een systeem van vrijwillige merking en vijf hebben helemaal geen systeem.
22.
De meeste technische belemmeringen voor de handel in deze voorwerpen vloeien voort uit het bestaan van een procedure voor controle van het product door een officiële waarborginstelling („assay office”) voordat het op de nationale markt in de handel wordt gebracht en uit het vereiste van een verplicht merkteken ( 6 ), het zogenoemde stempelmerk, dat de fabrikant, het soort metaal en het gehalte ervan aanduidt. De meest gebruikelijke stempelmerken zijn de volgende:
—
het waarborgstempel van de officiële waarborginstelling (hierna: „waarborgstempel”), dat aangeeft dat het voorwerp genoegzaam is onderzocht, en in het algemeen ook het soort metaal en het gehalte ervan vermeldt;
—
het handtekenmerk van de fabrikant (oorsprong) of van de importeur, dat meestal is geregistreerd in het land waar het edelmetalen werk wordt gecontroleerd;
—
het gehaltemerk (of metaalwaarmerk) ( 7 ), dat het soort edelmetaal en het gehalte ervan aangeeft, in karaat of duizendsten;
—
het gemeenschappelijk keurmerk, ingesteld bij het verdrag inzake het onderzoek en de stempeling van edelmetalen werken, ondertekend te Wenen op 15 november 1972. ( 8 )
23.
Gezien de technische belemmeringen als gevolg van de verschillen tussen de nationale regels voor de stempelmerken van edelmetalen werken heeft het Hof op dit gebied zijn rechtspraak betreffende de artikelen 34 tot en met 36 VWEU toegepast, met name met betrekking tot de verplichting tot wederzijdse erkenning van gelijkwaardige stempelmerken.
24.
Het Hof is helder geweest in zijn redenering in de arresten Robertson e.a., Houtwipper, Commissie/Ierland en Juvelta ( 9 ), waarin het om de intracommunautaire handel in deze goederen ging. De nationale regelingen zijn maatregelen van gelijke werking die van toepassing zijn bij invoer (en derhalve in strijd met artikel 34 VWEU), indien zij voor producten die zijn ingevoerd uit een andere lidstaat, waar zij zijn gewaarmerkt en rechtmatig in het verkeer gebracht, een nieuwe waarmerking voorschrijven in de staat van bestemming, aangezien deze eis de intracommunautaire invoer van deze voorwerpen moeilijker en duurder maakt.
25.
Het Hof heeft echter aanvaard dat bij gebreke van harmonisatie op het niveau van de Unie het vereiste van stempeling met het nationale waarborgmerk en de niet-erkenning van het stempelmerk van de staat van oorsprong kan worden gerechtvaardigd door de sinds het arrest Cassis de Dijon ( 10 ) ontwikkelde dwingende eisen van de consumentenbescherming en de eerlijkheid van handelstransacties. Het waarborgmerk zorgt ervoor dat de consument niet op een dwaalspoor wordt gebracht, aangezien het precieze zuiverheidsgehalte van een edelmetalen voorwerp niet met het oog, op het gevoel of aan de hand van het gewicht ervan kan worden vastgesteld. ( 11 ) Zoals het oude adagium luidt: „Het is niet alles goud wat er blinkt”.
26.
Stempeling met het waarborgmerk van de staat van bestemming mag niet worden voorgeschreven wanneer het uit een andere lidstaat ingevoerde voorwerp is voorzien van een stempelmerk dat, ongeacht de vorm ervan, informatie verschaft die gelijkwaardig is aan die van de in de lidstaat van invoer voorgeschreven stempelmerken, en begrijpelijk is voor de consument van die staat. ( 12 ) Het betreft derhalve een specifieke toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning van gelijkwaardige nationale handelsregelingen, waarmee het Hof herhaaldelijk in het ontbreken van harmonisatie van de nationale wetgevingen heeft voorzien om technische belemmeringen voor de intracommunautaire handel op te heffen.
27.
Met betrekking tot de handel (in edelmetalen werken) van de Unie met derde landen zijn er weinig regels en zijn de technische belemmeringen zelfs nog groter dan op de intracommunautaire markt, omdat de nationale rechtsstelsels onderling sterk verschillen. Op deze handel is vanzelfsprekend de algemene regeling van de Wereldhandelsorganisatie en met name de GATT en de overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen van toepassing. ( 13 ) De Unie heeft in het kader van de gemeenschappelijke handelspolitiek geen overeenkomsten gesloten en in haar verdragen met derde landen ook geen bepalingen opgenomen over de handel in edelmetalen werken.
28.
Met het verdrag inzake het onderzoek en de stempeling van edelmetalen werken, ondertekend te Wenen op 15 november 1972, in werking getreden in 1975, waarbij zeventien lidstaten van de Unie alsmede Zwitserland, Noorwegen en Israël zijn aangesloten (hierna: „Verdrag van Wenen”) ( 14 ), is gepoogd de technische belemmeringen voor de internationale handel in deze producten op te heffen. Voor Tsjechië geldt dit verdrag sinds 1994 en voor Nederland sinds 1999.
29.
Het Verdrag van Wenen voorziet in een minimumharmonisatie van de op de stempelmerken toepasselijke regels, om de wederzijdse erkenning ervan tussen de landen die partij zijn bij het verdrag te bevorderen. De overeenkomstig het verdrag aangewezen nationale waarborginstellingen kunnen het gemeenschappelijk keurmerk afslaan op voorwerpen van goud, zilver of platina nadat zij het gehalte ervan hebben vastgesteld met gebruik van een van de erkende onderzoeksmethoden. Voorwerpen die met het gemeenschappelijk keurmerk ( 15 ) zijn afgeslagen worden door de verdragsstaat op zijn grondgebied toegelaten zonder aanvullend onderzoek of verdere afslag. Het afslaan met het gemeenschappelijk keurmerk geschiedt op vrijwillige basis en een exporteur heeft de keus of hij zijn nationale waarborginstelling verzoekt om aanbrenging ervan dan wel of hij het voorwerp zonder het keurmerk naar het invoerende land verzendt, dat het erop aanbrengt wanneer het voldoet aan zijn regeling en die van het verdrag. De voorwerpen die zijn voorzien van het gemeenschappelijk keurmerk en de andere drie in het verdrag bedoelde keurmerken worden door de verdragsstaten aanvaard, zonder dat een aanvullend onderzoek of verdere afslag wordt vereist.
30.
De terughoudendheid van sommige Europese staten (vooral die welke officiële waarborginstellingen kennen met een stevige verankering, traditie en ervaring) om toe te treden tot het Verdrag van Wenen heeft geleid tot het sluiten van bilaterale verdragen inzake de wederzijdse erkenning van stempelmerken met derde landen die bijzonder actief zijn in de internationale handel in deze voorwerpen. ( 16 )
B – Door de Commissie aan de Tsjechische Republiek verweten niet-nakoming
1. Bestaan van een beperking van het vrije verkeer van goederen
31.
Naar de mening van de Commissie is de praktijk van de Tsjechische Republiek, de stempeling met het Tsjechische waarborgmerk te verlangen voor edelmetalen werken met het stempelmerk WaarborgHolland, een bij de artikelen 34 tot en met 36 VWEU verboden maatregel van gelijke werking bij invoer.
32.
Volgens haar is de rechtspraak van het Hof over de erkenning van stempelmerken onverkort van toepassing op de praktijk van de Tsjechische Republiek, omdat de vrijheid van verkeer zowel van toepassing is op de uit een lidstaat afkomstige goederen als op die uit derde landen die in het vrije verkeer zijn gebracht overeenkomstig artikel 29 VWEU. De Tsjechische Republiek zou niet de waarborgmerken van sommige lidstaten van de Unie kunnen erkennen en de voorwerpen die het stempelmerk WaarborgHolland dragen anders behandelen op grond van het feit dat deze waarborginstelling haar stempelmerk fysiek in derde landen aanbrengt, na de verplaatsing van een aantal van haar activiteiten buiten Nederland en de Unie.
33.
De Tsjechische Republiek brengt hier tegenin dat haar praktijk strookt met artikel 34 VWEU, omdat de wederzijdse erkenning van waarborgmerken alleen zou gelden voor intracommunautaire goederen en voor producten uit derde landen die in de Unie in het vrije verkeer zijn gebracht, wanneer ze reeds rechtmatig in een lidstaat overeenkomstig zijn nationale wetgeving in de handel zijn gebracht. De in derde landen met de merken WaarborgHolland gestempelde voorwerpen die in de Unie in het vrije verkeer zijn gebracht en niet rechtmatig in een lidstaat van de Unie in de handel zijn gebracht, komen dus niet in aanmerking voor wederzijdse erkenning, ook al vindt de stempeling van WaarborgHolland buiten de Unie plaats conform de Nederlandse wetgeving.
34.
Het moge mijns inziens in de eerste plaats duidelijk zijn dat de administratieve praktijk van de Tsjechische waarborginstelling aan de Tsjechische Republiek moet worden toegerekend, zodat deze kan worden aangemerkt als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking, volgens de rechtspraak van het Hof. ( 17 )
35.
In de tweede plaats ben ik het niet eens met het (in de precontentieuze fase van de procedure aangevoerde) argument van de Tsjechische Republiek, dat haar praktijk moet worden getoetst aan de regels en de rechtspraak over het vrije verkeer van diensten. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, betreffen de door de Tsjechische Republiek opgelegde beperkingen rechtstreeks de handel in edelmetalen werken en niet het verrichten van diensten van waarmerking. Aangezien het stempelmerk op het voorwerp wordt aangebracht en er deel van uitmaakt, is de Tsjechische praktijk van invloed op het vrije verkeer van goederen en niet van diensten. Het is een zonder onderscheid toepasselijke administratieve praktijk van een lidstaat, die het in de handel brengen van één soort goederen treft.
36.
In de derde plaats voldoet de Tsjechische administratieve praktijk mijns inziens probleemloos aan de door het Hof bij de uitlegging van artikel 34 VWEU vastgestelde definitie van maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking. Iedere handelsregeling van de lidstaten die de handel binnen de Unie al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren, moet als zodanig worden aangemerkt. ( 18 )
37.
Als door artikel 34 VWEU verboden maatregelen van gelijke werking zijn volgens het Hof belemmeringen van het vrije goederenverkeer aan te merken die, bij ontbreken van harmonisatie van de wettelijke regelingen, voortvloeien uit de toepassing op goederen uit andere lidstaten, waar zij rechtmatig zijn vervaardigd en in de handel gebracht, van voorschriften betreffende de voorwaarden waaraan die goederen moeten voldoen, ook indien die voorschriften zonder onderscheid op alle producten van toepassing zijn, wanneer deze toepassing niet kan worden gerechtvaardigd door een doel van algemeen belang, dat zou moeten voorgaan boven de eisen van het vrije goederenverkeer. ( 19 )
38.
Het vereiste van Tsjechische waarmerking van de met het merk WaarborgHolland afgeslagen voorwerpen maakt het in de handel brengen ervan op het Tsjechische grondgebied moeilijker, doordat het een dubbele stempeling ervan meebrengt. Het verplicht bovendien tot de betaling van een vergoeding aan de waarborginstelling van de staat van bestemming en vertraagt het op de markt brengen, met de daaruit voortvloeiende stijging van de kosten. ( 20 )
39.
In beginsel en met de nuancering die ik hierna zal aanbrengen, ziet het verbod van artikel 34 VWEU zowel op de goederen in de intracommunautaire handel als op die uit derde landen die zich in de Unie in het vrije verkeer bevinden. Het Hof heeft wat het vrije verkeer van goederen binnen de Unie betreft, gepreciseerd dat producten in het vrije verkeer definitief en volledig zijn gelijkgesteld met producten van oorsprong uit de lidstaten. ( 21 )
40.
De Tsjechische maatregel is derhalve in strijd met artikel 34 VWEU wanneer hij wordt toegepast op in Nederland vervaardigde en in de handel gebrachte edelmetalen werken met het stempelmerk WaarborgHolland. Hij is daarmee eveneens in strijd bij toepassing op dit soort voorwerpen die zijn vervaardigd in derde landen, in één daarvan zijn gestempeld met het merk WaarborgHolland en in een lidstaat van de Unie zijn ingevoerd en in het vrije verkeer gebracht voordat ze in de Tsjechische Republiek worden ingevoerd.
2. Rechtvaardiging van de beperking
41.
De Tsjechische Republiek, daarin ondersteund door Frankrijk, beroept zich ter rechtvaardiging van haar administratieve praktijk op het dwingende vereiste van consumentenbescherming. Zij meent voorts dat zij voldoet aan het evenredigheidsbeginsel, omdat het niet mogelijk is de in Nederland door WaarborgHolland gestempelde voorwerpen te onderscheiden van de door deze waarborginstelling in derde landen van haar stempelmerk voorziene voorwerpen. Volgens haar verweerschrift hebben haar pogingen om door overleg met WaarborgHolland duidelijke onderscheidingscriteria vast te stellen geen resultaat opgeleverd.
42.
Zoals ik reeds heb uiteengezet, heeft het Hof verklaard dat bij gebreke van harmonisatie op het niveau van de Unie, de stempeling met het nationale waarborgmerk en de niet-erkenning van het stempelmerk van de staat van oorsprong kunnen worden gerechtvaardigd door dwingende eisen van de consumentenbescherming en de eerlijkheid van handelstransacties. De Tsjechische Republiek kan zich volgens dit criterium op de consumentenbescherming beroepen ter rechtvaardiging van de praktijk om het aanbrengen van het Tsjechische stempelmerk te eisen en de stempelmerken van WaarborgHolland te weigeren.
43.
Deze Tsjechische administratieve praktijk vindt evenwel alleen haar rechtvaardiging in de consumentenbescherming indien, cumulatief: a) de stempelmerken WaarborgHolland geen aan de Tsjechische waarborgmerken gelijkwaardige bescherming bieden, en b) deze praktijk voldoet aan het evenredigheidsbeginsel.
a) Gelijkwaardigheid en wederzijdse erkenning van de Tsjechische en de Nederlandse waarborgmerken
44.
Volgens de Commissie bieden het Tsjechische en het Nederlandse waarborgmerk de consumenten een vergelijkbare bescherming. De Tsjechische Republiek zou daarom de wederzijdse erkenning ervan moeten aanvaarden, volgens de rechtspraak van het Hof. ( 22 ) De Tsjechische autoriteiten betwisten deze stelling van de Commissie in feite niet en aanvaarden de gelijkwaardigheid van hun waarborgmerk en het Nederlandse, echter uitsluitend voor door WaarborgHolland in Nederland gestempelde voorwerpen en niet voor die welke door WaarborgHolland in derde landen worden gestempeld en vervolgens in de Unie in het vrije verkeer worden gebracht en worden ingevoerd in Tsjechië.
45.
De Commissie betoogt dat de wederzijdse erkenning van de Tsjechische en de Nederlandse waarborgmerken niet kan worden uitgesloten op grond dat WaarborgHolland een deel van haar activiteit naar derde landen heeft verplaatst, aangezien de Nederlandse autoriteiten er toezicht op blijven uitoefenen overeenkomstig hun nationale wetgeving. De door WaarborgHolland in Nederland gestempelde voorwerpen en de door haar in derde landen afgeslagen voorwerpen zouden derhalve vergelijkbaar zijn nadat zij in een lidstaat van de Unie in het vrije verkeer zijn gebracht.
46.
De Tsjechische Republiek, daarin ondersteund door Frankrijk, is daarentegen van mening dat er slechts sprake kan zijn van wederzijdse erkenning voor edelmetalen werken wanneer de stempeling met de waarborgmerken op het grondgebied van een lidstaat van de Unie plaatsvindt en niet bij in derde landen gestempelde voorwerpen, ook al wordt dit door een waarborginstelling van een lidstaat gedaan en, naar aannemelijk is, conform de wetgeving van die staat. Deze voorwerpen zouden goederen uit derde landen zijn en daarop zou het beginsel van wederzijdse erkenning niet van toepassing zijn, ook al zijn ze in een lidstaat van de Unie in het vrije verkeer gebracht, behoudens wanneer ze in die staat overeenkomstig de nationale wetgeving ervan in de handel worden gebracht.
47.
Voor de oplossing moet mijns inziens het beginsel van wederzijdse erkenning van waarborgmerken op een aan de verschillende feitelijke situaties aangepaste wijze worden toegepast. In de eerste plaats is het beginsel mijns inziens ten volle van toepassing in het geval van in Nederland vervaardigde en rechtmatig in de handel gebrachte en daarna naar Tsjechië uitgevoerde voorwerpen. In deze omstandigheden is de rechtspraak van het Hof over de wederzijdse erkenning van gelijkwaardige waarborgmerken evident van toepassing.
48.
In de tweede plaats is het beginsel ook van toepassing op de in derde landen vervaardigde en door WaarborgHolland in haar kantoren in China of Thailand van het Nederlandse waarborgmerk voorziene edelmetalen werken, die achtereenvolgens zijn ingevoerd en in het vrije verkeer gebracht in de Unie, rechtmatig in de handel gebracht in Nederland en vervolgens uitgevoerd naar Tsjechië. In die situatie is de wederzijdse erkenning van het Tsjechische en het Nederlandse waarborgmerk weer vanzelfsprekend van toepassing, aangezien de Nederlandse autoriteiten de uit derde landen ingevoerde voorwerpen met de stempelmerken WaarborgHolland zullen hebben getoetst op hun overeenstemming met hun nationale regeling.
49.
In de derde plaats zijn er de edelmetalen werken die zijn vervaardigd in derde landen, door WaarborgHolland in haar kantoren in China of Thailand met het Nederlandse waarborgmerk zijn gestempeld, vervolgens zijn ingevoerd en in het vrije verkeer gebracht in de Unie en rechtmatig in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat dan Nederland, wiens nationale wetgeving voorziet in het gebruik van waarborgmerken die vergelijkbaar zijn met het Tsjechische. In dit geval zou ik willen stellen dat de wederzijdse erkenning op dezelfde wijze moet werken als in het vorige, aangezien de lidstaat van oorsprong de verenigbaarheid van de in een derde land aangebrachte stempelmerken WaarborgHolland met zijn eigen wetgeving zal moeten hebben geverifieerd. Tsjechië moet dan op deze verificatie vertrouwen en de wederzijdse erkenning van de waarborgmerken toepassen op de in die omstandigheden naar zijn grondgebied uitgevoerde voorwerpen.
50.
Er zijn echter drie situaties waarin het beginsel van wederzijdse erkenning (van het Nederlandse en het Tsjechische waarborgmerk) geen toepassing kan vinden, namelijk bij: a) rechtstreeks in Tsjechië ingevoerde voorwerpen; b) door WaarborgHolland in haar kantoren in China en Thailand gestempelde voorwerpen, die zijn ingevoerd en in het vrije verkeer gebracht in een lidstaat van de Unie zonder daar in de handel te zijn gebracht vóór de uitvoer naar Tsjechië, en c) door WaarborgHolland in haar kantoren buiten de Unie gestempelde voorwerpen, die zijn ingevoerd en in het vrije verkeer en in de handel zijn gebracht in een lidstaat van de Unie die geen nationale regeling kent die het gebruik van een waarborgmerk voorschrijft, en daarna naar Tsjechië zijn uitgevoerd.
51.
Met betrekking tot deze drie categorieën rijst de – nog niet definitief beantwoorde – vraag of het door de rechtspraak van het Hof voor de intracommunautaire handel ontwikkelde beginsel van wederzijdse erkenning moet worden toegepast op de uit derde staten ingevoerde goederen.
52.
De Commissie betoogt dat het in het vrije verkeer brengen de ingevoerde voorwerpen die door WaarborgHolland in derde landen zijn voorzien van het Nederlandse merk, in dezelfde positie brengt als de door deze instelling in Nederland afgeslagen voorwerpen. De Tsjechische Republiek stelt daarentegen dat voor de wederzijdse erkenning van de waarborgmerken is vereist dat deze voorwerpen in het vrije verkeer zijn gebracht en bovendien in een lidstaat overeenkomstig zijn nationale wetgeving in de handel zijn gebracht.
53.
Volgens artikel 28, lid 2, VWEU zijn de bepalingen over het vrije verkeer van goederen „van toepassing op de producten welke van oorsprong zijn uit de lidstaten alsook op de producten uit derde landen welke zich in de lidstaten in het vrije verkeer bevinden”. Artikel 29 VWEU bepaalt dat „[a]ls zich bevindend in het vrije verkeer in een lidstaat worden beschouwd: de producten uit derde landen waarvoor in genoemde staat de invoerformaliteiten zijn verricht en de verschuldigde douanerechten en heffingen van gelijke werking zijn voldaan en waarvoor geen gehele of gedeeltelijke teruggave van die rechten en heffingen is verleend”. Zowel artikel 79 van het communautair douanewetboek als artikel 129 van het gemoderniseerde douanewetboek ( 23 ), dat van toepassing is sinds 16 april 2016, bepaalt dat niet-communautaire goederen die in het vrije verkeer worden gebracht, daardoor de douanestatus van communautaire goederen verkrijgen.
54.
Deze bepalingen stellen de goederen van de Unie gelijk met die van oorsprong uit derde landen, die na het vervullen van de douane- en handelspolitieke formaliteiten in het vrije verkeer zijn gebracht, hetgeen de rechtspraak van het Hof sinds het arrest Donckerwolke e.a. heeft bevestigd. ( 24 ) De gelijkstelling garandeert echter voor de uit derde landen ingevoerde en in een lidstaat in het vrije verkeer gebrachte goederen niet zonder meer de volledige vrijheid van verkeer in de overige lidstaten. ( 25 ) De ingevoerde goederen moeten voldoen aan de wettelijke regeling van de lidstaat waarin zij het voor het eerst in de handel worden gebracht om daarna in aanmerking te kunnen komen voor de volledige vrijheid van verkeer en derhalve voor de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning. ( 26 )
55.
Het Hof heeft deze benadering gehandhaafd in het arrest Expo Casa Manta ( 27 ), waarin het overweegt dat „[h]et in de handel brengen [...] een fase [is] die volgt op de invoer. Evenals een rechtmatig in de Gemeenschap vervaardigd product niet om die enkele reden op de markt mag worden gebracht, betekent de rechtmatige invoer van een product niet dat dit automatisch tot de markt wordt toegelaten” en „[a]angezien er geen gemeenschapsregeling is die de voorwaarden voor het in de handel brengen van de betrokken producten harmoniseert, kan de lidstaat waar zij in het vrije verkeer worden gebracht, zich tegen het op de markt brengen ervan verzetten, indien zij niet aan de daartoe in het nationale recht gestelde voorwaarden voldoen”.
56.
Die overwegingen van het Hof hebben hun weerslag gevonden in de artikelen 27 tot en met 29 van verordening (EG) nr. 765/2008 ( 28 ), die bepaalt welke controles de nationale markttoezicht- en douaneautoriteiten kunnen uitvoeren op de uit derde landen ingevoerde producten voordat deze in het vrije verkeer worden gebracht, om ervoor te zorgen dat de geharmoniseerde Europese normen worden nageleefd. De controles beperken zich tot het opsporen van ernstige risico’s voor de gezondheid en de veiligheid, waaronder de namaak van werken van edelmetaal niet is begrepen.
57.
Bovendien brengt de ratio van het beginsel van wederzijdse erkenning mij tot de slotsom dat de toepassing ervan beperkt moet blijven tot: a) de intracommunautaire handel in goederen van oorsprong uit de Unie, die rechtmatig zijn vervaardigd en in de handel gebracht in een lidstaat overeenkomstig zijn nationale recht, en b) de handel in zich in het vrije verkeer bevindende goederen uit derde landen die rechtmatig in de handel zijn gebracht in een lidstaat en naar een andere lidstaat zijn uitgevoerd. ( 29 )
58.
De keerzijde van hetgeen ik hiervoor heb uiteengezet, is dat importeurs niet in aanmerking kunnen komen voor wederzijdse erkenning voor het in de handel brengen in de Unie van goederen van oorsprong uit derde landen die niet aan de regeling van een lidstaat voldoen. ( 30 ) Voor de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning in het kader van de internationale handel van de Unie met derde landen is een specifiek internationaal verdrag ( 31 ) of de opneming van bepalingen ter zake in een meeromvattende handelsovereenkomst nodig, die in overeenstemming zijn met de regels van de Wereldhandelsorganisatie.
59.
Op basis van deze premissen moet worden vastgesteld of de Tsjechische Republiek de toepassing van de wederzijdse erkenning kan weigeren om redenen van bescherming van haar consumenten en de stempeling met haar eigen waarborgmerk kan voorschrijven op de door WaarborgHolland in haar kantoren buiten de Unie afgeslagen voorwerpen. Naar mijn mening en op grond van de voorgaande uiteenzetting heeft zij dit recht in de drie hiervoor besproken gevallen ( 32 ), waarop de rechtspraak van het Hof over de wederzijdse erkenning van waarborgmerken tussen de lidstaten geen toepassing kan vinden.
60.
Indien het edelmetalen voorwerp aan de nationale regeling van geen enkele lidstaat inzake het in de handel brengen van dit soort goederen (die niet is geharmoniseerd) voldoet of rechtstreeks wordt ingevoerd uit een derde staat, kan het niet voor wederzijdse erkenning van de waarborgmerken in aanmerking komen. Dit beginsel is uitsluitend, ik herhaal het nog eens, toepasselijk op voorwerpen die voldoen aan de regels van een lidstaat wiens wetgeving het gebruik van stempelmerken of andere vergelijkbare mechanismen eist, aangezien het is gebaseerd op het wederzijdse vertrouwen tussen lidstaten in de doeltreffendheid van hun respectievelijke maatregelen om misleiding van de consument met betrekking tot goud- en zilverwerk te voorkomen.
61.
Dat vertrouwen ontbreekt wanneer de handel in edelmetalen voorwerpen plaatsvindt tussen de Unie en derde staten waar het gebruik van de waarborgmerken niet is veralgemeniseerd, met uitzondering van de ondertekenaars van het Verdrag van Wenen. De Unie is geen partij bij dit verdrag, waarbij zich wel zestien van haar lidstaten hebben aangesloten, waaronder Nederland en de Tsjechische Republiek. Het Verdrag van Wenen, dat geen deel uitmaakt van het Unierecht, kan niet als grondslag dienen voor de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning, dat juist zijn oorsprong heeft in het Unierecht.
62.
De Commissie stelt dat ook in die drie gevallen de rechtspraak van het Hof over de wederzijdse erkenning van waarborgmerken moet worden toegepast. Volgens haar voldoen de voorwerpen die uit derde staten worden ingevoerd en in de lidstaten van de Unie in het vrije verkeer worden gebracht, aan de Nederlandse regeling, aangezien WaarborgHolland die regeling bij haar waarmerking in de kantoren in derde staten in acht neemt en haar laboratoria aan een vergelijkbaar toezicht van de Nederlandse autoriteiten onderwerpt als deze over de in Nederland verrichte activiteit uitoefenen. De door de Nederlandse wetgeving geoorloofde verplaatsing van de stempelingsdiensten naar derde staten ( 33 ) dient niet in de weg te staan aan de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning.
63.
De Commissie heeft in dit verband voorts vermeld dat WaarborgHolland beschikt over een door de Nederlandse Raad voor Accreditatie afgegeven certificaat ( 34 ), op grond waarvan zij haar stempelingsactiviteit buiten het Nederlandse grondgebied mag uitoefenen. Ter terechtzitting heeft de Commissie betoogd dat de Tsjechische autoriteiten overeenkomstig artikel 11, lid 2, van verordening nr. 765/2008 ( 35 ) verplicht zijn de gelijkwaardigheid te erkennen van de certificeringen van de conformiteitsbeoordelingsinstanties (in casu WaarborgHolland), die naar behoren zijn gemachtigd door de nationale accreditatieinstelling (in casu, de Raad voor Accreditatie).
64.
De Commissie heeft bovendien gewezen op de toezichtbevoegdheden van de Nederlandse autoriteiten bij de toepassing van hun nationale wetgeving op de activiteit van WaarborgHolland in derde landen, maar zij heeft geen bewijzen met betrekking tot de frequentie en intensiteit van die controles geleverd.
65.
Naar het mij voorkomt volstaan die factoren echter niet om de stelling van de Commissie gegrond te achten. In de eerste plaats werkt de bij verordening nr. 765/2008 voorziene wederzijdse erkenning van de certificeringen door de naar behoren door de nationale accreditatie-instantie geautoriseerde conformiteitsbeoordelingsinstanties alleen wanneer die certificeringen plaatsvinden op het grondgebied van een lidstaat van de Unie. Artikel 7 van verordening nr. 765/2008 staat bij wijze van uitzondering hierop in bepaalde gevallen grensoverschrijdende accreditatie toe, maar noemt de mogelijkheid van buiten het grondgebied van de Unie verrichte certificeringen niet, conform de praktijk volgens welke deze slechts worden aanvaard wanneer de Unie een internationaal verdrag met een derde land heeft gesloten. ( 36 ) De Unie heeft met China of Thailand geen internationale overeenkomst inzake wederzijdse erkenning van conformiteitsbeoordelingen gesloten die van toepassing zou zijn op de in die landen door WaarborgHolland aangebrachte stempelmerken.
66.
Voorts kunnen, zoals Tsjechië en Frankrijk hebben betoogd, de controlebevoegdheden van de Nederlandse accreditatieinstelling die toezicht houdt op de activiteiten van de keuringsinstellingen niet dezelfde zijn op het Nederlandse grondgebied en in een derde land. Om fraude met betrekking tot edelmetalen voorwerpen tegen te gaan is administratieve samenwerking nodig tussen de keuringsinstellingen, die fraude opsporen door middel van chemische analyses van de producten, en andere overheidsinstanties (douane- en belastingdiensten, politie en justitie), die de fraude vervolgen en bestraffen. Met de uitoefening van die controlebevoegdheden gaat het eventueel treffen van – noodzakelijkerwijze territoriale – bestuurlijke of strafrechtelijke sanctiemaatregelen gepaard, die de Nederlandse autoriteiten niet in een derde land ten uitvoer kunnen leggen.
67.
De verplichte stempeling is in de landen die haar toepassen een bestuursrechtelijke activiteit verbonden met de uitoefening van overheidsgezag, die zich niet laat rijmen met de mogelijkheid van verplaatsing naar derde staten, tenzij er een internationale overeenkomst bestaat. ( 37 )
68.
De bestuursrechtelijke aard van de stempelingsactiviteit garandeert ook een grotere onafhankelijkheid van de keuringsinstellingen ten opzichte van de ondernemingen in de sector waar het de uitoefening van deze activiteit betreft. De verplaatsing naar derde landen kan de onafhankelijkheid in gevaar brengen aangezien, zoals Frankrijk ter terechtzitting heeft opgemerkt, de bestuursrechtelijke bescherming in het derde land mogelijk niet dezelfde is als in de lidstaat van de Unie.
69.
Samenvattend: uitgaande van artikel 34 VWEU en de rechtspraak van het Hof waarin deze bepaling in samenhang met de wederzijdse erkenning van waarborgmerken is uitgelegd, kan de Tsjechische Republiek voorschrijven dat haar eigen waarborgmerk wordt gestempeld op de in derde landen vervaardigde en door WaarborgHolland buiten de Unie met het Nederlandse stempelmerk afgeslagen edelmetalen werken in de volgende drie gevallen:
—
wanneer zij rechtstreeks in de Tsjechische Republiek worden ingevoerd;
—
wanneer zij alvorens naar het Tsjechische grondgebied te worden uitgevoerd, zijn ingevoerd en in het vrije verkeer gebracht, maar niet rechtmatig in de handel gebracht in een andere lidstaat;
—
wanneer zij zijn ingevoerd, in het vrije verkeer gebracht en rechtmatig in de handel gebracht in een lidstaat die geen stempelmerk gebruikt.
70.
Daarentegen schendt de Tsjechische Republiek, gezien de wezenlijke gelijkwaardigheid tussen het Tsjechische waarborgmerk en het Nederlandse door WaarborgHolland afgeslagen Nederlandse waarborgmerk, artikel 34 VWEU en de uitlegging ervan in de rechtspraak van het Hof, door te eisen dat het Tsjechische stempelmerk wordt afgeslagen op de volgende categorieën van edelmetalen werken:
—
de in Nederland vervaardigde en rechtmatig in de handel gebrachte voorwerpen met het door WaarborgHolland aangebrachte Nederlandse stempelmerk, die worden uitgevoerd naar de Tsjechische Republiek;
—
de in derde landen vervaardigde, door WaarborgHolland in haar kantoren buiten de Unie met het Nederlandse stempelmerk afgeslagen voorwerpen, die zijn ingevoerd, in het vrije verkeer gebracht en rechtmatig in de handel gebracht in Nederland en nadien naar de Tsjechische Republiek worden uitgevoerd;
—
de in derde landen vervaardigde, door WaarborgHolland in haar kantoren buiten de Unie met het Nederlandse stempelmerk afgeslagen voorwerpen, die zijn ingevoerd en in het vrije verkeer gebracht in de Unie en rechtmatig in de handel gebracht in een andere lidstaat dan Nederland, wiens nationale wetgeving voorziet in het gebruik van waarborgmerken die vergelijkbaar zijn met het Tsjechische.
b) Evenredigheid van de maatregel
71.
In de gevallen waarin de Tsjechische Republiek mijns inziens artikel 34 VWEU schendt, moet nog worden vastgesteld of haar praktijk verenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel, dit wil zeggen, of er geen andere middelen zijn om de consumenten te beschermen tegen misleiding bij het in de handel brengen van deze voorwerpen, die de intracommunautaire handel minder beperken. ( 38 )
72.
Zoals Frankrijk in zijn memorie in interventie opmerkt, was de hantering van een ander dan het op het Nederlandse grondgebied gebruikte stempelmerk door WaarborgHolland bij haar activiteiten in derde landen eventueel een minder beperkend middel geweest. De Tsjechische Republiek had dan de stempeling met het Tsjechische waarborgmerk alleen voor de door WaarborgHolland in haar filialen buiten de Europese Unie afgeslagen voorwerpen kunnen eisen, terwijl zij tegelijkertijd de gelijkwaardigheid van het door WaarborgHolland in Nederland gestempelde Nederlandse waarborgmerk zou erkennen. Deze mogelijkheid is naar het schijnt door de Tsjechische Republiek onderzocht, maar niet door WaarborgHolland aanvaard ( 39 ), waarop de Tsjechische Republiek, aangezien de door WaarborgHolland in Nederland en in haar kantoren buiten de Unie gestempelde voorwerpen niet van elkaar konden worden onderscheiden, voor alle voorwerpen het Tsjechische waarborgmerk heeft voorgeschreven als voorwaarde voor het in de handel brengen op haar grondgebied.
73.
Deze praktijk voldoet mijns inziens niet aan het evenredigheidsbeginsel, aangezien er middelen zijn die het intracommunautaire handelsverkeer minder beperken, zoals een door de Tsjechische autoriteiten te stellen vereiste van een bewijs van oorsprong van het voorwerp. Dit zou bijvoorbeeld gerealiseerd kunnen worden door te verlangen dat de door WaarborgHolland gestempelde voorwerpen worden voorzien van een oorsprongsmerk dat de plaats van vervaardiging ervan aangeeft. ( 40 ) Met deze methode hadden de Tsjechische autoriteiten het door WaarborgHolland op de in Nederland vervaardigde voorwerpen aangebrachte stempelmerk kunnen erkennen en tegelijkertijd de stempeling met het Tsjechische stempelmerk slechts hoeven te verlangen voor de door WaarborgHolland in derde landen afgeslagen voorwerpen.
74.
Dit middel zou echter ongeschikt zijn om de door WaarborgHolland in derde landen gestempelde voorwerpen te identificeren die zijn ingevoerd en in het vrije verkeer gebracht in Nederland (of in lidstaten met waarmerksystemen die vergelijkbaar zijn met het Tsjechische) en vervolgens uitgevoerd naar Tsjechië. In deze gevallen kan de importeur het eerdere rechtmatig in de handel brengen in een lidstaat aantonen aan de hand van verschillende bewijsstukken, zoals facturen, etiketten van producten, verkoop- of belastingdocumenten, of een schriftelijke verklaring van de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar het product in de handel is gebracht. ( 41 ) Deze middelen zijn alle minder beperkend voor de handel in edelmetalen werken dan de verplichting tot de afslag van het Tsjechische merk op de door WaarborgHolland gestempelde edelmetalen werken.
IV – Conclusie
75.
In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
„1)
het beroep bij gebreke van voldoende precisie niet-ontvankelijk te verklaren voor zover het is gericht tegen de door de Commissie tegen de Tsjechische Republiek aangevoerde grieven betreffende haar weigering de niet door WaarborgHolland gestempelde Nederlandse waarborgmerken te erkennen;
2)
het beroep van de Commissie gedeeltelijk toe te wijzen en vast te stellen dat de Tsjechische Republiek de krachtens artikel 34 VWEU op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door de stempeling met het Tsjechische waarborgmerk te eisen voor edelmetalen werken die:
—
in Nederland zijn vervaardigd en rechtmatig in de handel gebracht met het door WaarborgHolland aangebrachte Nederlandse stempelmerk, en worden uitgevoerd naar de Tsjechische Republiek;
—
in derde landen zijn vervaardigd, door WaarborgHolland in haar kantoren buiten de Unie met het Nederlandse stempelmerk zijn afgeslagen, zijn ingevoerd, in het vrije verkeer gebracht en rechtmatig in de handel gebracht in Nederland en nadien naar de Tsjechische Republiek worden uitgevoerd;
—
in derde landen zijn vervaardigd, door WaarborgHolland in haar kantoren buiten de Unie met het Nederlandse stempelmerk zijn afgeslagen, zijn ingevoerd en in het vrije verkeer gebracht in de Unie en rechtmatig in de handel gebracht in een andere lidstaat dan Nederland, wiens nationale wetgeving voorziet in het gebruik van waarborgmerken die vergelijkbaar zijn met het Tsjechische, en nadien naar de Tsjechische Republiek worden uitgevoerd;
3)
het beroep voor het overige te verwerpen;
4)
de interveniërende partijen te verwijzen in de eigen kosten.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Spaans.
( 2 ) Arresten Commissie/Estland (C‑39/10, EU:C:2012:282, punten 24‑26), Commissie/Spanje (C‑211/08, EU:C:2010:340, punt 32), Commissie/Portugal (C‑458/08, EU:C:2010:692, punt 49), Commissie/Polen (C‑281/11, EU:C:2013:855, punten 121‑123), Commissie/Tsjechië (C‑343/08, EU:C:2010:14, punt 26) en Commissie/Spanje (C‑375/10, EU:C:2011:184, punten 10 en 11).
( 3 ) Proposition de directive du Conseil concernant le rapprochement des legislations des états membres relatives aux ouvrages en metaux precieux (voorstel voor een richtlijn van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgeving in de lidstaten betreffende werken uit edele metalen), COM/1975/607/def. van 1 december 1975 (PB 1976, C 11, blz. 2), ingetrokken in 1977. Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende werken van edelmetaal, COM(93) 322 def. van 14 oktober 1993, gewijzigd bij Gewijzigd voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende werken van edelmetaal, COM(94) 267 def. van 30 juni 1994 (PB C 209, blz. 4), dat in 2005 is ingetrokken.
( 4 ) Zie het gidsdocument van de Commissie, De toepassing van de verordening betreffende wederzijdse erkenning op werken van edelmetalen, van 1 februari 2010.
( 5 ) Volgens de beschikbare gegevens betrof 90 % van de 1524 kennisgevingen van weigering van wederzijdse erkenning in de periode van 13 mei 2009 – de datum van inwerkingtreding van verordening (EG) nr. 764/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van procedures voor de toepassing van bepaalde nationale technische voorschriften op goederen die in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht, en tot intrekking van beschikking nr. 3052/95/EG (PB L 218, blz. 21) – tot en met 31 december 2011, werken van edelmetaal. Zie document COM(2012) 292 final van 15 juni 2012, Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad, Eerste verslag van de toepassing van verordening nr. 764/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van procedures voor de toepassing van bepaalde nationale technische voorschriften op goederen die in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht, en tot intrekking van beschikking 3052/95/EG, blz. 8.
( 6 ) Zie de informatie op de website van de International Association of Assay Offices,
( 7 ) Volgens de door de Commissie verschafte informatie zijn er in de Unie thans 18 gehalten voor goud, waarvan er slechts twee gemeenschappelijk gelden in alle lidstaten (585 en 750). Voor zilver zijn er 15 nationale gehalten in de gehele Unie en alleen 800 en 925 worden in alle lidstaten erkend. Voor platina kent de Unie 5 gehalten; platina wordt niet als edelmetaal erkend in Bulgarije, Cyprus en Duitsland (Commissie, De toepassing van de verordening betreffende wederzijdse erkenning op werken van edelmetalen, 1 februari 2010, blz. 9).
( 8 ) Zie voor de tekst van het verdrag, die verschillende keren is gewijzigd, en de verdragsstaten,
( 9 ) Arresten Robertson e.a. (220/81, EU:C:1982:239), Houtwipper (C‑293/93, EU:C:1994:330), Commissie/Ierland (C‑30/99, EU:C:2001:346) en Juvelta (C‑481/12, EU:C:2014:11).
( 10 ) Arrest Rewe, het zogeheten arrest Cassis de Dijon (120/78, EU:C:1979:42).
( 11 ) Zie arresten Robertson e.a. (220/81, EU:C:1982:239, punten 9 en 11) en Houtwipper (C‑293/93, EU:C:1994:330, punten 11 en 14).
( 12 ) Arresten Robertson e.a. (220/81, EU:C:1982:239, punt 12), Houtwipper (C‑293/93, EU:C:1994:330, punt 15), Commissie/Ierland (C‑30/99, EU:C:2001:346, punten 30 en 69) en Juvelta (C‑481/12, EU:C:2014:11, punt 22).
( 13 ) Aangezien echter onder de bijzondere uitzonderingen van artikel XX van de Gatt de maatregelen „betreffende de in- en uitvoer van goud of zilver” zijn opgenomen, is het voor de staten eenvoudig hun beperkende nationale regelingen te rechtvaardigen.
( 14 ) De lijst van verdragsstaten en staten met de status van waarnemer (Kroatië, Italië, Servië, Sri-Lanka en Oekraïne) is te vinden op
( 15 ) Bijlage II, punt 4, bij het Verdrag van Wenen bepaalt dat de voorwerpen behalve met het gemeenschappelijk keurmerk moeten zijn gestempeld met het waarborgmerk van het land van herkomst of bestemming, het handtekenmerk van de fabrikant of het oorsprongsmerk en het gehaltemerk.
( 16 ) Convention entre le Conseil fédéral suisse et le Gouvernement de la République française relative à la reconnaissance réciproque des poinçons officiels apposés sur les ouvrages en métaux précieux, publiée comme annexe au Décret no 89‑216 du 10 avril 1989 (JORF van 14 april 1989. blz. 4741), gesloten op 2 juni 1987 en van kracht sinds 1 mei 1989. Convention entre la Confédération suisse et la République italienne relative à la reconnaissance réciproque des poinçons apposés sur les ouvrages en métaux précieux (RO 1974 753), gesloten op 15 januari 1970 en van kracht sinds 30 maart 1974.
( 17 ) Arresten Commissie/Duitsland (C‑387/99, EU:C:2004:235, punt 42) en Commissie/Spanje (C‑88/07, EU:C:2009:123, punt 54).
( 18 ) Zie met name arresten Dassonville (8/74, EU:C:1974:82, punt 5), Ker-Optika (C‑108/09, EU:C:2010:725, punt 47) en Juvelta (C‑481/12, EU:C:2014:11, punt 16).
( 19 ) Zie arresten Robertson e.a. (220/81, EU:C:1982:239, punt 9), Houtwipper (C‑293/93, EU:C:1994:330, punt 11), Commissie/Ierland (C‑30/99, EU:C:2001:346, punt 26) en Juvelta (C‑481/12, EU:C:2014:11, punt 17).
( 20 ) Arresten Houtwipper (C‑293/93, EU:C:1994:330, punt 13), Commissie/Ierland (C‑30/99, EU:C:2001:346, punt 27) en Juvelta (C‑481/12, EU:C:2014:11, punt 18).
( 21 ) Zie in deze zin arresten Tezi Textiel/Commissie (59/84, EU:C:1986:102, punt 26) en UNIC en Uni.co.pel (C‑95/14, EU:C:2015:492, punt 41).
( 22 ) Volgens welke een lidstaat artikel 34 VWEU schendt wanneer hij een nieuwe stempeling in de lidstaat van bestemming voorschrijft voor de producten die worden ingevoerd uit andere lidstaten waar zij van een stempelmerk zijn voorzien en rechtmatig in de handel zijn gebracht.
( 23 ) Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1) en verordening (EG) nr. 450/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (gemoderniseerd douanewetboek) (PB L 145, blz. 1).
( 24 ) In dit arrest zet het Hof uiteen dat wat het recht op vrij circuleren binnen de Gemeenschap betreft, producten „in het vrije verkeer” definitief en volledig zijn gelijkgesteld met producten van oorsprong uit de lidstaten. Bovendien heeft het erop gewezen dat deze gelijkstelling meebrengt dat de bepalingen van artikel 30 inzake de afschaffing van kwantitatieve beperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zonder onderscheid gelden voor producten van oorsprong uit de Gemeenschap en voor producten die, ongeacht hun oorsprong, in een van de lidstaten in het vrije verkeer zijn gebracht (arrest Donckerwolke e.a., 41/76, EU:C:1976:182, punten 17 en 18). Zie ook arresten Peureux (119/78, EU:C:1979:66, punt 26), Tezi Textiel/Commissie (59/84, EU:C:1986:102, punt 26), Budéjovicky Budvar (C‑216/01, EU:C:2003:618, punt 95) en UNIC en Uni.co.pel (C‑95/14, EU:C:2015:492, punt 41).
( 25 ) De kwestie staat in de literatuur ter discussie. Ik noem de studies van Ankersmit, L., „What if Cassis de Dijon were Cassis de Quebec? The assimilation of goods of third country origin in the internal market”, Common Market Law Review, 2013, nr. 6, blz. 1387‑1410, en Tegeder, J., „Applying the Cassis de Dijon doctrine to goods originating in third countries”, European Law Review, 1994, nr. 1, blz. 86‑94.
( 26 ) Zie Enchelmaier, S., „Article 36 TFEU: General”, in Oliver, Peter (red.), Oliver on the Free Movement of Goods in the European Union, 5e druk, Hart, Oxford, 2010, blz. 233.
( 27 ) Arrest Expo Casa Manta, C‑296/00 (EU:C:2002:316, punten 31 en 32) en arrest Alliance for Natural Health e.a. (C‑154/04 en C‑155/04, EU:C:2005:449, punt 95).
( 28 ) Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 339/93 (PB L 218, blz. 30).
( 29 ) In overweging 3 van verordening nr. 764/2008 wordt verklaard dat volgens het beginsel van wederzijdse erkenning, dat voortvloeit uit de rechtspraak van het Hof, „een lidstaat de verkoop van producten die in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht, op zijn grondgebied niet kan verbieden, zelfs indien deze producten werden vervaardigd overeenkomstig andere technische voorschriften dan die waaraan binnenlandse producten moeten voldoen. Beperkingen die gerechtvaardigd zijn op de in artikel 30 van het verdrag genoemde gronden of op grond van andere dwingende redenen van openbaar belang, en die in verhouding staan tot het nagestreefde doel, vormen de enige uitzonderingen op dat beginsel.”
De Commissie zelf wijst erop dat „[u]it derde landen ingevoerde producten [...] alleen voor wederzijdse erkenning in aanmerking [kunnen] komen wanneer zij in een lidstaat of in een EVA-land dat partij is bij de EER-Overeenkomst rechtmatig in de handel worden gebracht” [document COM(2013) 592 final van 18 augustus 2013, Leidraad inzake het begrip „rechtmatig in de handel gebracht” in verordening nr. 764/2008 inzake wederzijdse erkenning, blz. 6].
( 30 ) Volgens Gardeñes Santiago is in de handel met derde staten „de toepasselijke regel niet de wederzijdse erkenning, maar juist de tegenovergestelde, namelijk de strikte toepassing van de wettelijke regeling van de staat van invoer of van ontvangst. Dit betekent dat producten of diensten van een derde staat die in de Gemeenschap worden ingevoerd, moeten voldoen aan de geharmoniseerde communautaire normen, voor zover die er zijn, en die van de lidstaat waarin ze worden ingevoerd, en de voldoening aan de regeling van de staat van herkomst niet volstaat”. (Gardeñes Santiago, M., La aplicación de la regla del reconocimiento mutuo y su incidencia en el comercio de mercancías y servicios en el ámbito comunitario e internacional, Eurolex, Madrid, 1999, blz. 314).
( 31 ) De Europese Unie heeft een aantal overeenkomsten inzake wederzijdse erkenning van overeenstemmingsbeoordelingen gesloten met landen met sterk ontwikkelde economieën zoals de Verenigde Staten, Canada, Australië, Nieuw-Zeeland, Japan, Zwitserland en Israël. Die overeenkomsten en hun toepassingsregelingen kunnen worden geraadpleegd op de website van de Commissie .
( 32 ) Het betreft: a) de in de Tsjechische Republiek ingevoerde en in het vrije verkeer gebrachte voorwerpen; b) de voorwerpen die zijn ingevoerd en in het vrije verkeer gebracht in een lidstaat van de Unie zonder daar op de markt te zijn gebracht, en nadien zijn uitgevoerd naar de Tsjechische Republiek, en c) de voorwerpen die zijn ingevoerd en in het vrije verkeer gebracht in een lidstaat van de Unie die geen nationale regels kent die het gebruik van een waarborgmerk voorschrijven, en vervolgens zijn uitgevoerd naar de Tsjechische Republiek.
( 33 ) Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft een zaak beslecht over de toepassing van het Nederlandse recht op dit gebied, waarin de twee waarborginstellingen tegenover elkaar stonden naar aanleiding van de verplaatsing van de activiteit van WaarborgHolland naar derde staten, en deze bij uitspraak van 29 januari 2008 rechtmatig geoordeeld. [Zie ECLI:NL:CBB:2008:BC4052 – LJN BC4052, College van Beroep voor het bedrijfsleven, AWB 07/402 op ]. De tekst ervan is in het Engels beschikbaar op
( 34 ) Zo heeft zij in antwoord op een vraag van het Hof meegedeeld.
( 35 ) Het luidt letterlijk: „De nationale autoriteiten erkennen de gelijkwaardigheid van de diensten die worden geleverd door de accreditatie-instanties die met succes de collegiale toetsing uit hoofde van artikel 10 hebben doorlopen, en aanvaarden daarbij op basis van het in lid 1 van dit artikel genoemde vermoeden de accreditatiecertificaten van die instanties en de verklaringen die de door hen geaccrediteerde conformiteitsbeoordelingsinstanties afgeven.”
( 36 ) Zie bijvoorbeeld de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Australië tot wijziging van de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning van overeenstemmingsbeoordeling, certificaten en markeringen tussen de Europese Gemeenschap en Australië (PB 2012, L 359, blz. 2).
( 37 ) Dit rechtvaardigt mijns inziens de afwijzing van de staten die partij zijn bij het Verdrag van Wenen van de zogenoemde „offshore hallmarking” of verplaatsing van de activiteiten van keuringsinstellingen. Alle partijen bij dit verdrag, met uitzondering van Nederland, hebben zich tegen aanvaarding van de verplaatsing verzet tijdens de bijeenkomst van het permanente comité van het verdrag in 2008 in Londen ( en document PMC/SR 2/2008, van 16 mei 2008, blz. 6).
( 38 ) Arrest Ker-Optika (C‑108/09, EU:C:2010:725, punt 65).
( 39 ) Volgens WaarborgHolland zou het gebruik van een specifiek stempelmerk dat verschilt van het Nederlandse (in haar kantoren in derde staten) leiden tot een verlies van de handelswaarde verbonden met de goede naam van haar waarborgmerk op de markt. Gelet hierop zal zij de verplaatsing van haar contractactiviteit wellicht niet opportuun hebben gevonden.
( 40 ) Het vereiste van een oorsprongsmerk is gebruikelijk en is bijvoorbeeld opgenomen in het Verdrag van Wenen.
( 41 ) De Commissie noemt deze en andere bewijsmiddelen in haar document COM(2013) 592 final van 18 augustus 2013, Leidraad inzake het begrip „rechtmatig in de handel gebracht” in verordening nr. 764/2008 inzake wederzijdse erkenning, blz. 7.
Full & Egal Universal Law Academy