CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 25 februari 2016 ( 1 )
Zaak C‑557/14
Europese Commissie
tegen
Portugese Republiek
„Niet-nakoming — Artikel 260 VWEU — Niet-uitvoering van een arrest van het Hof — Arrest Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292) — Richtlijn 91/271/EEG — Behandeling van stedelijk afvalwater — Financiële sancties — Oplegging van dwangsom en forfaitaire som — Stapsgewijze verlaging van dwangsom”
I – Inleiding
1.
Het onderhavige geschil berust op een door de Europese Commissie tegen de Portugese Republiek ingesteld beroep op grond van artikel 260 VWEU wegens de vermeende onvolledige uitvoering van het arrest Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292). In dit arrest heeft het Hof een inbreuk door Portugal op richtlijn 91/271/EEG ( 2 ) (hierna: „afvalwaterrichtlijn”) vastgesteld, aangezien het stedelijke afvalwater van meerdere Portugese agglomeraties in strijd met de bepalingen van de richtlijn niet aan een passende behandeling was onderworpen. Portugal zelf erkent weliswaar dat het arrest ten gevolge van de onvoltooide installaties in één agglomeratie nog steeds niet volledig is uitgevoerd, maar de opvattingen van beide partijen lopen sterk uiteen wat betreft de daarvoor op te leggen financiële sancties.
II – Toepasselijke bepalingen
2.
Overeenkomstig artikel 1 van de afvalwaterrichtlijn regelt deze onder meer het opvangen, de behandeling en de lozing van stedelijk afvalwater en heeft de richtlijn ten doel het milieu te beschermen tegen de nadelige gevolgen van lozingen van deze soorten afvalwater.
3.
Conform artikel 3, lid 1, van de afvalwaterrichtlijn zorgen de lidstaten ervoor dat alle agglomeraties met meer dan 15000 inwonerequivalenten uiterlijk op 31 december 2000 voorzien zijn van een opvangsysteem voor stedelijk afvalwater.
4.
Overeenkomstig artikel 4, lid 1, van de afvalwaterrichtlijn zorgen de lidstaten ervoor dat in agglomeraties met meer dan 15000 inwonerequivalenten uiterlijk op 31 december 2000 stedelijk afvalwater dat in opvangsystemen terechtkomt, vóór lozing aan een „secundaire behandeling of een gelijkwaardig proces” wordt onderworpen, dat wil zeggen aan een intensievere zuivering dan gebruikelijk.
5.
Op grond van artikel 6, lid 2, van de afvalwaterrichtlijn is het onder bepaalde voorwaarden toegestaan om af te wijken van artikel 4, lid 1, als het afvalwater wordt geloosd in gebieden die als minder kwetsbaar zijn aangemerkt:
„Lozingen van stedelijk afvalwater van agglomeraties van 10000 tot 150000 [inwonerequivalenten] in kustwateren [...] mogen aan een behandeling worden onderworpen die minder ver gaat dan in artikel 4 is voorgeschreven, op voorwaarde dat:
—
die lozingen ten minste worden onderworpen aan een primaire behandeling als omschreven in artikel 2, punt 7, overeenkomstig de in bijlage I.D vastgestelde controleprocedures;
—
uit grondige studies blijkt dat die lozingen geen nadelige invloed op het milieu hebben.
—
[...]”
6.
Een afwijking met betrekking tot nog grotere agglomeraties is op grond van artikel 8, lid 5, van de afvalwaterrichtlijn mogelijk:
„In uitzonderlijke gevallen kan de in artikel 6 voor afvalwater van agglomeraties met 10000 tot 150000 [inwonerequivalenten] voorgeschreven behandeling worden toegepast voor afvalwaterlozingen van agglomeraties met meer dan 150000 [inwonerequivalenten] in minder kwetsbare gebieden, indien kan worden aangetoond dat een verdergaande behandeling geen voordelen voor het milieu oplevert.
In dat geval dienen de lidstaten tevoren een desbetreffend dossier bij de Commissie in. De Commissie bestudeert de zaak en neemt passende maatregelen volgens de in artikel 18, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.”
III – Achtergrond van het geschil en procedure voor het Hof
7.
Bij zijn arrest Commissie/Portugal (EU:C:2009:292) heeft het Hof op 7 mei 2009 vastgesteld dat de Portugese Republiek de krachtens de afvalwaterrichtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door zeven agglomeraties niet te voorzien van een opvangsysteem zoals voorgeschreven door artikel 3 van deze richtlijn, en door het stedelijke afvalwater van 15 agglomeraties, waaronder Matosinhos en Vila Real de Santo António, agglomeraties met 287000 respectievelijk 116500 inwonerequivalenten, niet aan een secundaire behandeling of een gelijkwaardig proces te onderwerpen, zoals voorgeschreven door artikel 4 van deze richtlijn.
8.
De Commissie verzocht Portugal bij brief van 18 juni 2009 om een reactie op de uitvoering van dit arrest. Na een briefwisseling verzocht zij de Portugese regering uiteindelijk op 21 februari 2014 overeenkomstig artikel 260, lid 2, VWEU formeel om opmerkingen in te dienen en stelde zij een termijn van twee maanden vast voor de uitvoering. Aangezien het antwoord naar de opvatting van de Commissie liet zien dat Portugal het arrest nog steeds niet volledig had uitgevoerd, heeft zij op 4 december 2014 beroep ingesteld bij het Hof.
9.
De Commissie verzoekt het Hof:
—
vast te stellen dat de Portugese Republiek de krachtens artikel 260, lid 1, VWEU op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door niet alle maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van 7 mei 2009 in zaak C‑530/07, Commissie/Portugal;
—
de Portugese Republiek te veroordelen tot betaling van een dwangsom ten bedrage van 20196 EUR per dag voor de vertraging in de uitvoering van het in zaak C‑530/07 gewezen, reeds genoemde arrest, te rekenen vanaf de datum van uitspraak van het arrest in de onderhavige zaak tot de datum waarop het in zaak C‑530/07 gewezen, reeds genoemde arrest zal zijn uitgevoerd;
—
de Portugese Republiek te veroordelen tot betaling van een forfaitaire som van 2244 EUR per dag, te rekenen vanaf de datum van uitspraak van het arrest in zaak C‑530/07 tot de datum waarop het arrest in de onderhavige zaak zal zijn gewezen, of tot de datum waarop het in zaak C‑530/07 gewezen, reeds genoemde arrest zal zijn uitgevoerd, indien die datum later zou vallen;
—
de Portugese Republiek te verwijzen in de kosten.
10.
De Portugese Republiek verzoekt het Hof:
—
het beroep ongegrond te verklaren en te verwerpen, voor zover zij het arrest betwist;
—
de Commissie te verwijzen in de kosten.
11.
Partijen hebben schriftelijke opmerkingen ingediend en ter terechtzitting van 21 januari 2016 pleidooi gehouden.
IV – Juridische beoordeling
A – Niet-nakoming
12.
Indien bij een arrest van het Hof is vastgesteld dat een lidstaat een krachtens het Unierecht op hem rustende verplichting niet is nagekomen, dient deze staat overeenkomstig artikel 260, lid 1, VWEU de maatregelen te treffen die voortvloeien uit dit arrest. Indien de Commissie van mening is dat de betrokken lidstaat niet al deze maatregelen heeft getroffen, kan zij overeenkomstig artikel 260, lid 2, VWEU de zaak voor het Hof brengen, nadat zij deze staat de mogelijkheid heeft geboden zijn opmerkingen in te dienen.
13.
De Commissie heeft de onderhavige niet-nakomingsprocedure op deze grondslag ingeleid. Om vast te stellen of Portugal alle noodzakelijke maatregelen heeft getroffen om uitvoering te geven aan het arrest Commissie/Portugal (EU:C:2009:292), moet worden onderzocht of de in dit arrest genoemde agglomeraties, zoals voorgeschreven in artikel 3 van de afvalwaterrichtlijn, zijn voorzien van een opvangsysteem respectievelijk of het stedelijke afvalwater ervan, zoals voorgeschreven in artikel 4 van deze richtlijn, aan een secundaire behandeling of een gelijkwaardig proces is onderworpen.
14.
Als referentiedatum voor de beoordeling van het bestaan van een niet-nakoming in de zin van artikel 260, lid 2, VWEU geldt het einde van de termijn die is gesteld in het verzoek tot het indienen van opmerkingen dat krachtens die bepaling is verzonden. ( 3 )
15.
Het verzoek van de Commissie aan de Portugese regering dateert van 21 februari 2014 en daarin is een termijn genoemd van twee maanden. De referentiedatum voor de beoordeling van een niet-nakoming is derhalve 21 april 2014.
16.
In deze aanmaningsbrief verweet de Commissie de Portugese regering alleen nog dat het stedelijke afvalwater van de agglomeraties Vila Real de Santo António en Matosinhos nog steeds niet overeenkomstig de vereisten van artikel 4 van de afvalwaterrichtlijn aan een secundaire behandeling of een gelijkwaardig proces was onderworpen.
17.
In hun antwoordbrief van 23 april 2014 bevestigden de vertegenwoordigers van Portugal dat de noodzakelijke werkzaamheden in de agglomeratie Vila Real de Santo António nog niet waren voltooid en die in de agglomeratie Matosinhos nog niet waren begonnen.
18.
Bijgevolg heeft Portugal op de referentiedatum, namelijk 21 april 2014, niet alle maatregelen getroffen om het stedelijke afvalwater van de twee genoemde agglomeraties overeenkomstig de bepalingen van artikel 4 van de afvalwaterrichtlijn te behandelen.
19.
Om die reden moet worden vastgesteld dat de Portugese Republiek de krachtens artikel 260, lid 1, VWEU op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door op 21 april 2014 niet alle maatregelen te hebben getroffen die noodzakelijk zijn ter uitvoering van het arrest Commissie/Portugal (EU:C:2009:292).
B – Financiële sancties
20.
De procedure van artikel 260, lid 2, VWEU heeft tot doel een in gebreke gebleven lidstaat ertoe te brengen het oorspronkelijke niet-nakomingsarrest uit te voeren, en daarmee de effectieve toepassing van het Unierecht te verzekeren. De maatregelen waarin de genoemde bepaling voorziet, de dwangsom en de forfaitaire som, dienen beide ditzelfde doel. ( 4 )
21.
Het staat aan het Hof om in elke zaak, naargelang de omstandigheden van de bij hem aanhangig gemaakte zaak en de mate van overreding en afschrikking die hem vereist lijkt, de financiële sancties vast te stellen die passend zijn om ervoor te zorgen dat het arrest waarbij eerder een niet-nakoming werd vastgesteld, zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd, en te voorkomen dat dergelijke inbreuken op het Unierecht zich vaker voordoen. ( 5 )
22.
De voorstellen van de Commissie kunnen het Hof hierbij niet binden en vormen louter een nuttige referentiebasis. Evenzo zijn richtsnoeren als die in de mededelingen van de Commissie voor het Hof niet bindend, maar dragen zij ertoe bij dat de doorzichtigheid, de voorspelbaarheid en de rechtszekerheid van het optreden van de Commissie worden gewaarborgd. ( 6 )
1. Dwangsom
23.
De oplegging van een dwangsom overeenkomstig artikel 260, lid 2, VWEU is in beginsel slechts gerechtvaardigd indien de niet-nakoming wegens de niet-uitvoering van een eerder arrest voortduurt. ( 7 )
24.
Alleen het feit dat Portugal aan het einde van de door de Commissie gestelde termijn het arrest Commissie/Portugal (EU:C:2009:292) nog niet volledig heeft uitgevoerd, rechtvaardigt dus nog niet het opleggen van een dwangsom. Veeleer dient aanvullend te worden onderzocht of het arrest op het moment van de uitspraak door het Hof nog verdere uitvoering behoeft.
25.
Om te beslissen over het opleggen van een dwangsom dient bijgevolg te worden onderzocht in welke omvang de inbreuken voortduren (zie onder a). Vervolgens dient het basisbedrag ervan te worden bepaald (zie onder b) en dient te worden besproken of de dwangsom een vast bedrag is of naargelang de uitvoering dient te worden verlaagd (zie onder c).
a) Voortduren van de inbreuken
i) Agglomeratie Vila Real de Santo António
26.
In zijn dupliek voert Portugal aan dat in april 2015 het resterende deel van de noodzakelijke werkzaamheden is voltooid om het afvalwater van de agglomeratie Vila Real de Santo António te onderwerpen aan een secundaire behandeling. Met betrekking tot deze agglomeratie is derhalve inmiddels volledig gevolg gegeven aan het arrest Commissie/Portugal (EU:C:2009:292), aldus Portugal. ( 8 )
27.
Ter terechtzitting heeft de Commissie zich echter op het standpunt gesteld dat een lidstaat artikel 4 van de afvalwaterrichtlijn pas heeft uitgevoerd als een periodieke controle van het gezuiverde afvalwater vóór de lozing in oppervlaktewateren gedurende één jaar heeft uitgewezen dat met de secundaire behandeling is voldaan aan de vereisten van de richtlijn. Deze controle is in dit geval niet uitgevoerd.
28.
De Commissie baseert zich in dit verband op Bijlage I.D, punt 3, van de afvalwaterrichtlijn, op grond waarvan afhankelijk van de grootte van de installatie een bepaald minimumaantal van periodieke monsters dient te worden genomen. Volgens artikel 15, eerste streepje, wordt hiermee beoogd de naleving van de eisen van Bijlage I.B te controleren, dus uiteindelijk de effectiviteit van de afvalwaterbehandeling.
29.
Uit de afvalwaterrichtlijn vloeit evenwel niet voort dat de naleving van artikel 4 met betrekking tot een bepaalde waterzuiveringsinstallatie überhaupt een controle veronderstelt. Veeleer bestaat de verplichting om periodiek monsters te nemen, naast de verplichting om een effectieve secundaire behandeling uit te voeren.
30.
Dienovereenkomstig moeten de relevante arresten aldus worden opgevat dat met het nemen van monsters het bewijs kan worden geleverd dat een waterzuiveringsinstallatie voldoet aan de eisen van de afvalwaterrichtlijn. ( 9 ) Het arrest Commissie/Italië zou bovendien aldus kunnen worden opgevat dat voor dit bewijs een bepaald minimumaantal monsters noodzakelijk is. ( 10 ) In het arrest Commissie/Griekenland heeft het Hof echter slechts bezwaar gemaakt tegen het feit dat het vanwege het ontbreken van periodiek genomen monsters gedurende drie maanden tussen de voltooiing van een waterzuiveringsinstallatie en de terechtzitting onmogelijk is om de effectiviteit van de afvalwaterzuivering te controleren. ( 11 ) En in het meest recente arrest Commissie/Portugal heeft het Hof uitdrukkelijk vastgesteld dat reeds één enkel monster volstaat om de naleving van artikel 4 aan te tonen. ( 12 )
31.
De Commissie zou een dergelijk bewijs kunnen betwisten. Hiervoor komen met name verdere monsters in aanmerking die niet voldoen aan de eisen van de afvalwaterrichtlijn, of het ontbreken van periodieke monsters, nadat eerder met succes monsters zijn genomen. De Commissie zou ook kunnen aanvoeren dat het monster onder omstandigheden is genomen die niet representatief zijn voor de kwaliteit van het afvalwater.
32.
In casu heeft Portugal onbetwist aangevoerd dat voor het tijdvak tot en met november 2015 monsters aan de Commissie zijn voorgelegd die de effectiviteit van de secundaire behandeling aantonen.
33.
De Commissie heeft dit betoog niet kunnen weerleggen. Zij heeft in wezen slechts gesteld dat alleen het nemen van monsters gedurende één jaar volstaat, omdat alleen een dergelijk tijdvak voldoende representatief is.
34.
Het valt evenwel niet in te zien waarom monsters van april tot en met november in een plaats in de Algarve niet representatief zouden zijn. Zoals de Commissie zelf heeft aangevoerd, is te verwachten dat de kwaliteit van het afvalwater daar gedurende het toeristenseizoen het slechtst is. Het toeristenseizoen valt echter binnen het tijdvak waarin monsters zijn genomen.
35.
Om die reden kan ervan uit worden gegaan dat in de agglomeratie Vila Real de Santo António inmiddels een richtlijnconforme toestand is bereikt. Bijgevolg is in zoverre geen dwangsom meer nodig.
ii) Agglomeratie Matosinhos
36.
Volgens de door Portugal verstrekte informatie is in de agglomeratie Matosinhos de bouw van de noodzakelijke installaties voor een secundaire behandeling van het stedelijke afvalwater tot dusver niet gerealiseerd ten gevolge van financieringsproblemen. ( 13 ) In zijn dupliek voert Portugal aan dat inmiddels is voldaan aan de voorwaarden voor de bouw. ( 14 ) In dit verband verstrekt Portugal een planning voor de bouwwerkzaamheden waaruit blijkt dat in de eerste helft van 2016 met deze werkzaamheden zal worden begonnen. De volledige ingebruikneming van de installatie is voorzien voor de tweede helft van 2019. ( 15 )
37.
Uit het eigen betoog van Portugal kan derhalve worden afgeleid dat het arrest Commissie/Portugal (EU:C:2009:292) ook op het moment van de terechtzitting nog niet volledig was uitgevoerd. In die omstandigheden is de veroordeling van Portugal tot betaling van een dwangsom een passend financieel middel om ervoor te zorgen dat de vastgestelde niet-nakoming wordt beëindigd en het arrest volledig wordt uitgevoerd. ( 16 )
b) Basisbedrag van de dwangsom
38.
Het is aan het Hof de dwangsom zodanig vast te stellen dat zij in de gegeven omstandigheden passend is en evenredig is aan de vastgestelde niet-nakoming en aan de financiële draagkracht van de betrokken lidstaat. ( 17 )
39.
Voor de beoordeling door het Hof zijn de basiscriteria die moeten worden gehanteerd om te verzekeren dat de dwangsom een dwingend karakter heeft met het oog op de eenvormige en effectieve toepassing van het recht van de Unie, in beginsel de duur van de inbreuk, de ernst ervan en de financiële draagkracht van de betrokken lidstaat. Bij de toepassing van deze criteria moet het Hof in het bijzonder rekening houden met de gevolgen van de niet-nakoming van de verplichtingen voor de publieke en de particuliere belangen en met de spoed waarmee de betrokken lidstaat zijn verplichtingen moet nakomen. ( 18 )
40.
De Commissie verzoekt tot aan de volledige uitvoering van het arrest Commissie/Portugal (EU:C:2009:292) een dagelijkse dwangsom op te leggen die als volgt wordt berekend: het voor alle lidstaten identieke forfaitaire basisbedrag van de dwangsom van 660 EUR per dag wordt vermenigvuldigd met de coëfficiënt voor de ernst van de inbreuk, die is vastgesteld op 3 (op een schaal van 1 tot 20), met een coëfficiënt voor de duur (op een schaal van 1 tot 3), die in casu is vastgesteld op 3, en met een factor „n”, die de financiële draagkracht van Portugal weergeeft en is vastgesteld op 3,40. Het verkregen bedrag is 20196,00 EUR per dag.
41.
Weliswaar becijfert het Hof bij de oplegging van financiële sancties bepaalde coëfficiënten niet, maar dit is een zinvolle methode om de berekening van sancties duidelijk te maken. Het voorstel van de Commissie moet derhalve hierna nader worden besproken.
i) Inachtneming van de financiële draagkracht van Portugal
42.
Volgens de rechtspraak van het Hof moet bij de berekening van de dwangsom rekening worden gehouden met de recente ontwikkeling van het bruto binnenlands product van een lidstaat ten tijde van het onderzoek van de feiten door het Hof. ( 19 ) Daarom moeten de geactualiseerde gegevens worden gebruikt die de Commissie in haar mededeling van 5 augustus 2015 heeft gepubliceerd. ( 20 ) Bijgevolg dient de factor „n” voor de financiële draagkracht van Portugal te worden gesteld op een waarde van 3,35. Daarentegen dient het uniforme basisbedrag thans te worden gesteld op 670 EUR.
ii) Duur van de inbreuk
43.
De duur van de niet-nakoming moet worden beoordeeld rekening houdend met het tijdstip waarop het Hof de feiten beoordeelt, en niet met het tijdstip waarop de Commissie de zaak bij het Hof aanhangig maakt. ( 21 )
44.
Naar de opvatting van de Commissie moet voor de duur van de inbreuk de hoogste coëfficiënt, namelijk 3, worden toegepast, dit gelet op de tijd die is verstreken sinds de datum van de uitspraak van het arrest Commissie/Portugal (EU:C:2009:292), namelijk bijna zeven jaar.
45.
Hiervoor pleit dat, hoewel artikel 260, lid 1, VWEU niet bepaalt binnen welke termijn uitvoering moet worden gegeven aan een arrest, volgens de rechtspraak van het Hof onverwijld met de uitvoering moet worden begonnen en deze zo snel mogelijk moet worden voltooid. ( 22 )
46.
In die zin heeft het Hof in twee arresten, die eveneens zijn gewezen in verband met gebreken bij de uitvoering van de afvalwaterrichtlijn, een tijdsbestek van bijna acht jaar als „aanzienlijk” ( 23 ) en een tijdsbestek van ongeveer negen jaar als „overdreven lang” ( 24 ) aangemerkt. Het Hof is tot dit oordeel gekomen, terwijl het tegelijkertijd heeft erkend dat de uit te voeren werkzaamheden een significante periode van meerdere jaren vergden en dat de uitvoering van het oorspronkelijke arrest vergevorderd, ja zelfs nagenoeg voltooid, was. ( 25 ) In een andere zaak met betrekking tot deze richtlijn achtte het Hof vijf jaar „meer dan voldoende” voor de volledige uitvoering van het arrest. ( 26 )
47.
Ook de meest recente uitspraken van het Hof op andere terreinen zijn hiermee in overeenstemming. Zo heeft het Hof in een onlangs gewezen arrest inzake de uitvoering van richtlijnen op het gebied van het beheer van afvalstoffen een duur van zeven jaar als „aanzienlijk” aangemerkt. ( 27 ) In verband met de terugvordering van in strijd met het Unierecht verstrekte steun heeft het Hof zelfs een duur van drie jaar reeds als een significante periode beschouwd. ( 28 )
48.
Op grond van het bovenstaande is het betoog van Portugal niet overtuigend dat de toepassing van een coëfficiënt van 3 voor de duur van de inbreuk dan passend zou zijn, als aan het arrest Commissie/Portugal (EU:C:2009:292) nog ten volle uitvoering zou moeten worden gegeven, en dat bijgevolg de coëfficiënt met het oog op de uitvoeringsstatus van het arrest van meer dan 90 % de waarde 1 niet zou mogen overstijgen. ( 29 )
49.
De Commissie voert immers terecht aan dat Portugal hier het criterium van de duur van de inbreuk verwart met dat van de ernst. ( 30 ) De uitvoeringsgraad van het oorspronkelijke arrest wordt bij de beoordeling van de ernst van de inbreuk in aanmerking genomen.
50.
Al met al lijkt een coëfficiënt van 3 voor de duur van de inbreuk derhalve passend.
iii) Ernst van de inbreuk
51.
Ten slotte moet de ernst van de inbreuk worden beoordeeld. Op dit punt verschillen beide partijen sterk van mening.
52.
De Commissie baseert haar voorstel om de coëfficiënt voor de ernst van de inbreuk te stellen op een waarde van 3 van 20, op twee kernargumenten.
53.
Ten eerste verwijst zij naar het belang van de unierechtelijke bepalingen die Portugal heeft geschonden. Uit de bepalingen van de afvalwaterrichtlijn vloeit volgens de Commissie voort dat de lozing van niet behandeld stedelijk afvalwater in ontvangende wateren een vervuiling veroorzaakt die de kwaliteit van dergelijke wateren en de daarmee samenhangende ecosystemen aanzienlijk aantast. Het opvangen en behandelen van het totale stedelijke afvalwater van agglomeraties met inwonerequivalenten van meer dan 15000 is derhalve van doorslaggevend belang voor de kwaliteit van de ontvangende wateren en van de ecosystemen en ook voor de volledige en juiste toepassing van andere richtlijnen. ( 31 )
54.
Ten tweede refereert de Commissie aan de gevolgen van de inbreuk voor zowel de algemene als de individuele belangen. Zo is de bescherming van het milieu en de menselijke gezondheid van algemeen belang. De onvolledige uitvoering van het arrest Commissie/Portugal (EU:C:2009:292) vormt hiervoor echter een hoog risico. De beperkte mogelijkheid van de burger om schoon water te gebruiken en, daarmee samenhangend, vrijetijdsactiviteiten te verrichten, kan bovendien invloed hebben op het toerisme. ( 32 )
55.
Voor de opvatting van de Commissie pleit dat – zoals het Hof ook reeds eerder heeft onderstreept – de niet-inachtneming van de verplichting voortvloeiende uit artikel 4 van de afvalwaterrichtlijn om stedelijk afvalwater te onderwerpen aan een secundaire behandeling, op grond van de aard van die verplichting een rechtstreekse bedreiging voor de gezondheid van de mens en schade aan het milieu kan meebrengen en in beginsel alleen al om die reden als bijzonder ernstig moet worden beschouwd. ( 33 )
56.
In die zin heeft het Hof ook reeds eerder beslist dat een niet-nakoming bijzonder ernstig is, wanneer het verzuim om een arrest van het Hof uit te voeren schade kan toebrengen aan het milieu, waarvan de bescherming tot de doelstellingen van het beleid van de Unie behoort, zoals blijkt uit artikel 191 VWEU. ( 34 )
57.
Portugal bestrijdt het betoog van de Commissie ten aanzien van de agglomeratie Matosinhos evenwel fel. Het wijst op het feit dat het stedelijke afvalwater van de agglomeratie op dit moment reeds wordt onderworpen aan een primaire behandeling en dat de kwaliteit van de ontvangende wateren en daarmee samenhangende ecosystemen niet te wensen overlaat. ( 35 ) Bovendien betwist Portugal de door de Commissie aangevoerde gevolgen voor de gezondheid van de bewoners. ( 36 ) Met het oog op de nagenoeg volledige uitvoering van het arrest Commissie/Portugal (EU:C:2009:292) kan de coëfficiënt voor de ernst van de inbreuk niet met een hogere waarde dan 1 worden becijferd, aldus Portugal. ( 37 )
58.
In dit verband voert Portugal twee argumenten aan. Enerzijds voldoet de agglomeratie Matosinhos aan de in de afvalwaterrichtlijn vastgestelde eisen op grond waarvan een secundaire behandeling van het stedelijke afvalwater achterwege kan blijven. Anderzijds is de kwaliteit van de wateren van Matosinhos uitstekend en is de vrees van de Commissie met betrekking tot de gevolgen voor milieu en gezondheid ongegrond.
– Eis van een secundaire behandeling
59.
Wat het eerste punt betreft voert Portugal aan dat het aan een primaire behandeling onderworpen afvalwater van de agglomeratie Matosinhos niet in meer- of rivierwateren, maar in uitermate onrustig zeewater met een hoog zoutgehalte wordt geloosd. Onder deze omstandigheden is volgens Portugal voldaan aan de voorwaarden van artikel 8, lid 5, van de afvalwaterrichtlijn, dat voorziet in de mogelijkheid van toepassing van minder strenge regels. ( 38 ) De Commissie zelf heeft in de notulen van de Raad inzake vaststelling van de afvalwaterrichtlijn verklaard dat deze bepaling van toepassing is op Portugal. ( 39 )
60.
Dit argument overtuigt niet, alleen al vanwege het feit dat de toepassing van artikel 8, lid 5, van de afvalwaterrichtlijn naar zijn inhoud het doorlopen van een bepaalde procedure veronderstelt. De betrokken lidstaat dient de vereiste documenten voor te leggen aan de Commissie, waarna deze een besluit neemt. Zoals de Commissie evenwel onbetwist heeft aangevoerd, heeft Portugal weliswaar zelf in 1999 verzocht om toepassing van de betrokken bepaling op de agglomeratie Matosinhos, maar dit verzoek later weer ingetrokken. ( 40 )
61.
Wel moet worden erkend dat tegen de achtergrond van de bijzondere voorwaarden in het geval van Matosinhos, op grond waarvan een toepassing van artikel 8, lid 5, van de afvalwaterrichtlijn niet op voorhand kan worden uitgesloten, een minder vergaande aantasting van het milieu te verwachten valt dan op andere plaatsen.
– Kwaliteit van het water in Matosinhos
62.
Bovendien voert Portugal aan dat met de bestaande primaire behandeling van het afvalwater een verlaging van het chemische en biochemische zuurstofverbruik met gemiddeld 42 tot 43 % wordt gerealiseerd, hetgeen overeenkomt met meer dan het dubbele van de waarde van 20 % zoals voorgeschreven in de afvalwaterrichtlijn. ( 41 ) Bovendien wordt het aan een primaire behandeling onderworpen stedelijke afvalwater van de agglomeratie Matosinhos via een lozingspijp op een afstand van meer dan 2 kilometer van de kust in de zee geloosd, waardoor de goede kwaliteit van de kustwateren niet wordt aangetast, aldus Portugal. ( 42 ) Portugal verwijst verder naar periodiek uitgevoerde onderzoeken van de zwemwateren in Matosinhos die de uitstekende kwaliteit ervan bevestigen. ( 43 ) In deze omstandigheden bestaat geen aanleiding om uit te gaan van een risico voor de gezondheid van de bewoners of voor het toerisme. ( 44 ) Een nog grondigere behandeling van het stedelijk afvalwater heeft volgens Portugal dan ook objectief gezien geen significante betekenis meer voor het milieu. ( 45 )
63.
Wat de door Portugal aangevoerde verlaging van het chemische en biochemische zuurstofverbruik betreft wil ik opmerken dat een verlaging met 20 % voldoet aan de eisen die de afvalwaterrichtlijn stelt aan een primaire behandeling van het afvalwater. Daarentegen noemt de richtlijn als richtsnoer voor de secundaire behandeling een verlaging van het chemische zuurstofverbruik met ten minste 75 % en van het biochemische zuurstofverbruik met 70 tot 90 %. Deze waarden worden nog steeds niet bereikt.
64.
Bovendien blijkt weliswaar uit de door Portugal verstrekte gegevens dat de kwaliteit van het zwemwater op de meeste stranden van Matosinhos als „uitstekend” wordt beoordeeld. De waterkwaliteit bij het strand „Azul-Conchina”, waar volgens de onbetwiste verklaringen van de Commissie het afvalwater na een primaire behandeling in zee wordt geloosd, wordt echter slechts als „voldoende” beoordeeld, en de waterkwaliteit bij het strand „Matosinhos”, dat het dichtst in de buurt ligt van het stedelijk gebied van Matosinhos, wordt slechts als „goed” beoordeeld. Op grond daarvan zijn deze stranden in de zin van richtlijn 2006/7/EG betreffende de kwaliteit van zwemwateren ( 46 ) nog bruikbaar, maar het feit dat de kwaliteit niet uitstekend is, wijst erop dat de ontoereikende zuivering van het afvalwater de waterkwaliteit aantast. In de directe nabijheid van de plaats van lozing zal de aantasting zelfs nog groter zijn.
65.
Voor zover Portugal als reden voor de verslechtering van de kwaliteit van beide zwemwateren uitsluitend verwijst naar buitengewone omstandigheden van korte duur, zonder in dit verband rekening te houden met de exploitatie van de afvalwaterzuiveringsinstallatie, lijkt dit weinig overtuigend, aangezien deze beoordelingen van de genoemde stranden zonder onderbreking reeds sinds 2012 bestaan. De Commissie wijst er dus mijns inziens terecht op dat hier klaarblijkelijk ruimte voor verbetering bestaat. De verwezenlijking van een secundaire behandeling van het afvalwater kan bijdragen aan deze verbetering.
66.
Derhalve kan ervan uit worden gegaan dat op grond van de niet-uitvoering van het arrest Commissie/Portugal (EU:C:2009:292) weliswaar geen zware milieuschade optreedt, maar dat het milieu en in het bijzonder de stranden in de buurt van Matosinhos nog steeds worden aangetast.
– Verdere verzwarende dan wel verzachtende omstandigheden
67.
Als verzwarende omstandigheid kan verder worden aangemerkt dat de volledige uitvoering van het arrest Commissie/Portugal (EU:C:2009:292) volgens de door Portugal overgelegde planning pas in 2019 zal zijn voltooid. Dit is dus een vertraging van bijna 20 jaar, aangezien de betrokken verplichting om het stedelijke afvalwater van de agglomeratie Matosinhos te onderwerpen aan een secundaire behandeling, uiterlijk op 31 december 2000 had moeten zijn nagekomen. Volgens de rechtspraak is de lange duur van een schending van het Unierecht een verzwarende omstandigheid voor de inbreuk ( 47 ), alhoewel dat aspect reeds in aanmerking wordt genomen bij de berekening van de coëfficiënt voor de duur.
68.
Anderzijds moet rekening worden gehouden met de voortgang die Portugal heeft geboekt bij de uitvoering van de afvalwaterrichtlijn en die ook door de Commissie wordt erkend. ( 48 )
69.
Zo hoeft nog slechts één agglomeratie in overeenstemming te worden gebracht met het arrest Commissie/Portugal (EU:C:2009:292). Dit is veel minder dan het aantal van de oorspronkelijk in dit arrest genoemde agglomeraties, namelijk 22. Uitgedrukt in inwonerequivalenten hoeven van de oorspronkelijk 3243600 inwonerequivalenten nog slechts 287000 inwonerequivalenten in overeenstemming te worden gebracht met de richtlijn. Dit is een uitvoeringsgraad van meer dan 90 %. Portugal heeft dus de aantasting van de menselijke gezondheid en het milieu ten gevolge van de inbreuk zoals vastgesteld in het arrest Commissie/Portugal (EU:C:2009:292) aanzienlijk verminderd.
70.
Gezien het bovenstaande stel ik voor een coëfficiënt voor de ernst van de inbreuk van 1,5 toe te passen.
iv) Tussenconclusie
71.
Op grond van het basisbedrag van 670 EUR per dag en de vermenigvuldiging daarvan met een coëfficiënt voor de ernst van de inbreuk van 1,5, een coëfficiënt voor de duur van de inbreuk van 3 en de factor „n” van 3,35 bedraagt de dagelijkse dwangsom 10100,25 EUR. Het lijkt redelijk om dit bedrag af te ronden naar 10000 EUR.
c) Mogelijkheid van een stapsgewijze verlaging van de dwangsom
72.
De Commissie stelt voor om in de toekomst bij de vaststelling van de dwangsom de door Portugal geboekte voortgang bij de uitvoering van het arrest Commissie/Portugal (EU:C:2009:292) aldus in acht te nemen dat de dwangsom wordt verlaagd naargelang het aantal van de inwonerequivalenten dat in overeenstemming wordt gebracht met de richtlijn.
73.
Ook Portugal stuurt aan op een degressieve dwangsom, maar wijst erop dat in het geval van de agglomeratie Matosinhos de aangevoerde inbreuk is beperkt tot het bieden van de mogelijkheid van een secundaire behandeling van het stedelijke afvalwater. Om die reden zou de voortgang die is geboekt bij de betrokken werkzaamheden, doorslaggevend moeten zijn voor de stapsgewijze verlaging van de dwangsom. ( 49 ) Een aanpak overeenkomstig het voorstel van de Commissie acht Portugal in casu noch haalbaar noch mogelijk, aangezien het stedelijke afvalwater pas na voltooiing van de bouwwerkzaamheden kan worden onderworpen aan een secundaire behandeling. Daarentegen is een successieve verlaging van de betrokken inwonerequivalenten niet mogelijk, aldus Portugal. ( 50 )
74.
Volgens de rechtspraak van het Hof moet ter verzekering van de volledige uitvoering van een arrest de dwangsom in beginsel in haar geheel worden gevorderd tot de lidstaat alle maatregelen heeft genomen die noodzakelijk zijn om een einde te maken aan de vastgestelde niet-nakoming. In bepaalde specifieke gevallen kan evenwel toch een sanctie worden overwogen die rekening houdt met de voortgang die de lidstaat eventueel heeft geboekt bij de nakoming van zijn verplichtingen. ( 51 ) Dit voldoet aan het evenredigheidsbeginsel, aangezien een dwangsom die volledig opeisbaar blijft ongeacht de voortgang die is geboekt bij de uitvoering van het eerste arrest, niet langer passend en onevenredig aan de vastgestelde inbreuk zou zijn. ( 52 )
75.
In die zin heeft het Hof reeds meermaals degressieve dwangsommen opgelegd. Die gevallen hadden enerzijds betrekking op de kwaliteit van een groot aantal zwemwateren ( 53 ), de terugvordering van overeenkomstig een steunregeling betaalde steun ( 54 ) of de sluiting en sanering van illegale stortplaatsen. ( 55 ) Anderzijds heeft het Hof op dezelfde wijze ook beslist in twee gevallen die structureel overeenstemmen met het onderhavige geval, aangezien het daar eveneens ging om de primaire respectievelijk secundaire behandeling van stedelijk afvalwater. ( 56 )
76.
In tegenstelling tot het betoog van Portugal is het echter niet mogelijk om voor de stapsgewijze verlaging van de dwangsom rekening te houden met de voortgang die is geboekt bij de bouw van de installatie voor secundaire behandeling ten behoeve van Matosinhos. Pas wanneer is verzekerd dat daadwerkelijk aanvullende inwonerequivalenten in overeenstemming met de richtlijn zijn gebracht, is er immers sprake van een verdere uitvoering van het arrest Commissie/Portugal (EU:C:2009:292) en worden de bepalingen van artikel 4 van de afvalwaterrichtlijn in acht genomen. De voortgang bij de bouwwerkzaamheden op zich, ook al zijn er tal van vorderingen gemaakt, heeft echter nog niet tot gevolg dat de belasting van het milieu is verminderd; dit is pas te verwachten nadat de installatie voor secundaire behandeling in gebruik is genomen. Zoals het Hof reeds heeft beslist ten aanzien van België en Griekenland, kan voor de verlaging van de dwangsom derhalve alleen de vermindering van de niet-richtlijnconforme inwonerequivalenten doorslaggevend zijn. ( 57 ) Met betrekking tot Luxemburg, waar op dit moment nog twee installaties worden gebouwd, heeft het Hof zelfs elke verlaging van de dwangsom afgewezen, zolang de bouw van beide installaties nog niet is voltooid. ( 58 ) Ten opzichte van deze andere lidstaten zou er sprake zijn van een voorkeursbehandeling van Portugal, als in casu een verlaging van de dwangsom op grond van de bij de bouw geboekte voortgang zou worden toegekend.
77.
Aangezien Portugal zelf aanvoert dat een successieve verhoging van de richtlijnconforme inwonerequivalenten en daarmee een vermindering van de aantasting van het milieu in het geval van de agglomeratie Matosinhos niet mogelijk is, zou een vaste dwangsom moeten worden opgelegd.
d) Tussenconclusie
78.
Bijgevolg moet de Portugese Republiek worden veroordeeld om aan de Europese Commissie op de rekening „Eigen middelen van de Europese Unie” een dagelijkse dwangsom van 10000 EUR te betalen totdat het arrest Commissie/Portugal (EU:C:2009:292) volledig is uitgevoerd.
2. Forfaitaire som
79.
Volgens de rechtspraak van het Hof kan in aanvulling op de dwangsom ook een forfaitaire som worden opgelegd. ( 59 ) Dit moet in elk concreet geval gebaseerd blijven op alle relevante aspecten die zowel verband houden met de kenmerken van de vastgestelde niet-nakoming als met de houding van de lidstaat waarop de op grond van artikel 260 VWEU ingeleide procedure betrekking heeft. Dienaangaande verleent deze bepaling het Hof een ruime beoordelingsvrijheid voor zijn beslissing om al dan niet een dergelijke sanctie op te leggen. ( 60 )
80.
De Commissie stelt voor om voor de berekening van de forfaitaire som een methode toe te passen die erin bestaat het vaste basisbedrag van 220 EUR per dag te vermenigvuldigen met de coëfficiënt voor de ernst van de inbreuk en de factor „n”, die zouden moeten corresponderen met de waarden die voor de berekening van de dwangsom zijn voorgesteld, alsook met het aantal dagen dat sinds het eerste arrest is verstreken.
81.
Wanneer deze gegevens overeenkomstig mijn voorstel voor de aan Portugal op te leggen dwangsom worden geactualiseerd door uit te gaan van het basisbedrag van 220 EUR, de factor „n” van 3,35 en de coëfficiënt voor de ernst van de inbreuk van 1,5 ( 61 ), dan komt men uit op een basisbedrag van 1105,50 EUR. Uitgaande van de datum waarop deze conclusie wordt genomen, 2485 dagen na de uitspraak van het arrest Commissie/Portugal (EU:C:2009:292), resulteert dat in een forfaitaire som van 2747167,50 EUR. Wanneer het arrest bijvoorbeeld drie maanden na de conclusie wordt gewezen, zou het denkbaar zijn een forfaitaire som van 2846662,50 EUR op te leggen.
82.
Het is evenwel de vraag of dit bedrag passend is.
83.
Allereerst moet als verzwarende omstandigheid rekening worden gehouden met het feit dat in de agglomeratie Vila Real de Santo António weliswaar inmiddels een richtlijnconforme toestand is gerealiseerd, maar ook ten aanzien van deze agglomeratie moet in het kader van de onderhavige procedure een niet-nakoming worden vastgesteld. ( 62 )
84.
Bovendien moet bij de vaststelling van de forfaitaire som volgens de rechtspraak tevens rekening worden gehouden met de „houding” van de betrokken lidstaat. ( 63 )
85.
In dit verband moet ook worden meegenomen dat de Commissie Portugal verwijt de zelf overgelegde planningen totaal niet in acht te hebben genomen. ( 64 )
86.
Daarentegen beroept Portugal zich op de voortdurende samenwerking tussen de autoriteiten van dit land en de Commissie alsmede op de nauwkeurige informatie die de Portugese autoriteiten aan de Commissie hebben verstrekt.
87.
Bij de vaststelling van de forfaitaire som moeten tekortkomingen in de samenwerking met de Commissie in aanmerking worden genomen. ( 65 ) Zoals blijkt uit het dossier, hebben de Commissie en de Portugese autoriteiten na de uitspraak van het arrest Commissie/Portugal (EU:C:2009:292) uitvoerig gecommuniceerd. De Commissie bekritiseert ook niet het reactiegedrag van Portugal als zodanig. Wel verwijt de Commissie Portugal terecht dat het zich herhaaldelijk niet heeft gehouden aan zijn eigen planningen. Zo had Portugal de voltooiing van de afvalwaterzuiveringsinstallatie voor Matosinhos aangekondigd voor achtereenvolgens december 2011 ( 66 ), april 2013 ( 67 ), december 2013 ( 68 ) en uiteindelijk 2017 ( 69 ). Volgens de meest recente, door Portugal ter beschikking gestelde planning zal de installatie nu pas in de tweede helft van 2019 in gebruik worden genomen. ( 70 ) Ook werd aangekondigd dat de agglomeratie Vila Real de Santo António vóór het einde van 2010 richtlijnconform zou zijn. Feitelijk was dit pas in 2015 het geval.
88.
Bovendien verwijst de Commissie naar het grote aantal niet-nakomingsprocedures tegen Portugal die tevens hebben geleid tot arresten van het Hof op het gebied van de behandeling van stedelijk afvalwater. Hieruit blijkt dat Portugal zich herhaaldelijk onrechtmatig heeft gedragen, dit in een sector waar de gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu bijzonder zwaar zijn. ( 71 )
89.
Volgens de rechtspraak van het Hof kan een dergelijke herhaling van inbreukmakende gedragingen van een lidstaat, in een specifieke sector van het optreden van de Unie, er een aanwijzing voor vormen dat voor de effectieve voorkoming dat zich in de toekomst vaker dergelijke inbreuken op het Unierecht voordoen, vereist is dat een afschrikkende maatregel, zoals de veroordeling tot betaling van een forfaitaire som, wordt genomen. ( 72 ) En inderdaad werd Portugal naast het arrest Commissie/Portugal (EU:C:2009:292) reeds vier keer veroordeeld, omdat het zijn verplichtingen op grond van de afvalwaterrichtlijn niet was nagekomen. ( 73 )
90.
Gezien het bovenstaande stel ik voor de Portugese Republiek een forfaitaire som van drie miljoen EUR op te leggen.
V – Kosten
91.
Krachtens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd.
92.
De Commissie heeft de veroordeling van Portugal gevorderd, en de niet-nakoming dient te worden vastgesteld. Dit volstaat volgens de rechtspraak om Portugal te verwijzen in de kosten van de procedure ( 74 ), al is de Commissie in het ongelijk gesteld voor zover haar vordering betrekking had op de oplegging van een hogere dwangsom en forfaitaire som.
VI – Conclusie
93.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:
„1)
De Portugese Republiek is de krachtens artikel 260, lid 1, VWEU op haar rustende verplichtingen niet nagekomen door per 21 april 2014, toen de door de Europese Commissie gestelde termijn afliep, niet alle maatregelen te hebben genomen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het arrest Commissie/Portugal (C‑530/07, EU:C:2009:292).
2)
De Portugese Republiek wordt veroordeeld om aan de Commissie op de rekening ‚Eigen middelen van de Europese Unie’ een dagelijkse dwangsom van 10000 EUR te betalen totdat het arrest Commissie/Portugal (EU:C:2009:292) volledig is uitgevoerd.
3)
De Portugese Republiek wordt veroordeeld om aan de Europese Commissie op de rekening ‚Eigen middelen van de Europese Unie’ een forfaitaire som van 3 miljoen EUR te betalen.
4)
De Portugese Republiek wordt verwezen in de kosten.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Duits.
( 2 ) Richtlijn van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PB L 135, blz. 40) in de bij richtlijn 98/15/EG van de Commissie van 27 februari 1998 (PB L 67, blz. 29) gewijzigde versie.
( 3 ) Arresten Commissie/Spanje (C‑610/10, EU:C:2012:781, punt 67), Commissie/Tsjechische Republiek (C‑241/11, EU:C:2013:423, punt 23), Commissie/België (C‑533/11, EU:C:2013:659, punt 32), Commissie/Griekenland (C‑378/13, EU:C:2014:2405, punt 27) en Commissie/Griekenland (C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 29).
( 4 ) Arresten Commissie/Griekenland (C‑369/07, EU:C:2009:428, punt 140) en Commissie/Italië (C‑367/14, EU:C:2015:611, punt 85).
( 5 ) Arresten Commissie/Italië (C‑496/09, EU:C:2011:740, punt 36), Commissie/Spanje (C‑184/11, EU:C:2014:316, punt 58), Commissie/Italië (C‑196/13, EU:C:2014:2407, punt 86) en Commissie/Italië (C‑367/14, EU:C:2015:611, punt 86).
( 6 ) Arresten Commissie/Portugal (C‑70/06, EU:C:2008:3, punt 34), Commissie/Griekenland (C‑369/07, EU:C:2009:428, punt 112), Commissie/Italië (C‑496/09, EU:C:2011:740, punt 37), Commissie/België (C‑533/11, EU:C:2013:659, punt 64) en Commissie/Italië (C‑367/14, EU:C:2015:611, punt 87).
( 7 ) Arresten Commissie/Griekenland (C‑369/07, EU:C:2009:428, punt 59), Commissie/Italië (C‑496/09, EU:C:2011:740, punt 42), Commissie/Luxemburg (C‑576/11, EU:C:2013:773, punt 43), Commissie/Italië (C‑196/13, EU:C:2014:2407, punt 87) en Commissie/Griekenland (C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 47).
( 8 ) Punten 18 en 22 van de dupliek.
( 9 ) Arresten Commissie/Italië (C‑565/10, EU:C:2012:476, punten 37 en 38), Commissie/Griekenland (C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 48) en Commissie/Portugal (C‑398/14, EU:C:2016:61, punt 39).
( 10 ) Arrest Commissie/Italië (C‑565/10, EU:C:2012:476, punt 38).
( 11 ) Arrest Commissie/Griekenland (C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 48).
( 12 ) Arrest Commissie/Portugal (C‑398/14, EU:C:2016:61, punt 39).
( 13 ) Zie de brief van de Portugese autoriteiten van 23 april 2014 in antwoord op de aanmaningsbrief van de Commissie van 21 februari 2014 (Bijlage A 11 van het beroepschrift).
( 14 ) Punt 31 van de dupliek.
( 15 ) Punt 32 alsmede Bijlage D 2 van de dupliek.
( 16 ) Arresten Commissie/Italië (C‑496/09, EU:C:2011:740, punt 45), Commissie/Spanje (C‑610/10, EU:C:2012:781, punt 114), Commissie/België (C‑533/11, EU:C:2013:659, punt 66), Commissie/Luxemburg (C‑576/11, EU:C:2013:773, punt 45), Commissie/Italië (C‑196/13, EU:C:2014:2407, punt 94) en Commissie/Griekenland (C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 49).
( 17 ) Arresten Commissie/België (C‑533/11, EU:C:2013:659, punt 68), Commissie/Luxemburg (C‑576/11, EU:C:2013:773, punt 46), Commissie/Griekenland (C‑378/13, EU:C:2014:2405, punt 52), Commissie/Italië (C‑196/13, EU:C:2014:2407, punt 95) en Commissie/Griekenland (C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 52).
( 18 ) Arresten Commissie/Griekenland (C‑369/07, EU:C:2009:428, punten 114 en 115), Commissie/Italië (C‑496/09, EU:C:2011:740, punten 56 en 57), Commissie/Spanje (C‑610/10, EU:C:2012:781, punten 118 en 119), Commissie/België (C‑533/11, EU:C:2013:659, punt 69), Commissie/Italië (C‑196/13, EU:C:2014:2407, punt 97) en Commissie/Griekenland (C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 54).
( 19 ) Arresten Commissie/Ierland (C‑279/11, EU:C:2012:834, punt 78), Commissie/Griekenland (C‑378/13, EU:C:2014:2405, punt 58), Commissie/Italië (C‑196/13, EU:C:2014:2407, punt 104) en Commissie/Griekenland (C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 60).
( 20 ) C(2015) 5511 final.
( 21 ) Arresten Commissie/Portugal (C‑70/06, EU:C:2008:3, punt 45), Commissie/Spanje (C‑610/10, EU:C:2012:781, punt 120), Commissie/Griekenland (C‑378/13, EU:C:2014:2405, punt 57) en Commissie/Italië (C‑196/13, EU:C:2014:2407, punt 102).
( 22 ) Arresten Commissie/Spanje (C‑278/01, EU:C:2003:635, punt 27), Commissie/Ierland (C‑374/11, EU:C:2012:827, punt 21), Commissie/Portugal (C‑76/13, EU:C:2014:2029, punt 57) en Commissie/Italië (C‑367/14, EU:C:2015:611, punt 95).
( 23 ) Arrest Commissie/Griekenland (C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 59).
( 24 ) Arrest Commissie/België (C‑533/11, EU:C:2013:659, punt 54).
( 25 ) Arrest Commissie/België (C‑533/11, EU:C:2013:659, punt 54).
( 26 ) Arrest Commissie/Luxemburg (C‑576/11, EU:C:2013:773, punt 52).
( 27 ) Arrest Commissie/Italië (C‑196/13, EU:C:2014:2407, punt 103).
( 28 ) Arrest Commissie/Italië (C‑367/14, EU:C:2015:611, punt 98).
( 29 ) Punt 73 van het verweerschrift en punt 59 van de dupliek.
( 30 ) Punt 46 van de repliek.
( 31 ) Punten 25‑32 van het beroepschrift.
( 32 ) Punten 35‑37 van het beroepschrift.
( 33 ) Arrest Commissie/Griekenland (C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 55).
( 34 ) Arresten Commissie/Ierland (C‑279/11, EU:C:2012:834, punt 72) en Commissie/België (C‑533/11, EU:C:2013:659, punt 56).
( 35 ) Punten 21 en 23 van het verweerschrift.
( 36 ) Punt 25 van het verweerschrift.
( 37 ) Punt 71 van het verweerschrift.
( 38 ) Punten 27 en 32 van het verweerschrift.
( 39 ) Punt 29 van het verweerschrift
( 40 ) Punt 21 en Bijlage C 2 van de repliek.
( 41 ) Punt 23 van het verweerschrift.
( 42 ) Punt 33 van het verweerschrift.
( 43 ) Punt 28 van de dupliek alsmede punten 33 en 34 van het verweerschrift.
( 44 ) Punt 34 van het verweerschrift.
( 45 ) Punt 27 van de dupliek.
( 46 ) Richtlijn 2006/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit en tot intrekking van richtlijn 76/160/EEG (PB L 64, blz. 37).
( 47 ) Arrest Commissie/Ierland (C‑374/11, EU:C:2012:827, punt 38).
( 48 ) Arrest Commissie/Griekenland (C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 58).
( 49 ) Punt 47 van het verweerschrift.
( 50 ) Punten 41 e.v. van de dupliek.
( 51 ) Arresten Commissie/Griekenland (C‑378/13, EU:C:2014:2405, punt 60), Commissie/Italië (C‑196/13, EU:C:2014:2407, punt 106) en Commissie/Griekenland (C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 62). Zie in die zin ook arrest Commissie/Spanje, (C‑278/01, EU:C:2003:635, punten 43‑51), Commissie/Italië (C‑496/09, EU:C:2011:740, punten 47‑55) en Commissie/België (C‑533/11, EU:C:2013:659, punten 73e.v.).
( 52 ) Arresten Commissie/Spanje (C‑278/01, EU:C:C2003:635, punten 48 e.v.) en Commissie/Italië (C‑496/09, EU:C:2011:740, punt 49).
( 53 ) Arrest Commissie/Spanje (C‑278/01, EU:C:2003:635).
( 54 ) Arrest Commissie/Italië (C‑496/09, EU:C:2011:740).
( 55 ) Arresten Commissie/Griekenland (C‑378/13, EU:C:2014:2405) en Commissie/Italië (C‑196/13, EU:C:2014:2407).
( 56 ) Arresten Commissie/België (C‑533/11, EU:C:2013:659) en Commissie/Griekenland (C‑167/14, EU:C:2015:684).
( 57 ) Arresten Commissie/België (C‑533/11, EU:C:2013:659, punt 73) en Commissie/Griekenland (C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 66).
( 58 ) Arrest Commissie/Luxemburg (C‑576/11, EU:C:2013:773).
( 59 ) Arresten Commissie/Griekenland (C‑369/07, EU:C:2009:428, punt 143), Commissie/Spanje (C‑610/10, EU:C:2012:781, punt 140), Commissie/Griekenland (C‑378/13, EU:C:2014:2405, punt 71), Commissie/Italië (C‑196/13, EU:C:2014:2407, punt 113) en Commissie/Griekenland (C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 72).
( 60 ) Arresten Commissie/België (C‑533/11, EU:C:2013:659, punten 50e.v.), Commissie/Griekenland (C‑378/13, EU:C:2014:2405, punt 73), Commissie/Italië (C‑196/13, EU:C:2014:2407, punt 114) en Commissie/Griekenland (C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 73).
( 61 ) Punt 70 van deze conclusie.
( 62 ) Zie punten 17 en 19 van deze conclusie.
( 63 ) Zie de aangehaalde arresten in voetnoot 60.
( 64 ) Punt 45 van het beroepschrift.
( 65 ) Arrest Commissie/Griekenland (C‑407/09, EU:C:2011:196, punt 33).
( 66 ) Brief van 16 februari 2010, Bijlage A 4 van het beroepschrift.
( 67 ) Brief van 6 oktober 2010, Bijlage A 5 van het beroepschrift.
( 68 ) Brief van 12 december 2011, Bijlage A 7 van het beroepschrift.
( 69 ) Brief van 23 april 2014, Bijlage A 11 van het beroepschrift.
( 70 ) Punt 32 alsmede Bijlage D 2 van de dupliek.
( 71 ) Punt 50 van het beroepschrift.
( 72 ) Arresten Commissie/Frankrijk (C‑121/07, EU:C:2008:695, punt 69), Commissie/Italië (C‑496/09, EU:C:2011:740, punt 90), Commissie/Spanje (C‑184/11, EU:C:2014:316, punt 78) en Commissie/Ierland (C‑279/11, EU:C:2012:834, punt 70).
( 73 ) Arresten Commissie/Portugal (C‑233/07, EU:C:2008:271), Commissie/Portugal (C‑526/09, EU:C:2010:734), Commissie/Portugal (C‑220/10, EU:C:2011:558) en Commissie/Portugal (C‑398/14, EU:C:2016:61).
( 74 ) Arresten Commissie/Griekenland (C‑378/13, EU:C:2014:2405, punt 81), Commissie/Italië (C‑196/13, EU:C:2014:2407, punt 122), Commissie/Zweden (C‑243/13, EU:C:2014:2413, punt 68) en Commissie/Griekenland (C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 81).
Full & Egal Universal Law Academy