CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. WATHELET
van 19 januari 2016 ( 1 )
Zaak C‑566/14 P
Jean-Charles Marchiani
tegen
Europees Parlement
„Hogere voorziening — Lid van het Europees Parlement — Vergoedingen voor kosten van parlementaire bijstand — Terugvordering van ten onrechte ontvangen bedragen — Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 — Gedelegeerde verordening (EU) nr. 1268/2012 — Verjaring — Redelijke termijn — Arrest Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB (C‑334/12 RX‑II, EU:C:2013:134) — Arrest Nencini/Parlement (C‑447/13 P, EU:C:2014:2372)”
1.
Met zijn hogere voorziening vordert J.‑C. Marchiani vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 10 oktober 2014, Marchiani/Parlement (T‑479/13, EU:T:2014:866; hierna: „bestreden arrest”), waarbij is verworpen zijn beroep strekkende tot nietigverklaring van het besluit van 4 juli 2013 van de secretaris-generaal van het Europees Parlement betreffende de terugvordering van een bedrag van 107694,72 EUR (hierna: „litigieus besluit”) en van de erop betrekking hebbende debetnota van 5 juli 2013 (hierna: „debetnota”).
2.
In het kader van het tot staving van zijn hogere voorziening aangevoerde vierde middel verwijt Marchiani het Gerecht meerdere onjuiste rechtsopvattingen met betrekking tot de verjaring van de schuldvorderingen waarop het litigieuze besluit betrekking heeft. Rekwirant heeft zijn hogere voorziening niet bijzonder duidelijk geformuleerd. Het vierde middel bevat echter een vierde onderdeel, inzake meer in het bijzonder de beoordeling van het beginsel van de redelijke termijn die geldt wanneer geen bepaling van Unierecht de termijn bepaalt waarbinnen een verzoek moet worden ingediend of beroep moet worden ingesteld.
3.
Die vraag is door het Hof aandachtig onderzocht in het kader van een heroverweging (arrest Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB, C‑334/12 RX‑II, EU:C:2013:134). ( 2 ) Meer recentelijk is zij in een geval dat analoog is aan dat van de onderhavige hogere voorziening aan de orde gekomen in het arrest Nencini/Parlement (C‑447/13 P, EU:C:2014:2372), maar de door het Hof in die twee arresten gevolgde benaderingen kunnen tegenstrijdig lijken.
4.
Dat is de reden waarom in de onderhavige conclusie conform de wens van het Hof alleen deze precieze vraag zal worden behandeld.
I – Toepasselijke bepalingen
A – Handvest
5.
Artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), met als opschrift „Recht op behoorlijk bestuur”, bepaalt in lid 1: „Eenieder heeft er recht op dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen en organen van de Unie worden behandeld.”
B – Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012
6.
Artikel 81, „Verjaringstermijn”, van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad ( 3 ), bevat de volgende bepalingen:
„1. Onverminderd de bijzondere verordeningen en de toepassing van besluit 207/436/EG, Euratom geldt voor vorderingen van de Unie op derden en vorderingen van derden op de Unie een verjaringstermijn van vijf jaar.
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de verjaringstermijn.”
C – Gedelegeerde verordening (EU) nr. 1268/2012
7.
Artikel 93 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor verordening nr. 966/2012 ( 4 ), draagt het opschrift „Regels inzake verjaring”.
8.
Het bepaalt in lid 1, eerste alinea, dat „[d]e verjaringstermijn van schuldvorderingen van de Unie op derden begint te lopen bij het verstrijken van de termijn die de debiteur in de in artikel 80, lid 3, onder b), bedoelde debetnota wordt meegedeeld”.
II – Samenvatting van de relevante feiten volgens het bestreden arrest
9.
Marchiani is afgevaardigde in het Europees Parlement geweest tussen 20 juli 1999 en 19 juni 2004. Tussen 2001 en 2004 heeft rekwirant gebruikgemaakt van de diensten voor parlementaire bijstand van mevrouw T. en van de heer T. alsook, tussen 2002 en 2004, van die van mevrouw B.
10.
Op 30 september 2004 heeft een onderzoeksrechter in het Tribunal de grande instance de Paris (Frankrijk) de voorzitter van het Parlement ervan in kennis gesteld dat de werkzaamheden die mevrouw T. en de heer T. tussen 2001 en 2004 hadden verricht, mogelijkerwijs geen reëel verband hielden met de functies van parlementair assistent.
11.
Bij besluit van 4 maart 2009 heeft de secretaris-generaal van het Parlement (hierna: „secretaris-generaal”) na een procedure op tegenspraak en na op 14 januari 2009 de quaestoren te hebben geraadpleegd, geconstateerd dat een bedrag van 148160,27 EUR ten onrechte aan rekwirant was betaald in het kader van artikel 14 van de regeling kosten en vergoedingen van de leden van het Parlement (hierna: „regeling kosten en vergoedingen”) en heeft hij de ordonnateur van het Parlement gevraagd, de voor de terugvordering van dat bedrag noodzakelijke maatregelen te treffen.
12.
Diezelfde dag heeft de ordonnateur van het Parlement rekwirant een debetnota gezonden waarin het bedrag van 148160,27 EUR werd teruggevorderd. Op 14 augustus 2009 heeft het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), waaraan de secretaris-generaal op 21 oktober 2008 het dossier betreffende de betrokken onregelmatigheden had voorgelegd, het Parlement en rekwirant meegedeeld dat een onderzoek zou worden ingesteld.
13.
Op 14 oktober 2011 heeft OLAF, na een onderzoek te hebben ingesteld en rekwirant op 6 juli 2011 te hebben gehoord, het Parlement een kopie van zijn eindverslag betreffende het onderzoek overhandigd. Daarin wordt geconstateerd dat rekwirant ten onrechte de vergoedingen voor de door mevrouw T., de heer T. en mevrouw B. uitgeoefende functies heeft ontvangen en wordt het Parlement aanbevolen de nodige stappen te ondernemen om de verschuldigde bedragen in te vorderen. Op 25 oktober 2011 heeft OLAF rekwirant ervan in kennis gesteld dat het onderzoek was afgesloten.
14.
Op 28 mei 2013 heeft de secretaris-generaal op de grondslag van het verslag van OLAF rekwirant op basis van artikel 27, lid 3, van de regeling kosten en vergoedingen meegedeeld dat alle bedragen die door het Parlement waren betaald in verband met de beweerde activiteiten op het gebied van parlementaire bijstand van mevrouw T., de heer T. en mevrouw B. zouden worden ingevorderd en heeft hij rekwirant verzocht zijn opmerkingen dienaangaande kenbaar te maken.
15.
Op 25 juni 2013 is rekwirant op een hoorzitting gehoord door de secretaris-generaal. Op 27 juni 2013 heeft rekwirant de secretaris-generaal een verslag van de hoorzitting gestuurd. De quaestoren zijn op 2 juli 2013 door de secretaris-generaal gehoord.
16.
In het litigieuze besluit heeft de secretaris-generaal vastgesteld dat, terwijl het besluit van 4 maart 2009 de invordering van een bedrag van 148160,27 EUR vermeldde, een aanvullend bedrag van 107694,72 EUR ten onrechte aan rekwirant was betaald en heeft hij de ordonnateur van het Parlement gevraagd de voor de invordering van dit laatste bedrag noodzakelijke maatregelen te treffen. In hoofdzaak heeft de secretaris-generaal geoordeeld dat rekwirant niet had aangetoond dat mevrouw T., de heer T. en mevrouw B. werkzaam waren geweest als parlementair assistent in de zin van artikel 14 van de regeling kosten en vergoedingen. Met de constatering dat uit hoofde van de parlementaire vergoeding een totaalbedrag van 255854,99 EUR was betaald, waarvan een deel voorwerp was van het besluit van 4 maart 2009, wordt in het litigieuze besluit geconcludeerd dat een aanvullend bedrag van 107694,72 EUR niet met de regeling kosten en vergoedingen strookte en moest worden ingevorderd.
17.
Op 5 juli 2013 heeft de ordonnateur van het Parlement debetnota nr. 2013‑807 uitgereikt waarbij de invordering van 107694,72 EUR vóór 31 augustus 2013 werd gelast.
III – Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
18.
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 3 september 2013 heeft rekwirant beroep ingesteld, strekkende tot nietigverklaring van het litigieuze besluit voor zover de secretaris-generaal daarbij heeft gelast dat een bedrag van 107694,72 EUR van rekwirant wordt ingevorderd, en van de daarop betrekking hebbende debetnota.
19.
Tot staving van zijn beroep voert rekwirant vijf middelen aan. Het eerste middel is ontleend aan schending van het besluit van het Bureau van het Europees Parlement van 19 mei en 9 juli 2008 houdende de uitvoeringsbepalingen van het Statuut van de leden van het Europees Parlement ( 5 ), en van de beginselen van hoor en wederhoor en eerbiediging van de rechten van verweer. Het tweede middel is ontleend aan onjuiste toepassing van de regeling kosten en vergoedingen, het derde aan onjuiste beoordeling van de bewijsstukken en het vierde aan een gebrek aan onpartijdigheid van de secretaris-generaal. Het vijfde middel heeft tot slot betrekking op verjaring van de bedragen waarop de invordering betrekking heeft. Aangezien naar zijn oordeel de betrokken bedragen verjaard zijn, heeft rekwirant het Gerecht mede verzocht de debetnota nietig te verklaren.
20.
In het bestreden arrest heeft het Gerecht, zonder te beslissen op de argumenten van het Parlement betreffende de niet-ontvankelijkheid van het beroep, de conclusies van rekwirant strekkende tot nietigverklaring van het litigieuze besluit en van de debetnota ongegrond verklaard en heeft het rekwirant in de kosten verwezen.
IV – Vierde onderdeel van het vierde middel en conclusies van partijen
21.
Het tot staving van de hogere voorziening van Marchiani aangevoerde vierde middel is dus ontleend aan meerdere onjuiste rechtsopvattingen van het Gerecht bij de beoordeling van de regels betreffende de verjaring van de schuldvorderingen waarop het litigieuze besluit betrekking heeft.
22.
Het vierde onderdeel van bedoeld middel heeft meer in het bijzonder betrekking op het beginsel van de redelijke termijn. Volgens rekwirant had het Gerecht gelet op het belang van hetgeen op het spel staat en aangezien de zaak weinig ingewikkeld is, moeten concluderen dat dit beginsel in het onderhavige geval geschonden is.
23.
Het Parlement concludeert dat de hogere voorziening niet-ontvankelijk en hoe dan ook ongegrond is. Met betrekking tot het vierde onderdeel van het vierde middel merkt het op dat het beginsel van de redelijke termijn door het Gerecht is onderzocht ofschoon rekwirant het niet had ingeroepen. Het had het dan ook niet moeten onderzoeken, temeer daar dat beginsel niet behoort tot de regels die door de rechter van de Unie ambtshalve kunnen worden opgeworpen.
24.
Subsidiair merkt het Parlement tot slot onder verwijzing naar het arrest Nencini/Parlement (C‑447/13 P, EU:C:2014:2372) op dat zijn vordering enkel op de datum van het eindverslag van OLAF als zeker, vaststaand en invorderbaar in de zin van artikel 78, lid 2, van verordening nr. 966/2012 en artikel 81, onder b), van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012 kon worden beschouwd. Op de datum van het litigieuze besluit was de door het Hof in het arrest Nencini/Parlement (C‑447/13 P, EU:C:2014:2372) vastgestelde redelijke termijn van vijf jaar dus nog niet verstreken zodat het Parlement niet in strijd met dat beginsel heeft gehandeld.
V – Beoordeling
A – Ontvankelijkheid van het vierde onderdeel van het vierde middel
25.
In het bestreden arrest heeft het Gerecht de eerbiediging van de redelijke termijn geanalyseerd als volgt: „[i]n de veronderstelling, ten overvloede, dat [rekwirant] het Parlement met zijn argumenten verwijt dat het zich niet heeft gehouden aan de krachtens het beginsel van de redelijke termijn in acht te nemen vereisten”. ( 6 )
26.
De grief die rekwirant met betrekking tot de redelijke termijn in het kader van zijn hogere voorziening heeft geformuleerd kan dan ook niet slagen. Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt immers dat grieven die zijn gericht tegen overwegingen die in een beslissing van het Gerecht ten overvloede zijn aangevoerd, niet tot nietigverklaring van die beslissing kunnen leiden en dus niet ter zake dienend zijn. ( 7 )
27.
Het kan echter niet worden uitgesloten dat het Gerecht weliswaar verklaart te zullen overgaan tot een onderzoek ten overvloede, maar in werkelijkheid de aan een te laat optreden van het Parlement ontleende grief uitputtend heeft willen onderzoeken. In dat geval zou een eventuele onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht in zijn overwegingen betreffende het beginsel van de redelijke termijn tot vernietiging van het bestreden arrest kunnen leiden.
28.
Dat is overigens de benadering die het Hof kennelijk heeft gevolgd in de zaak waarin het arrest Nencini/Parlement (C‑447/13 P, EU:C:2014:2372) is gewezen. In zijn arrest had het Gerecht eveneens de grief aangaande de redelijke termijn onderzocht aangezien „rekwirant het Parlement mede wilde verwijten niet te hebben voldaan aan de vereisten die het in acht dient te nemen op grond van het beginsel van de redelijke termijn”. ( 8 ) De argumenten nu met betrekking tot die overwegingen van het Gerecht, die uiteen waren gezet in het kader van een eerste middel van de hogere voorziening van R. Nencini, zijn door het Hof niet terzijde gelegd.
29.
Ik ga derhalve uit van het beginsel dat het Hof de grief van rekwirant betreffende de uitlegging en de toepassing van het beginsel van de redelijke termijn niet zal verwerpen.
B – Inleidende opmerkingen over de kwalificatie van redelijke termijn en goed bestuur
30.
Rekwirant voert tot staving van zijn hogere voorziening „niet-inachtneming van de redelijke termijn” aan. ( 9 ) Alvorens deze grief te onderzoeken is het naar mijn oordeel zinvol na te gaan hoe die termijn in het recht van de Unie wordt gekwalificeerd.
1. Redelijke termijn
31.
De erkenning van de redelijke termijn is in het recht van de Unie wellicht enigszins onduidelijk geweest. Betreft het hier een algemeen rechtsbeginsel op zich dan wel een bestanddeel van andere algemene beginselen zoals goed bestuur, rechtszekerheid, bescherming van het gewettigd vertrouwen of de rechten van verweer, zo niet een grondrecht? ( 10 )
32.
Het stellen van deze vraag is mijns inziens echter van beperkte betekenis. Het kan immers niet worden betwist dat de redelijke termijn onlosmakelijk verbonden is met het beginsel van rechtszekerheid ( 11 ) en het recht op goed bestuur ( 12 ). Tegelijkertijd blijft het hier gaan om een algemeen beginsel van Unierecht, dat als zodanig door het Hof is erkend. ( 13 )
33.
Als zodanig maakt het dus deel uit van de rechtsorde van de Unie en schending ervan vormt schending van een wezenlijk vormvoorschrift althans schending van de Verdragen of „van enige uitvoeringsregeling daarvan” in de zin van artikel 263, tweede alinea, VWEU. ( 14 )
2. Goed bestuur
34.
Bovendien is het vereiste van inachtneming van die redelijke termijn thans uitdrukkelijk geformuleerd in twee artikelen van het Handvest.
35.
Allereerst heeft ingevolge artikel 41 van het Handvest, „Recht op behoorlijk bestuur”, eenieder er recht op „dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen en organen van de Unie worden behandeld”. ( 15 ) Vervolgens waarborgt artikel 47 van het Handvest, met het opschrift „Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht”, eenieder „een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld”.
36.
Formeel is de redelijke termijn dus geïntegreerd in het recht op goed bestuur naar Unierecht.
37.
Sommigen hebben zich ook afgevraagd of het bij dat goed bestuur gaat om een generieke term, een specifiek beginsel, een algemeen beginsel of een grondrecht. ( 16 ) Het opschrift en de bewoordingen van artikel 41 van het Handvest heffen die onzekerheid echter op. Het gaat wel degelijk om een „recht op behoorlijk bestuur” ( 17 ), welk recht „met name [behelst] [...] het recht van eenieder te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen; [...] het recht van eenieder om inzage te krijgen in het hem betreffende dossier [en] [...] de plicht van de betrokken diensten, hun beslissingen met redenen te omkleden” ( 18 ).
38.
Deze formele evolutie is overigens niet meer dan de bevestiging van een voorheen door het Hof erkend algemeen rechtsbeginsel. Zo wordt in de toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten ( 19 ) verklaard dat bedoeld artikel 41 „is gebaseerd op het bestaan van de Unie als een rechtsgemeenschap waarvan de kenmerken zijn ontwikkeld door de jurisprudentie, die met name behoorlijk bestuur heeft erkend als algemeen rechtsbeginsel”. Volgens artikel 52, lid 7, van het Handvest worden die toelichtingen „door de rechterlijke instanties van de Unie en van de lidstaten naar behoren in acht genomen”.
*
39.
Het recht op behandeling van zijn zaken door de instellingen van de Unie binnen een redelijke termijn kan door de burger van de Unie dus zonder meer worden ingeroepen, of dat nu is als algemeen rechtsbeginsel of als behorend tot het grondrecht op goed bestuur.
C – Bepaling van de redelijke termijn in de rechtspraak van het Hof
40.
De beoordeling van de redelijke termijn is aan de orde gekomen in een wat kan worden aangeduid als een principe-analyse in het arrest Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB (C‑334/12 RX‑II, EU:C:2013:134). In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat moest worden overgegaan tot heroverweging om te bepalen of de uitlegging van het Gerecht volgens welke het Gerecht voor ambtenarenzaken geen rekening hoefde te houden met de bijzondere omstandigheden van het betrokken geval bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn waarbinnen een personeelslid van de Europese Investeringsbank (EIB) beroep tot nietigverklaring van een handeling van deze laatste diende in te stellen, strookte met de rechtspraak van het Hof. ( 20 )
41.
De vraag binnen welke termijn, te rekenen vanaf de datum waarop een schuldvordering is ontstaan, een instelling van de Unie een debetnota moet meedelen, is aan de orde gekomen in het arrest Nencini/Parlement (C‑447/13 P, EU:C:2014:2372).
42.
Deze twee arresten moeten dan ook samen in beschouwing worden genomen alvorens te trachten er een op het onderhavige geval toepasselijke algemene regel uit af te leiden.
1. Arrest Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB
43.
In het arrest Arango Jaramillo e.a./EIB (T‑234/11 P, EU:T:2012:311) had het Gerecht zich geschaard achter de uitlegging van het Gerecht voor ambtenarenzaken volgens welke bij gebreke van een bepaling die de beroepstermijnen voor geschillen tussen de EIB en haar personeelsleden vastlegt, ieder beroep dat door een personeelslid van de EIB werd ingesteld na het verstrijken van een termijn van drie maanden, vermeerderd met een forfaitaire termijn wegens afstand van tien dagen, in beginsel moest worden geacht niet binnen een redelijke termijn te zijn ingesteld. ( 21 )
44.
Bij die uitlegging was artikel 91, lid 3, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie ( 22 ) in aanmerking genomen, dat de termijn waarbinnen een ambtenaar beroep tot nietigverklaring kan instellen tegen een voor hem bezwarend besluit uitdrukkelijk beperkt tot drie maanden. Volgens het Gerecht vormde de uit die uitlegging voortvloeiende regel dan ook slechts een „specifieke toepassing van het beginsel van de redelijke termijn” ( 23 ) op geschillen tussen de EIB en haar personeelsleden en berust zij „op een algemeen vermoeden dat een termijn van drie maanden in beginsel volstaat om een personeelslid van de EIB in staat te stellen de rechtmatigheid van een voor hem bezwarend besluit van deze laatste na te gaan en om in voorkomend geval beroep in te stellen, en is de met de toepassing ervan belaste rechter van de Unie niet gehouden, rekening te houden met alle omstandigheden van het betrokken geval en meer in het bijzonder de aan de orde zijnde belangen concreet tegen elkaar af te wegen”. ( 24 )
45.
Juist op deze beoordeling had de heroverweging betrekking.
46.
Aan het slot van zijn analyse heeft het Hof geoordeeld dat het begrip redelijke termijn eenvormig moet worden toegepast, ongeacht in welke context de vraag zich voordoet. Volgens het Hof immers heeft „[de] rechtspraak van het Hof weliswaar betrekking [...] op de vraag of de duur van een administratieve procedure redelijk is wanneer geen enkele bepaling van Unierecht in een precieze termijn voor een dergelijke procedure voorziet, maar [dient] het begrip ‚redelijke termijn’ op dezelfde wijze te worden toegepast wanneer het gaat om een beroep of een verzoek waarvoor in geen enkele bepaling van Unierecht is vastgesteld binnen welke termijn dat beroep moet worden ingesteld of dat verzoek moet worden ingediend”. ( 25 )
47.
Uit de betrokken rechtspraak van het Hof volgt dat „[w]anneer de duur van een procedure niet in een bepaling van Unierecht is vermeld, [...] de ‚redelijkheid’ van de termijn waarbinnen de instelling de betrokken handeling heeft vastgesteld, [moet] worden beoordeeld met inachtneming van alle specifieke omstandigheden van de zaak, in het bijzonder het belang ervan voor de betrokkene, de ingewikkeldheid van de zaak en het gedrag van de betrokken partijen”. ( 26 ) Uit dat vereiste volgt dus dat „de redelijkheid van een termijn niet kan worden bepaald aan de hand van een in abstracto vastgesteld nauwkeurig maximum, maar per geval moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van de zaak”. ( 27 )
48.
Het Hof heeft de uitlegging door het Gerecht van de termijn waarbinnen personeelsleden van de EIB beroep tegen voor hen bezwarende handelingen konden instellen dan ook aangemerkt als een onjuiste opvatting van het begrip redelijke termijn, waardoor de samenhang van het recht van de Unie werd aangetast. ( 28 )
2. Arrest Nencini/Parlement
49.
Het arrest Nencini/Parlement (C‑447/13 P, EU:C:2014:2372) kan niet buiten beschouwing worden gelaten. Nencini, voormalig lid van het Parlement, had bij het Gerecht beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen het besluit van de secretaris-generaal strekkende tot terugvordering van bepaalde vergoedingen die hem gedurende zijn mandaat ten onrechte waren betaald. De litigieuze vraag die in het kader van de hogere voorziening voor het Hof aan de orde kwam is dus vergelijkbaar met die in het onderhavige geval, want zij betrof de verjaring van een schuldvordering van het Parlement op een voormalig lid en de rol die de redelijke termijn bij de terugvordering van de onverschuldigd betaalde bedragen speelde.
50.
Allereerst blijkt bij lezing van de toepasselijke bepalingen gezamenlijk dat de verjaringstermijn voor schuldvorderingen van de Unie op derden ingaat op de datum die op de debetnota vermeld staat. ( 29 )
51.
Het betreft hier de op de invordering van de schuld toepasselijke termijn. Over de termijn waarbinnen die debetnota, te rekenen vanaf de datum waarop de schuldvordering is ontstaan, ter kennis van de schuldenaar moet worden gebracht wordt daarentegen niets gezegd. ( 30 )
52.
Volgens advocaat-generaal Szpunar zijn er schuldvorderingen die reeds opeisbaar zijn op het moment waarop de schuldeisende instelling de handeling verricht waarbij de schuld wordt vastgesteld. Voor dergelijke schuldvorderingen is de in de toepasselijke regeling vastgelegde verjaringstermijn dus „onvoldoende als bescherming van de rechten van de debiteur op grond van het beginsel van rechtszekerheid, aangezien deze termijn begint te lopen op de door de crediteur gekozen datum, die geen verband houdt met het tijdstip waarop de vordering ontstaat of opeisbaar wordt”. ( 31 )
53.
Bij gebreke van bepalingen daaromtrent ( 32 ), zo heeft het Hof in herinnering gebracht, „moet de betrokken instelling [...] op grond van het beginsel van rechtszekerheid binnen een redelijke termijn overgaan tot [...] mededeling [van de debetnota]. Anders [zou] immers de ordonnateur, die in de debetnota de uiterste datum voor betaling – volgens artikel [93, lid 1, van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012] de datum waarop de verjaringstermijn ingaat – bepaalt, de datum waarop de verjaringstermijn ingaat vrij kunnen bepalen, zonder verband met het moment waarop de betrokken schuldvordering is ontstaan, hetgeen duidelijk zou indruisen tegen het beginsel van rechtszekerheid en het doel van artikel [81 van verordening nr. 966/2012].” ( 33 )
54.
Waar advocaat-generaal Szpunar echter het standpunt huldigde dat de redelijke termijn niet kon worden bepaald aan de hand van een in abstracto vastgesteld nauwkeurig maximum ( 34 ), heeft het Hof geoordeeld dat „de termijn voor mededeling van een debetnota onredelijk moe[s]t worden geacht wanneer die mededeling geschiedt meer dan vijf jaar te rekenen vanaf het moment waarop de instelling haar schuldvordering normalerwijs geldend had kunnen maken”. ( 35 )
55.
Tenzij wordt aangetoond dat „ondanks de door [de betrokken instelling] aan de dag gelegde zorgvuldigheid, het late optreden is toe te schrijven aan het gedrag van de debiteur, inzonderheid zijn uitstelmanoeuvres of zijn kwade trouw [...] moet dan worden geconstateerd dat de instelling niet heeft voldaan aan de krachtens het beginsel van de redelijke termijn op haar rustende verplichtingen”. ( 36 )
D – Criteria van een eenvormige toepassing van de redelijke termijn
1. Algemene en abstracte bepaling van beoordelingscriteria voor de redelijke termijn
56.
In het arrest Nencini/Parlement (C‑447/13 P, EU:C:2014:2372), heeft het Hof dus een vermoeden geformuleerd dat na vijf jaar te rekenen vanaf het moment waarop de instelling normalerwijs haar vordering geldend heeft kunnen maken, de redelijke termijn verstreken is.
57.
Die evaluatie van de redelijke termijn op een vaste periode van vijf jaar zou eventueel kunnen worden gezien als een concrete toepassing van de redelijke duur van die termijn op het betrokken geval.
58.
Een dergelijke lezing van het arrest valt echter moeilijk te verenigen met de bewoordingen en de structuur ervan en met de regels inzake hogere voorziening.
59.
Om te beginnen wijs ik erop dat het Hof zich algemeen en abstract uitspreekt in punt 49 van dat arrest met de verklaring dat „de termijn voor mededeling van een debetnota onredelijk moet worden geacht wanneer die mededeling geschiedt meer dan vijf jaar te rekenen vanaf het moment waarop de instelling haar schuldvordering normalerwijs geldend had kunnen maken”. Het Hof spreekt bovendien uitdrukkelijk van een „vermoeden” dat slechts onder bepaalde voorwaarden kan worden weerlegd. ( 37 )
60.
Dat er een algemene toepassingsregel bestaat, lijkt vervolgens te worden bevestigd door de bewoordingen in het volgende punt. De uitdrukking „in casu” in punt 50 van het arrest Nencini/Parlement (C‑447/13 P, EU:C:2014:2372) moet worden geacht de toepassing op het betrokken geval van het even daarvoor in herinnering gebrachte rechtsvoorschrift of beginsel aan te kondigen.
61.
Tot slot valt het onderzoek van de concrete feiten van de zaak in beginsel niet onder de bevoegdheid van het Hof wanneer dit in het kader van een hogere voorziening uitspraak doet. ( 38 )
62.
De enige manier om de in het arrest Nencini/Parlement (C‑447/13 P, EU:C:2014:2372) uitgesproken „limiet” van vijf jaar uit te leggen op een wijze die strookt met de beginselen die bevestigd zijn in het arrest Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB (C‑334/12 RX‑II, EU:C:2013:134, punten 28 en 29) ( 39 ) zou zijn, ze te zien als een gegeven aan de hand waarvan kan worden bepaald op wie de bewijslast rust.
63.
Na het tijdvak van vijf jaar te rekenen vanaf het moment waarop de instelling normalerwijs haar vordering geldend heeft kunnen maken, is het aan deze laatste om aan te tonen dat zij de redelijke termijn gelet op de betrokken omstandigheden niet heeft overschreden. Daarbij zijn uitstelmanoeuvres of kwade trouw van de schuldenaar, die door de instelling zouden kunnen worden ingeroepen, gelet op het bijwoord „inzonderheid” dat er in punt 49 van het arrest Nencini/Parlement (C‑447/13 P, EU:C:2014:2372) aan voorafgaat, slechts door het Hof genoemde voorbeelden.
64.
Zolang deze „cruciale limiet” daarentegen nog niet bereikt is zal de schuldenaar moeten aantonen dat de redelijke termijn is overschreden gelet op de in de rechtspraak in de regel gehanteerde criteria, te weten, naast de andere omstandigheden van het betrokken geval, het belang van de zaak voor de schuldenaar, de ingewikkeldheid van de zaak en het gedrag van de betrokken partijen.
65.
Aan de andere kant zou, indien punt 49 van het arrest Nencini/Parlement (C‑447/13 P, EU:C:2014:2372) aldus moet worden uitgelegd dat het een algemene abstracte regel tot uitdrukking brengt – wat mijns inziens het geval is – een dergelijke benadering een resultaat opleveren dat analoog is aan dat waartoe het Gerecht was gekomen in de zaak waarin het arrest Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB (C‑334/12 RX‑II, EU:C:2013:134) is gewezen. Het Hof nu had dit omschreven als „onjuiste opvatting van het begrip redelijke termijn”. ( 40 )
66.
Zoals het Hof in herinnering heeft gebracht in dat arrest Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB (C‑334/12 RX‑II, EU:C:2013:134), is het begrip redelijke termijn toepasselijk „ongeacht de betrokken materie” ( 41 ) en kan de beoordeling ervan de samenhang van het recht van de Unie beïnvloeden ( 42 ).
67.
Het begrip redelijke termijn moet dus eenvormig worden toegepast, ongeacht het kader waarin de vraag zich voordoet, of dit nu is wanneer geen bepaling van Unierecht een precieze termijn voor een administratieve procedure voorschrijft of wanneer het gaat om een beroep of een verzoek waarvoor in geen enkele bepaling van Unierecht is vastgesteld binnen welke termijn dat beroep moet worden ingesteld of dat verzoek moet worden ingediend. ( 43 )
68.
Hieruit volgt naar mijn oordeel dat de uitleggings‑ en toepassingsbeginselen zoals die door het Hof voor de redelijke termijn zijn samengevat in het arrest Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB (C‑334/12 RX‑II, EU:C:2013:134) als vaststaand en predominant zijn te beschouwen.
69.
Het arrest Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB (C‑334/12 RX‑II, EU:C:2013:134) en het arrest Nencini/Parlement (C‑447/13 P, EU:C:2014:2372) zijn immers beide gewezen door een kamer van vijf rechters en het tweede is van latere datum, maar het eerste van die twee arresten is gewezen in een procedure van heroverweging. De aard en het doel van deze uitzonderlijke procedure verlenen haar noodzakelijkerwijs bijzondere betekenis, aangezien de in een dergelijk arrest vastgestelde onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie kan aantasten. ( 44 )
70.
Derhalve kan de redelijkheid van een termijn niet worden bepaald aan de hand van een in abstracto vastgesteld nauwkeurig maximum, maar moet deze per geval worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van de zaak. ( 45 ) Dat brengt mee dat „wanneer de duur van de procedure niet in een bepaling van Unierecht is vermeld, de ‚redelijkheid’ van de termijn [...] moet worden beoordeeld met inachtneming van alle specifieke omstandigheden van de zaak, in het bijzonder het belang ervan voor de betrokkene, de ingewikkeldheid van de zaak en het gedrag van de betrokken partijen”. ( 46 )
71.
Dit is stellig niet de uitlegging die de grootste rechtszekerheid biedt. Zij is volgens mij wel de „veiligheidsklep” ( 47 ) die het best aansluit bij de verdeling van bevoegdheden die tussen de wetgever van de Unie en de rechterlijke instanties in acht moet worden genomen. Het nauwkeurig en definitief vaststellen van de duur van een (on)redelijke termijn zou meer lijken op de vaststelling van een verjaringstermijn, waartoe naar mijn oordeel alleen de wetgever bevoegd is. ( 48 )
2. Beoordeling van de redelijke termijn in het bestreden arrest
72.
Bij onderzoek van het bestreden arrest kan alleen maar worden geconstateerd dat er door het Gerecht dezelfde beginselen in herinnering worden gebracht en worden toegepast. Volgens het Gerecht immers is „eerbiediging van een redelijke termijn een vereiste in alle gevallen waarin, bij stilzwijgen van de toepasselijke voorschriften, het beginsel van rechtszekerheid of het vertrouwensbeginsel belet dat de instellingen van de Unie kunnen handelen zonder beperking in de tijd [...], waarbij in herinnering zij gebracht dat de redelijkheid van een termijn moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van ieder betrokken geval, meer in het bijzonder het belang van de zaak voor de belanghebbende, de ingewikkeldheid van de zaak en het gedrag van de betrokken partijen”. ( 49 )
73.
Voor het overige is in punt 83 van het bestreden arrest terecht vastgesteld dat geen bepaling de termijn vermeldde waarbinnen een debetnota moest worden meegedeeld, zulks ongeacht de datum van het feit dat de schuldvordering heeft doen ontstaan.
74.
Bijgevolg heeft het Gerecht zich in punt 84 van het bestreden arrest niet schuldig gemaakt aan een onjuiste rechtsopvatting door uit die vaststellingen af te leiden dat „moest worden nagegaan of het Parlement in het onderhavige geval de krachtens het beginsel van de redelijke termijn op hem rustende verplichtingen in acht had genomen”.
75.
Die verificatie vormt niet meer en niet minder dan een analyse van de door partijen ingeroepen feiten en bewijzen. Het betreft hier met andere woorden een feitelijke beoordeling.
76.
Zoals ik reeds in herinnering heb gebracht en ook voortvloeit uit vaste rechtspraak, volgt uit artikel 256 VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat hogere voorziening slechts betrekking kan hebben op rechtsvragen en dat het Gerecht dus bij uitsluiting bevoegd is de feiten vast te stellen en deze te beoordelen, behoudens ingeval de inhoudelijke onjuistheid van die vaststellingen mocht blijken uit de stukken in het aan hem overgelegde dossier. De beoordeling van de feiten levert dus – behalve wanneer het Gerecht de overgelegde bewijsstukken verkeerd heeft opgevat – geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof. ( 50 )
77.
Een beweerde onjuiste opvatting van de feiten moet duidelijk blijken uit de stukken in het dossier, zonder dat de feiten en de bewijzen opnieuw hoeven te worden beoordeeld. ( 51 )
78.
Uit de aan het Hof voorgelegde stukken blijkt niet dat in het onderhavige geval sprake is van een onjuiste opvatting. Een dergelijke onjuiste opvatting is overigens geenszins ingeroepen, want rekwirant voert enkel overschrijding van de redelijke termijn aan met het verzoek om heronderzoek van beoordelingsfactoren als het financiële belang en de ingewikkeldheid van de zaak. ( 52 )
79.
Indien ik de bevoegdheid had gehad om te oordelen over de feiten, zou ik ongetwijfeld niet hetzelfde standpunt hebben ingenomen over de redelijkheid van de in het onderhavige geval aan de orde zijnde termijn. Niettemin heeft het Gerecht in punt 86 van het bestreden arrest, zonder de feiten zoals die voortvloeiden uit het aan hem overgelegde dossier onjuist op te vatten, geoordeeld dat „het Parlement, na kennis te hebben genomen van de door een Franse rechter van instructie in september 2004 verstrekte informatie en met [rekwirant] herhaaldelijk contact te hebben opgenomen, met de vereiste voortvarendheid en binnen een redelijke termijn h[ad] gehandeld door in oktober 2008 het dossier aan OLAF over te leggen en de procedure in te leiden die tot het besluit van 4 maart 2009 heeft geleid”. Ook heeft het, zonder de feiten onjuist op te vatten, kunnen erkennen dat het Parlement „na de inleiding van het onderzoek door OLAF in augustus 2009 en nadat na een onderzoeksprocedure in oktober 2011 het verslag van OLAF was ingediend, eveneens met de noodzakelijke voortvarendheid en binnen een redelijke termijn heeft gehandeld door de procedure in te leiden die tot het litigieuze besluit heeft geleid”. ( 53 )
80.
Ofschoon rekwirant dit niet heeft ingeroepen ter ondersteuning van zijn hogere voorziening, merk ik daarentegen volledigheidshalve nog op dat de overweging van het Gerecht in punt 88 van het bestreden arrest dat „schending van het beginsel van de redelijke termijn slechts tot nietigverklaring van een handeling waarvoor die termijn is overschreden kan leiden indien die schending heeft meegebracht dat de belanghebbende zijn rechten van verweer niet kunnen uitoefenen”, op een onjuiste rechtsopvatting berust.
81.
Door te verlangen dat de rechten van verweer van rekwirant waren aangetast, heeft het Gerecht zich namelijk „gebaseerd op een onjuiste opvatting omtrent de gevolgen die uit schending van het beginsel van de redelijke termijn moeten worden getrokken wanneer de wetgever van de Unie een algemeen voorschrift heeft uitgevaardigd op grond waarvan de instellingen van de Unie moeten handelen binnen een bepaalde termijn” ( 54 ), zoals artikel 81 van verordening nr. 966/2012.
82.
Waar de wetgever van de Unie zich in die zin heeft uitgesproken, komt „[g]elet op de vereisten van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen, die aan deze wil van de wetgever ten grondslag liggen, [...] in casu geen betekenis toe aan de door het Gerecht [...] in herinnering gebrachte rechtspraak dat schending van het beginsel van de redelijke termijn slechts tot nietigverklaring van de bestreden handeling kan leiden indien door die schending de rechten van verweer worden aangetast”. ( 55 )
83.
Aangezien het hier echter een overweging ten overvloede in het bestreden arrest betreft, kan het bestreden arrest op deze grond niet worden vernietigd. Dit geldt te meer nu het Gerecht in het onderhavige geval, anders dan het geval was in de zaak waarin het arrest Nencini/Parlement (C‑447/13 P, EU:C:2014:2372) is gewezen, de schending van het beginsel van de redelijke termijn waarop die vaststelling noodzakelijkerwijs moest steunen, terecht heeft afgewezen.
VI – Conclusie
84.
Gelet op een en ander ben ik van oordeel dat het door rekwirant tot staving van zijn hogere voorziening ingeroepen vierde onderdeel van het vierde middel van de hogere voorziening ongegrond is en bijgevolg niet tot vernietiging van het bestreden arrest kan leiden.
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) Zie ook het voorwerp van de heroverweging zoals gedefinieerd in de beslissing Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB (C‑334/12 RX, EU:C:2012:468).
( 3 ) PB L 298, blz. 1.
( 4 ) PB L 362, blz. 1.
( 5 ) PB 2009, C 159, blz. 1.
( 6 ) Punt 81 van het bestreden arrest. Cursivering van mij.
( 7 ) Voor een recente toepassing van het beginsel, zie onder meer arresten Frankrijk/People’s Mojahedin Organization of Iran (C‑27/09 P, EU:C:2011:853, punt 79), Nederland/Commissie (C‑610/13 P, EU:C:2014:2349, punt 51) en Wünsche Handelsgesellschaft International/Commissie (C‑7/14 P, EU:C:2015:205, punt 72).
( 8 ) Arrest Nencini/Parlement (T‑431/10 en T‑560/10, EU:T:2013:290, punt 43).
( 9 ) Punt 92 van de hogere voorziening.
( 10 ) Zie voor die kwalificaties onder meer Mihaescu-Evans, B.‑C., The right to good administration at the crossroads of various sources of fundamental rights in the European Union integrated administrative system, Nomos, 2015. Zie ook Schwarze, J., „Judicial Review of European Administrative Procedure”, Law and Contemporary Problems, deel 68, nr. 1, blz. 85‑105. Deze auteur overweegt de totstandkoming van een besluit binnen een redelijke termijn in het kader van de rechten van verweer (blz. 92) maar is van oordeel dat het een algemeen beginsel van het recht van de Unie vormt (blz. 93). In zijn conclusie beschouwt hij de procedurewaarborgen van de bestuurlijke procedure echter als „grondrechten” (blz. 105). De redelijke termijn is door advocaat-generaal Sharpston als „grondrecht” aangemerkt in haar conclusie in de zaak Gascogne Sack Deutschland/Commissie (C‑40/12 P, EU:C:2013:361, punt 135). Daar ging het echter wel om de verkrijging van een rechterlijke beslissing binnen een redelijke termijn.
( 11 ) Zie in die zin Tridimas, T., The General Principles of EU Law, 2e uitgave, Oxford University Press, 2006, blz. 412; Hofmann, H.C.H., Rowe, G.C. en Türk, A.H., Administrative Law and Policy of the European Union, Oxford University Press, 2011, blz. 196. Zoals advocaat-generaal Szpunar in zijn conclusie in de zaak Nencini/Parlement (C‑447/13 P, EU:C:2014:2022) duidelijk uiteen heeft gezet, moet de toepassing van het beginsel van de redelijke termijn „bij gebreke van een wettelijke termijn [...] in het concrete geval gericht zijn op bescherming van de rechtszekerheid van particulieren in hun betrekkingen met de Unie” (punt 98).
( 12 ) Zie artikel 41 van het Handvest en onderdeel 2 hierna, met het opschrift „Goed bestuur”.
( 13 ) Zie arrest Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie (C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, EU:C:2002:582). In punt 207 van dat arrest verklaart het Hof dat „[z]oals in punt 179 van het onderhavige arrest reeds is uiteengezet, [...] het algemene gemeenschapsrechtelijke beginsel van de eerbiediging van de redelijke termijn van toepassing [is] in een beroep in rechte”. In punt 179 van datzelfde arrest merkt het Hof op dat „[d]e eerbiediging van het beginsel van de redelijke termijn geldt op mededingingsgebied voor administratieve procedures [...]. In geval van een beroep in rechte geldt zij ook voor de procedure voor de gemeenschapsrechter” (cursivering van mij). In punt 38 van het arrest Nencini/Parlement (C‑447/13 P, EU:C:2014:2372) merkt het Hof op dat in het arrest waartegen de hogere voorziening is gericht „het Gerecht [...] eraan [heeft] herinnerd dat de verplichting om in administratieve procedures een redelijke termijn in acht te nemen, een algemeen beginsel vormt van het recht van de Unie [...] en dat dit beginsel – als samenstellend deel van het recht op goed bestuur – ook is neergelegd in artikel 41, lid 1, van het [Handvest]”. Het Hof heeft op deze overwegingen van het Gerecht geen kritiek geuit.
( 14 ) Zie in die zin Lenaerts, K. en Van Nuffel, P., European Union Law, 3e uitgave, Sweet & Maxwell, 2011, nr. 22‑036.
( 15 ) Cursivering van mij.
( 16 ) Voor de kwalificatie en de draagwijdte van goed bestuur in het recht van de Unie, zie onder meer Azoulay, L., en Clément-Wilz, L., „La bonne administration” in Auby, J.‑B., en Dutheil de la Rochère, J. (met de samenwerking van Chevalier, E.), Traité de droit administratif européen, 2e uitgave, Bruylant, 2014, blz. 671‑697, meer in het bijzonder blz. 672, 674 en 679.
( 17 ) Aldus het opschrift van artikel 41 van het Handvest. Cursivering van mij.
( 18 ) Artikel 41, lid 2, van het Handvest. Cursivering van mij.
( 19 ) PB 2007, C 303, blz. 17.
( 20 ) Beslissing Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB (C‑334/12 RX, EU:C:2012:468, punt 15). Heroverweging was mede gerechtvaardigd doordat volgens de uitlegging door het Gerecht overschrijding van een niet in het primaire of afgeleide recht van de Unie vastgestelde termijn voor het instellen van beroep tot verval van recht leidde (punt 16).
( 21 ) Punt 27 van dat arrest.
( 22 ) Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, vastgesteld bij verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn (PB L 56, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 van de Raad van 22 maart 2004 (PB L 124, blz. 1).
( 23 ) Arrest Arango Jaramillo e.a./EIB (T‑234/11 P, EU:T:2012:311, punt 30).
( 24 ) Idem.
( 25 ) Arrest Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB (C‑334/12 RX‑II, EU:C:2013:134, punt 33).
( 26 ) Arrest Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB (C‑334/12 RX‑II, EU:C:2013:134, punt 28).
( 27 ) Arrest Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB (C‑334/12 RX‑II, EU:C:2013:134, punt 29).
( 28 ) Arrest Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB (C‑334/12 RX‑II, EU:C:2013:134, punten 46 en 54 en dictum van het arrest).
( 29 ) Conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Nencini/Parlement (C‑447/13 P, EU:C:2014:2022, punt 48). De bepalingen die aan de orde waren in de zaak waarin het arrest Nencini/Parlement (C‑447/13 P, EU:C:2014:2372) is gewezen, waren artikel 73 bis van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 248, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG, Euratom) nr. 1995/2006 van de Raad van 13 december 2006 (PB L 390, blz. 1), en artikel 85 ter van verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van verordening nr. 1605/2002 (PB L 357, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG, Euratom) nr. 478/2007 van de Commissie van 23 april 2007 (PB L 111, blz. 13). Dit zijn ook de bepalingen die van toepassing waren op het moment waarop de in het onderhavige geval aan de orde zijnde bedragen werden uitbetaald. Ik wijs erop dat op het moment waarop het litigieuze besluit tot stand kwam de relevante bepalingen waren vervangen door artikel 81 van verordening nr. 966/2012 en artikel 93, lid 1, van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012. Die nieuwe bepalingen zijn echter vergelijkbaar met de hierboven aangehaalde regels. Beide bepalen dat voor schuldvorderingen van de Unie op derden de verjaringstermijn vijf jaar bedraagt en ingaat op de uiterste datum die de schuldenaar in een debetnota is meegedeeld.
( 30 ) Arrest Nencini/Parlement (C‑447/13 P, EU:C:2014:2372, punt 47).
( 31 ) Conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Nencini/Parlement (C‑447/13 P, EU:C:2014:2022, punt 68).
( 32 ) Zie in die zin de conclusie van advocaat-generaal Szpunar in zaak Nencini/Parlement (C‑447/13 P, EU:C:2014:2022, punt 75).
( 33 ) Arrest Nencini/Parlement (C‑447/13 P, EU:C:2014:2372, punt 48).
( 34 ) Conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Nencini/Parlement (C‑447/13 P, EU:C:2014:2022, punt 98).
( 35 ) Arrest Nencini/Parlement (C‑447/13 P, EU:C:2014:2372, punt 49). Cursivering van mij.
( 36 ) Idem.
( 37 ) Arrest Nencini/Parlement (C‑447/13 P, EU:C:2014:2372, punt 49). Cursivering van mij.
( 38 ) Volgens vaste rechtspraak volgt uit artikel 256 VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat de hogere voorziening enkel rechtsvragen kan betreffen en dat dus alleen het Gerecht de feiten kan constateren en beoordelen, behoudens indien de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld, voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken. De beoordeling van de feiten vormt dus, behoudens wanneer het Gerecht de overgelegde bewijsstukken onjuist heeft opgevat, geen rechtsvraag die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof. Zie in die zin onder meer arresten Wunenburger/Commissie (C‑362/05 P, EU:C:2007:322, punt 66) en YKK e.a./Commissie (C‑408/12 P, EU:C:2014:2153, punt 44).
( 39 ) Zie punt 47 van deze conclusie.
( 40 ) Arrest Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB (C‑334/12 RX‑II, EU:C:2013:134, punt 45).
( 41 ) Punt 52 van dat arrest.
( 42 ) Punt 54 van dat arrest.
( 43 ) Arrest Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB (C‑334/12 RX‑II, EU:C:2013:134, punt 33).
( 44 ) Artikelen 62 en 62 ter van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
( 45 ) Arrest Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB (C‑334/12 RX‑II, EU:C:2013:134, punt 29). Ook in de rechtsleer lijkt deze uitlegging te worden aanvaard. Zie onder meer Kansa, L., „Towards Administrative Human Rights in the European Union. Impact of the Charter of Fundamental Rights”, European Law Journal, 2004, deel 10, nr. 3, blz. 296‑326, inzonderheid blz. 314; Mihaescu-Evans, B.‑C., The right to good administration at the crossroads of various sources of fundamental rights in the European Union integrated administrative system, Nomos, 2015; Tridimas, T., The General Principles of EU Law, 2e uitgave, Oxford University Press, 2006, blz. 412; Hofmann, H.C.H., Rowe, G.C., en Türk, A.H., Administrative Law and Policy of the European Union, Oxford University Press, 2011, blz. 196.
( 46 ) Arrest Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB (C‑334/12 RX‑II, EU:C:2013:134, punt 28).
( 47 ) De uitdrukking is ontleend aan de conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Nencini/Parlement (C‑447/13 P, EU:C:2014:2022, punt 96).
( 48 ) Zie in die zin de bijzonder relevante opmerkingen van advocaat-generaal Szpunar in diens conclusie in de zaak Nencini/Parlement met betrekking tot het probleem van een leemte in de wetgeving (C‑447/13 P, EU:C:2014:2022, punten 75‑93). Zie ook het arrest Imperial Chemical Industries/Commissie (48/69, EU:C:1972:70), waarin het Hof uitdrukkelijk heeft overwogen dat een verjaringstermijn weliswaar vooraf moet zijn vastgelegd, maar dat „de vaststelling van zijn duur en van de voorwaarden voor zijn toepasselijkheid behoort tot de bevoegdheid van de gemeenschapswetgever” (punt 48). Bij mijn weten is op dit beginsel slechts één noemenswaardige uitzondering gemaakt, en wel met betrekking tot staatssteun, waarover het Hof heeft geoordeeld dat bij gebreke van precisering van de termijn in de regeling, de Commissie zich binnen twee maanden diende uit te spreken over voorgenomen staatssteun die haar was meegedeeld (arrest Lorenz, 120/73, EU:C:1973:152, punt 4). Die termijn is nadien formeel vastgelegd in de toepasselijke regelgeving.
( 49 ) Punt 82 van het bestreden arrest.
( 50 ) Zie in die zin onder meer arresten Wunenburger/Commissie (C‑362/05 P, EU:C:2007:322, punt 66) en YKK e.a./Commissie (C‑408/12 P, EU:C:2014:2153, punt 44).
( 51 ) Zie in die zin onder meer arresten Wunenburger/Commissie (C‑362/05 P, EU:C:2007:322, punt 67) en YKK e.a./Commissie (C‑408/12 P, EU:C:2014:2153, punt 44).
( 52 ) Punten 90 en 91 van de hogere voorziening.
( 53 ) Idem.
( 54 ) Arrest Nencini/Parlement (C‑447/13 P, EU:C:2014:2372, punt 51).
( 55 ) Ibidem (punt 54).
Full & Egal Universal Law Academy