CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. CAMPOS SÁNCHEZ-BORDONA
van 14 april 2016 ( 1 )
Zaak C‑574/14
PGE Górnictwo i Energetyka Konwencjonalna S.A.
tegen
Prezes Urzędu Regulacji Energetyki
[verzoek van de Sąd Najwyższy (hooggerechtshof) (Polen) om een prejudiciële beslissing]
„Interne elektriciteitsmarkt — Staatssteun — Beschikking van de Commissie waarin zij vaststelt dat staatssteun verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt — Artikel 107 VWEU — Artikel 4, lid 3, VEU — Beschikking 2009/287/EG — Methode voor gestrande kosten — Berekening van de jaarlijkse aanpassing van de compensatie voor gestrande kosten — Relevante marktsituatie — Bevoegdheden van de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties”
1.
In richtlijn 96/92/EG betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit ( 2 ) zijn de beginselen en grondslagen geformuleerd voor de openstelling van de elektriciteitssector in de lidstaten voor mededinging. De geleidelijke overgang naar deze nieuwe regeling ging in een aantal lidstaten gepaard met staatssteun voor elektriciteitsondernemingen.
2.
In die context heeft de Commissie reeds in 2001 een methode vastgesteld om te onderzoeken of nationale steunmaatregelen verenigbaar zijn met de interne markt. In concreto heeft zij een methode vastgesteld voor het berekenen van de zogenoemde gestrande kosten, dat zijn de – met staatssteun te compenseren – kosten die voortvloeiden uit het feit dat het voor de ondernemingen in de sector in het nieuwe marktmodel economisch onhaalbaar was hun eerder aangegane verplichtingen of garanties voor de levering van elektriciteit na te komen.
3.
Later werd de Commissie gevraagd zich op grond van die methode uit te spreken over een aantal staatssteunregelingen voor ondernemingen in de elektriciteitssector. Een hiervan was de in de Republiek Polen ingevoerde regeling, waarover deze prejudiciële verwijzing gaat.
4.
De Republiek Polen heeft in 2007 een wet aangenomen om stroomproducenten te compenseren voor door hen gemaakte gestrande kosten. ( 3 ) In concreto hebben de Poolse autoriteiten in deze wet voorwaarden vastgesteld ter dekking van de door de producenten gedragen kosten vanwege de voortijdige beëindiging van de door hen aangegane langlopende stroomleveringsovereenkomsten. De Commissie heeft zich positief uitgesproken over de verenigbaarheid van deze staatssteun met de gemeenschappelijke markt in haar beschikking 2009/287/EG. ( 4 )
5.
Kort gezegd gaat het hier om de vraag of de door de Commissie toegestane staatssteun moet worden uitgekeerd op grond van de „oorspronkelijke” situatie van de begunstigde elektriciteitsbedrijven (en de productie-eenheden ervan), zoals bedoeld in de wet van 29 juni 2007, of conform de op het tijdstip van de tenuitvoerlegging van de steunmaatregel bestaande situatie (in casu boekjaar 2009).
6.
Deze prejudiciële verwijzing biedt het Hof ten eerste de gelegenheid zijn rechtspraak over de exclusieve bevoegdheid van de Commissie om zich uit te spreken over de verenigbaarheid van staatssteun met de gemeenschappelijke markt te bevestigen. Ten tweede moet worden onderzocht welke van de twee door partijen onderschreven (door hen als „statisch” c.q. „dynamisch” aangeduide) uitleggingen dient te prevaleren bij de toepassing van beschikking 2009/287.
I – Toepasselijke bepalingen
A – Unierecht
1. Mededeling van de Commissie betreffende de onderzoekmethode van staatssteun die verband houdt met gestrande kosten
7.
Op 26 juli 2001 heeft de Commissie een mededeling uitgevaardigd betreffende de onderzoekmethode van staatssteun die verband houdt met gestrande kosten ( 5 ) (hierna: „methode voor gestrande kosten”).
8.
Overeenkomstig punt 2, zesde alinea, van de methode voor gestrande kosten heeft deze ten doel „aan te geven op welke wijze de Commissie voornemens is de regels van het Verdrag inzake staatssteun toe te passen met betrekking tot staatssteunmaatregelen ter compensatie van de kosten van verplichtingen of garanties die wegens [de openstelling van de Europese elektriciteitssector voor mededinging vastgelegd in] richtlijn 96/92/EG eventueel niet meer kunnen worden nagekomen”.
9.
Punt 3 van de methode voor gestrande kosten geeft een definitie van de verplichtingen of garanties inzake werking die als gestrande kosten kunnen worden aangemerkt en stelt in punt 3.3:
„Deze verplichtingen of garanties inzake werking moeten eventueel niet kunnen worden nagekomen wegens de bepalingen van richtlijn 96/92/EG. Om gestrande kosten te vormen, moeten verplichtingen of garanties derhalve oneconomisch worden wegens de effecten van richtlijn 96/92/EG en het concurrentievermogen van de betrokken onderneming in belangrijke mate ongunstig beïnvloeden. Hiertoe moet de betrokken onderneming met name boekingen verrichten (bijvoorbeeld voorzieningen) om de te verwachten uitwerking van deze garanties of verplichtingen weer te geven.
Zeker wanneer de betrokken verplichtingen of garanties tot gevolg hebben dat zonder steun of overgangsmaatregelen de levensvatbaarheid van de betrokken ondernemingen in gevaar zou kunnen komen, worden deze verplichtingen of garanties geacht aan de voorwaarden van de voorgaande alinea te voldoen.
Het effect van deze verplichtingen of garanties op het concurrentievermogen of de levensvatbaarheid van de betrokken ondernemingen zal worden beoordeeld op de schaal van de geconsolideerde ondernemingen. Om verplichtingen of garanties tot gestrande kosten te kunnen maken, moet een oorzakelijk verband kunnen worden vastgesteld tussen de inwerkingtreding van richtlijn 96/92/EG en de problemen die de betrokken ondernemingen hebben om deze verplichtingen of garanties na te komen of te doen nakomen. Om dit oorzakelijke verband vast te stellen, zal de Commissie met name de dalingen van de elektriciteitsprijzen of de verloren marktaandelen van de betrokken ondernemingen in aanmerking nemen. Verplichtingen of garanties die ook onafhankelijk van de inwerkingtreding van de richtlijn niet hadden kunnen worden nagekomen, vormen geen gestrande kosten.”
10.
Punt 4 van de methode voor gestrande kosten betreft de berekening van de toelaatbare staatssteun en stelt in punt 4.2:
„De regeling voor de uitkering van de steun moet het mogelijk maken de toekomstige daadwerkelijke ontwikkeling van de mededinging in aanmerking te nemen. Deze ontwikkeling kan met name worden gemeten aan de hand van kwantificeerbare factoren (prijzen, marktaandelen, door de lidstaat vermelde andere pertinente factoren). Aangezien de ontwikkeling van de concurrentievoorwaarden rechtstreeks van invloed is op het bedrag van de in aanmerking komende gestrande kosten, zal het bedrag van de uitgekeerde steun noodzakelijk afhankelijk zijn van de ontwikkeling van een echte mededinging, en bij de berekening van de in de loop van de tijd uitgekeerde steun zal derhalve rekening moeten worden gehouden met de ontwikkeling van de relevante factoren voor de meting van de bereikte mate van mededinging.”
11.
Punt 4.5 van de methode voor gestrande kosten luidt:
„Het maximumbedrag van de steun die aan een onderneming kan worden uitgekeerd om de gestrande kosten te compenseren, moet tevoren worden vermeld. Bij de vaststelling van dit bedrag moet de mogelijke productiviteitswinst van de onderneming in aanmerking worden genomen.
Ook moeten de precieze wijze van berekening en financiering van de steun ter compensatie van de gestrande kosten, alsmede de maximumperiode gedurende welke deze steun kan worden uitgekeerd, tevoren duidelijk worden gespecificeerd. Bij de aanmelding van deze steun zal met name nauwkeurig moeten worden vermeld op welke wijze bij de berekening van de gestrande kosten de ontwikkeling van de verschillende in punt 4.2 vermelde factoren in aanmerking zal worden genomen.”
2. Beschikking 2009/287
12.
Artikel 1 van beschikking 2009/287 bepaalt:
„1. De Koopovereenkomsten Energie (PPA’s) tussen Polskie Sieci Elektroenergetyczne S.A. [de Poolse beheerder van het elektriciteitsnetwerk in overheidsbezit] en de ondernemingen genoemd in bijlage 1 bij de wet inzake de regels die van toepassing zijn op het vergoeden van de kosten die ondernemingen hebben gemaakt in verband met de vroegtijdige beëindiging van de PPA’s, dienen als staatssteun voor elektriciteitsproducenten te worden aangemerkt in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag.
2. De staatssteun als bedoeld in artikel 1, lid 1, is onrechtmatig toegekend en derhalve met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar.”
13.
Artikel 4 van deze beschikking luidt:
„1. De compensatie zoals voorzien in de wet [van 29 juni 2007] dient in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag als staatsteun aangemerkt te worden ten gunste van de elektriciteitsproducenten die opgenomen zijn in bijlage 2 bij die wet.
2. De in artikel 4, lid 1, genoemde staatssteun is conform de methode voor gestrande kosten met de gemeenschappelijke markt verenigbaar.
3. Het maximale compensatiebedrag zoals voorzien in de wet [van 29 juni 2007] is het bedrag dat resteert na aftrek van de opbrengsten die in het verleden op grond van de PPA’s door de activa zijn gegenereerd en die beschikbaar zijn om investeringskosten te dekken.”
B –Nationaal recht
14.
Overeenkomstig artikel 2, punt 7, van de wet van 29 juni 2007 wordt verstaan onder „producent”: „de energieonderneming die een economische activiteit op het gebied van de productie van elektrische energie uitoefent en partij is bij een langlopende overeenkomst, met uitzondering van Polskie Sieci Elektroenergetyczne S.A., met zetel te Warschau”.
15.
Artikel 2, punt 12, van de wet van 29 juni 2007 omschrijft „gestrande kosten” als „uitgaven van de producent, die na de voortijdige beëindiging van een langlopende overeenkomst niet worden gecompenseerd door de inkomsten uit de verkoop van de geproduceerde elektrische energie, het beschikbaar houden van reservecapaciteit en het aanbieden van systeemdiensten op de aan mededinging onderworpen markt, waarbij het gaat om uitgaven van die producent voor activa die verband houden met de productie van elektrische energie die hij heeft gedragen tot 1 mei 2004”.
16.
Overeenkomstig artikel 32, lid 1, van de wet van 29 juni 2007 wordt, „[i]ndien de producent die een beëindigingsovereenkomst heeft gesloten, tot een concern behoort, [...] bij de berekening van de gestrande kosten rekening gehouden met de met de letters ‚N’, ‚SD’, ‚R’ en ‚P’ aangegeven waarden, waarnaar wordt verwezen in artikel 27, lid 1, met betrekking tot elke producent en onderneming die tot het concern behoort en een economische activiteit op het gebied van de productie van elektrische energie op Pools grondgebied uitoefent in de in bijlage 7 bij de wet genoemde productie-eenheden”.
17.
Bijlage 1 bij de wet van 29 juni 2007 bevat een lijst van producenten die langlopende stroomleveringsovereenkomsten hebben gesloten en vermeldt de productie-eenheden waarop deze betrekking hebben.
18.
In bijlage 2 bij de wet van 29 juni 2007 zijn de maximumbedragen voor de compensatie voor gestrande kosten voor de verschillende producenten die per 1 januari 2007 steun ontvangen vastgesteld.
19.
Bijlage 7 bij de wet van 29 juni 2007 bevat een opsomming van de productie-eenheden die in aanmerking zijn genomen bij de berekening van de door de producenten gedragen gestrande kosten, waarin rekening wordt gehouden met de aanpassingen van die kosten.
II – De feiten
20.
Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing en de opmerkingen van partijen is PGE Górnictwo i Energetyka Konwencjonalna S.A. (hierna: „PGE”) een stroomproducent die als opvolgster van PGE Zespól Elektrowni Dolna Odra in de rechtspositie van laatstgenoemde is getreden.
21.
PGE Zespół Elektrowni Dolna Odra had vóór 2007 met Polskie Sieci Elektroenergetyczne S.A. bepaalde langlopende stroomleveringsovereenkomsten gesloten en zich ertoe verbonden als tegenprestatie bepaalde investeringen te doen.
22.
Op grond van deze overeenkomsten was PGE Zespół Elektrowni Dolna Odra (later PGE Górnictwo i Energetyka Konwencjonalna S.A) verplicht nieuwe productiecapaciteit te creëren, haar apparatuur te moderniseren en aan Polskie Sieci Elektroenergetyczne S.A. een vaste minimumhoeveelheid elektriciteit te leveren. Deze laatstgenoemde onderneming (de publieke netwerkbeheerder) verbond zich ertoe in ieder geval de overeengekomen minimumhoeveelheid elektriciteit af te nemen tegen een prijs gebaseerd op doorberekening van de kosten aan de cliënten.
23.
Na toetreding van de Republiek Polen tot de Europese Unie is onder vigeur van richtlijn 96/92 in 2007 de wet van 29 juni 2007, tot instelling van een recht op compensatie wegens gestrande kosten, vastgesteld. Ten tijde van de vaststelling van die wet behoorde PGE tot een concern waarvan, naast andere stroomproducenten, ook de onderneming PGE Elektrownia Bełchatów S.A. (voorheen genaamd Elektrownia Belchatów S.A.; hierna: „ELB”) deel uitmaakte.
24.
PGE en ELB behoorden echter niet tot hetzelfde concern toen eerstgenoemde de langlopende stroomleveringsovereenkomsten sloot. Zoals gezegd behoorden beide ondernemingen zowel op de datum van vaststelling van de wet van 29 juni 2007 als ten tijde van de vaststelling van beschikking 2009/287 (25 september 2009) tot hetzelfde concern.
25.
Noch in de bijlagen bij de wet van 29 juni 2007 noch in die bij beschikking 2009/287 staan PGE en ELB genoemd als ondernemingen die tot hetzelfde concern behoren.
26.
In de lijst (bijlage 7 bij de wet van 29 juni 2007) met stroomproductie-eenheden die in aanmerking worden genomen bij de toerekening van de gestrande kosten staan de installaties van PGB en ELB afzonderlijk vermeld, en wordt ELB genoemd als onderdeel van de holding BOT Górnictwo i Energetyka S.A.
27.
De compensatieregeling van de wet van 29 juni 2007 voorziet in de betaling van een voorschot aan de producent, welk bedrag niet hoger mag zijn dan hetgeen is vastgesteld in die wet, en bepaalt tevens dat de directeur van de Urzędu Regulacji Energetyki (toezichthouder op de energiemarkt; hierna: „URE”) jaarlijks een afrekening moet maken op basis van het werkelijke financiële resultaat.
28.
Bijlage 1 bij de wet van 29 juni 2007 vermeldt PGE als producent, in de zin van artikel 2, punt 7, van deze wet. Volgens bijlage 2 bij deze wet is het maximumbedrag als compensatie voor gestrande kosten voor deze onderneming 633496000 PLN.
29.
Bij besluit van 30 juli 2010 heeft de directeur van de URE het bedrag van de jaarlijkse aanpassing voor het jaar 2009 voor PGE vastgesteld op 24077793 PLN. Hierbij heeft hij rekening gehouden met het financiële resultaat van ELB, op de vermeende grond dat deze onderneming in 2009 tot hetzelfde concern behoorde als PGE.
30.
PGE heeft tegen het besluit van de directeur van de URE beroep ingesteld bij de Sąd Okręgowy w Warszawie (districtsrechtbank te Warschau), waarin zij aanvoerde dat artikel 32, lid 1, van de wet van 29 juni 2007 uitsluitend van toepassing is op ondernemingen die in bijlage 7 bij de wet van 29 juni 2007 zijn vermeld als tot hetzelfde concern behorende ondernemingen en dat, overeenkomstig deze bijlage, PGE niet tot hetzelfde concern als ELB behoorde.
31.
De districtsrechtbank heeft het beroep van PGE toegewezen bij uitspraak van 4 juni 2010 en het bedrag van de jaarlijkse aanpassing van de compensatie voor gestrande kosten voor 2009 op 116985205 PLN vastgesteld.
32.
Het door de directeur van de URE ingestelde hoger beroep is door de Sąd Apelacyjny w Warszawie (hof van beroep te Warschau) bij arrest van 17 januari 2013 afgewezen. Dit hof van beroep overwoog dat slechts rekening kan worden gehouden met het financiële resultaat van een andere onderneming (namelijk ELB), indien deze onderneming overeenkomstig bijlage 7 bij de wet van 29 juni 2007 deel uitmaakt van hetzelfde concern als PGB, wat in casu niet het geval was.
33.
Tegen de uitspraak in hoger beroep heeft de directeur van de URE cassatieberoep ingesteld bij de Sąd Najwyższy (hooggerechtshof, Polen) wegens vermeende schending van de artikelen 2, lid 1, en 32 van de wet van 29 juni 2007. Hij voerde aan dat de wet van 29 juni 2007 moet worden uitgelegd overeenkomstig de methode voor gestrande kosten en dat, ingevolge de punten 3.3 en 4.2 van die methode, bij de berekening van de gestrande kosten rekening dient te worden gehouden met het concern waarvan de onder de wet van 29 juni 2007 vallende energieproducenten werkelijk deel uitmaakten in het jaar waarop de aanpassing van de compensatie betrekking heeft.
34.
Tegen deze achtergrond heeft de Sąd Najwyższy het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing.
III – Prejudiciële vragen
35.
De vragen van het op 11 december 2014 bij het Hof ingediende verzoek om een prejudiciële beslissing luiden als volgt:
„1)
Moet artikel 107 [VWEU], gelezen in samenhang met artikel 4, lid 3, [VEU] en artikel 4, lid 2, van de beschikking van de Commissie van 25 september 2007, aldus worden uitgelegd dat wanneer de Europese Commissie staatssteun verenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaart, de nationale rechter niet mag nagaan of de als rechtmatige staatssteun aangemerkte nationale bepalingen in overeenstemming zijn met de beginselen die ten grondslag liggen aan de [methode voor gestrande kosten]?
2)
Moet artikel 107 [VWEU], gelezen in samenhang met artikel 4, lid 3, [VEU] en artikel 4, leden 1 en 2, van beschikking 2009/287/EG van de Commissie, gelet op de punten 3.3 en 4.2 van de methode voor gestrande kosten aldus worden uitgelegd dat in het kader van de uitvoering van een staatssteunprogramma waarvan de Europese Commissie de verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt heeft vastgesteld, bij de jaarlijkse aanpassing van de gestrande kosten van de tot een concern behorende producenten wordt uitgegaan van de veronderstelling dat alleen beslissend is of de producent blijkens de bijlagen bij de door de Europese Commissie onderzochte rechtshandeling deel uitmaakt van het concern, of moet voor elk jaar waarin de gestrande kosten worden aangepast, worden nagegaan of de begunstigde van het staatssteunprogramma voor gestrande kosten in dat tijdvak daadwerkelijk deel uitmaakt van het concern waartoe ook de andere onder het steunprogramma vallende producenten behoren?”
IV – Procedure bij het Hof
36.
In deze procedure zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door PGE, de directeur van de URE, de Poolse regering en de Commissie.
37.
Op 27 januari 2016 zijn PGE, de Poolse regering en de Commissie ter terechtzitting verschenen.
V – Argumenten
A –Eerste prejudiciële vraag
38.
PGE heeft aangevoerd dat, wanneer de Commissie staatssteun verenigbaar met de gemeenschappelijke markt heeft verklaard, de nationale rechter niet bevoegd is om na te gaan of die staatssteun in overeenstemming is met de beginselen die ten grondslag liggen aan de methode voor gestrande kosten. Anders zou de exclusieve bevoegdheid van de Commissie ex artikel 108 VWEU worden aangetast en in casu zou de nationale rechter beschikking 2009/287 de facto kunnen negeren, welke mogelijkheid uitdrukkelijk is uitgesloten in de punten 16, 17 en 20 van de mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door de nationale rechterlijke instanties. ( 6 ) Onverminderd het feit dat de nationale rechter, bij twijfel omtrent de uitlegging van beschikking 2009/287, de methode voor gestrande kosten kan gebruiken als uitleggingsinstrument, mogen zijn uitspraken niet in tegenspraak zijn met de beschikking.
39.
De directeur van de URE voert aan dat de nationale rechters de nationale bepalingen aldus moeten uitleggen dat de volle werking van het Unierecht inzake staatssteun is verzekerd. Zijns inziens moet, in de context van een geschil over toekenning van de betrokken staatssteun, de nationale rechter bij zijn uitlegging van het nationale recht dan ook rekening houden met artikel 4 van beschikking 2009/287 en de punten 3.3 en 4.2 van de methode voor gestrande kosten.
40.
De Poolse regering, die uitgaat van de exclusieve bevoegdheid van de Commissie om zich uit te spreken over de verenigbaarheid van staatssteun met de gemeenschappelijke markt, erkent ook dat na vaststelling van de beschikking door de Commissie omstandigheden kunnen optreden die de uitvoering ervan bemoeilijken, in welk geval de Commissie en de nationale autoriteiten gezamenlijk maatregelen zouden moeten ontwikkelen. Om die reden meent zij dat in een geval als het onderhavige de nationale rechter bevoegd, en zelfs verplicht is, om na te gaan of de nationale bepalingen tot invoering van de toegestane steunmaatregelen voldoen aan de beginselen van de methode voor gestrande kosten. Op die manier kan worden gegarandeerd dat beschikking 2009/287 correct wordt uitgevoerd en, uiteindelijk, dat de mededingingsvoorwaarden op de gemeenschappelijke markt worden beschermd.
41.
De Commissie neemt in wezen hetzelfde standpunt in als PGE. Zij voegt eraan toe dat, nu zij in beschikking 2009/287 de Poolse regeling inzake gestrande kosten (namelijk de wet van 29 juni 2007) heeft getoetst aan de punten 3 en 4 van de methode voor gestrande kosten en die regeling verenigbaar heeft verklaard met de interne markt, de nationale rechter niet bevoegd is om na te gaan of de wet van 29 juni 2007 in overeenstemming is met de methode voor gestrande kosten ten tijde van de daadwerkelijke uitkering van de compensatie.
B –Tweede prejudiciële vraag
42.
PGE is van mening dat bij de jaarlijkse aanpassing van de compensatie moet worden gekeken naar de situatie op het tijdstip waarop de Commissie de staatssteunregeling van de wet van 29 juni 2007 onderzocht. Volgens PGE heeft de Commissie in het kader van haar toetsing de regeling voor gestrande kosten van de wet van 29 juni 2007, met inbegrip van de verschillende daarin neergelegde bepalingen, onderzocht en goedgekeurd. Aangezien de Commissie de methode voor de berekening van de aanpassing inzake geconsolideerde ondernemingen, in de zin van bijlage 7 van de wet van 29 juni 2007, heeft goedgekeurd, kan enkel strikt en uitsluitend worden verwezen naar de wet van 29 juni 2007 om vast te stellen of een producent tot een bepaald concern behoort.
43.
De directeur van de URE, de Poolse regering en de Commissie pleiten bij de berekening van de jaarlijkse aanpassing van de compensatie voor gestrande kosten voor een „dynamische uitlegging” van de vraag of een producent tot een concern behoort. Volgens hen verwijzen de punten 3.3 en 4.2 van de methode voor gestrande kosten naar een toekomstige daadwerkelijke ontwikkeling van de mededinging, en derhalve naar de werkelijke voorwaarden van de markt ten tijde van de uitkering van de staatssteun. Uit deze premisse leiden zij af dat de werkelijke samenstelling van de concerns gedurende het jaar waarin de aanpassingen worden gedaan doorslaggevend is. Volgens de Commissie zou anders, als de door PGE voorgestane „statische uitlegging” wordt aangenomen, ervan worden uitgegaan dat wijzigingen in de structuur van de concerns niet vallen onder beschikking 2009/287, zodat voor de betaling van compensatie in die nieuwe context voorafgaande kennisgeving op grond van artikel 108 VWEU nodig zou zijn.
VI – Beoordeling
A –Eerste prejudiciële vraag
44.
Met de eerste voorgelegde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 107 VWEU en artikel 4, lid 3, VEU, gelezen in samenhang met beschikking 2009/287 en de methode voor gestrande kosten, aldus moeten worden uitgelegd dat, wanneer de Commissie staatssteun eenmaal verenigbaar met de gemeenschappelijke markt heeft verklaard, de nationale rechterlijke instanties bij de tenuitvoerlegging van de steunmaatregel mogen nagaan of deze in overeenstemming is met de methode voor gestrande kosten.
45.
Aldus door de verwijzende rechter geformuleerd is deze vraag zo abstract dat het antwoord alleen maar ontkennend kan luiden.
46.
Het is vaste rechtspraak van het Hof dat uitsluitend de Commissie bevoegd is te beoordelen of staatssteun verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. ( 7 ) De nationale rechter speelt weliswaar een rol bij het toezicht op staatssteun, maar zijn taak is beperkt tot het waarborgen van de doeltreffendheid van het preventieve toezicht op voorgenomen staatssteun. In die context vervullen de Commissie en de nationale rechterlijke instanties „aanvullende en onderscheiden” taken ( 8 ), zodat terwijl „de beoordeling van de verenigbaarheid van steunmaatregelen met de gemeenschappelijke markt onder de exclusieve bevoegdheid van de Commissie valt, die daarbij onder toezicht staat van de rechters van de Unie, [...] de nationale rechterlijke instanties toe[zien] – totdat de Commissie haar eindbeslissing heeft vastgesteld – op de vrijwaring van de rechten van de justitiabelen in geval van een eventuele schending door de overheidsinstanties van het verbod waarin artikel 108, lid 3, VWEU voorziet”. ( 9 )
47.
Bijgevolg zijn de nationale rechterlijke instanties niet bevoegd zich uit te spreken over de verenigbaarheid van staatssteun met de gemeenschappelijke markt, noch om de geldigheid te beoordelen van ter zake door de Commissie genomen beslissingen. ( 10 )
48.
In feite betwist de verwijzende rechter deze leer niet, want hij gaat bij zijn vraag niet uit van de mogelijkheid als zodanig om de geldigheid van beschikking 2009/287 te beoordelen. Evenmin vraagt hij of hij de inhoud ervan opnieuw in overweging kan nemen en een nieuwe beslissing kan nemen over de verenigbaarheid van staatssteun met de gemeenschappelijke markt. Het ligt subtieler: hij wenst te vernemen of hij bij de uitlegging en toepassing ad casum van de nationale wetgeving (de wet van 29 juni 2007) inzake staatssteun, waarop beschikking 2009/287 betrekking heeft, „de feitelijke omvang van de op grond van de wet van 29 juni 2007 aan de energieproducenten verleende staatssteun [kan aanpassen] aan de veronderstellingen waarop de beschikking van de Commissie is gebaseerd”. ( 11 )
49.
Om de eigen woorden van de verwijzende rechter te gebruiken: hij vraagt of de nationale wetgeving „aldus moet worden uitgelegd, dat het steunmechanisme van de wet van 29 juni 2007, waarvan de verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt nog vóór de praktische uitvoering ervan werd onderzocht, a priori moet worden geacht in overeenstemming te zijn met de methode voor gestrande kosten, en dat deze overeenstemming bij de uitvoering van het steunmechanisme niet meer mag worden getoetst, dan wel dat de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties in het kader van de toepassing van de wet van 29 juni 2007 telkens dienen na te gaan of de in het kader van de uitvoering van de wet van 29 juni 2007 verleende staatssteun verenigbaar is met deze methode”. ( 12 )
50.
De wet van 29 juni 2007 zou dus moeten worden toegepast aan de hand van een „uitleggingsmodel” ( 13 ) waarvoor beschikking 2009/287 samen met de methode voor gestrande kosten de basis zou vormen. ( 14 ) Met als gevolg dat de toepassing van dat „model” ertoe zou kunnen leiden dat een steunmaatregel waartegen de Commissie geen bezwaar zou hebben gehad toen zij de in die wet vastgestelde mechanismen van het staatssteunprogramma „algemeen beoordeelde”, bij de tenuitvoerlegging ervan onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt zou moeten worden verklaard. ( 15 )
51.
Mijns inziens dient dit standpunt van de hand te worden gewezen.
52.
De staatssteunregeling van de wet van 29 juni 2007 is definitief goedgekeurd bij beschikking 2009/287. In artikel 4 hiervan heeft de Commissie op grond van de methode voor gestrande kosten beslist dat de compensatie voor gestrande kosten verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. Deze beschikking kan niet eenvoudigweg de „fundering” zijn voor de constructie van een model voor ad‑hoc‑uitlegging dat in feite de methode voor gestrande kosten zelf zou zijn, direct toegepast door de nationale rechters teneinde andere resultaten te bereiken. Een dergelijke handelwijze zou veronderstellen dat laatstgenoemden een bevoegdheid aannemen die uitsluitend aan de Commissie is toegekend.
53.
Toch is het mogelijk dat, nadat de Commissie zich heeft uitgesproken over de bijzondere staatssteunregeling van de wet van 29 juni 2007, zich later in de praktijk omstandigheden voordoen met gevolgen die, als de Commissie die had gekend of had kunnen voorzien, hadden geleid tot een andere beschikking. Dit is de bezorgde overweging die ten grondslag lijkt te liggen aan de vragen van de verwijzende rechter, die beoogt te waarborgen dat het Unierecht betreffende staatssteun wordt geëerbiedigd.
54.
Deze bezorgdheid is terecht, maar dat betekent niet dat de nationale autoriteiten bevoegdheden mogen krijgen die uitsluitend zijn voorbehouden aan de Commissie. De oplossing moet eerder worden gezocht in de afbakening van de hierboven beschreven „aanvullende en onderscheiden” taken die op dit gebied zijn toegekend aan de Commissie en de lidstaten.
55.
In feite is het antwoord op de eerste prejudiciële vraag mogelijkerwijs niet bijzonder nuttig als dit los wordt gezien van het oordeel over de tweede vraag van de verwijzende rechter, betreffende de eventuele invloed van een wijziging van de feitelijke omstandigheden waarop de Commissie zich baseerde toen zij beschikking 2009/287 uitvaardigde.
56.
In elk geval kan het antwoord op een in zodanig algemene abstracte termen geformuleerde vraag alleen maar ontkennend luiden. Wanneer de Commissie staatssteun, in de zin van een bepaalde nationale wet, verenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaart, mag de nationale rechter niet nagaan of de wet tot invoering van die staatssteun in overeenstemming is met de beginselen van de methode voor gestrande kosten.
B – Tweede prejudiciële vraag
57.
De verwijzende rechter wenst te vernemen of, voor de jaarlijkse berekening (teneinde voor elk jaar waarin de aanpassing wordt verricht het betreffende bedrag vast te stellen) van de compensatie voor gestrande kosten voor een elektriciteitsproducent, de cruciale factor moet zijn: a) of de producent blijkens de bijlagen bij de wet van 29 juni 2007 deel uitmaakt van een concern, of b) of de producent feitelijk deel uitmaakt van een ander concern dan in die bijlagen is opgenomen, of van hetzelfde concern, maar met een andere samenstelling.
58.
Het antwoord heeft onmiddellijke gevolgen voor de onderhavige zaak. Indien men de tweede benadering aanhangt (waarin wordt gekozen voor een „dynamische uitlegging” van de vraag tot welk concern een producent behoort) zijn de financiële resultaten van het concern in het jaar waarop de compensatie betrekking heeft relevant voor de berekening. Dat is de opvatting van de Poolse toezichthouder op de energiemarkt in het hoofdgeding na, in overeenstemming daarmee, te hebben besloten tot verlaging van het aan PGE te betalen bedrag. De tegenovergestelde opvatting is die welke PGE hanteert en die wordt gedeeld door zowel de rechter in eerste aanleg als die in hoger beroep, die alleen de in bijlage 7 bij de wet van 29 juni 2007 weergegeven situatie in aanmerking nemen.
59.
De tweede vraag is dus veel minder abstract geformuleerd dan de eerste. De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen of voor de berekening van de jaarlijkse aanpassing van de door PGE te ontvangen compensatie voor gestrande kosten voor 2009 de in bijlage 7 bij de wet van 29 juni 2007 vermelde productie-eenheden en ondernemingen in de elektriciteitssector in aanmerking moeten worden genomen, of die welke in 2009 deel uitmaakten van het concern waartoe PGE behoorde, ook al betreft het in bijlage 7 opgenomen eenheden die tot een ander concern dan PGE behoren.
60.
Ik vrees echter dat het antwoord op de tweede vraag geen oplossing biedt voor het probleem dat in het hoofdgeding centraal staat en dat in wezen meer gaat over de uitlegging en toepassing van de wet van 29 juni 2007 dan over het Unierecht. Zoals PGE in haar opmerkingen stelt (punten 30 en 54) kan beschikking 2009/287 noch de methode voor gestrande kosten op zich de gerezen twijfels wegnemen. Het antwoord op deze twijfels hangt voornamelijk af van de toepassing van de artikelen 2 en 32 van de wet van 29 juni 2007, gelezen in samenhang met bijlage 7. Aan de hand van deze bepalingen kan worden vastgesteld of het financiële resultaat van ELB in 2009 negatieve gevolgen kan hebben voor de aanpassing van de door PGE te ontvangen compensatie, ondanks het feit dat, volgens bijlage 7 bij de wet van 29 juni 2007, de voorziene steunmaatregelen die omstandigheid niet in aanmerking nemen.
61.
Vanuit Unierechtelijk perspectief is beschikking 2009/287 louter een „verklaring van verenigbaarheid” van steunmaatregelen met de gemeenschappelijke markt, die naar de Poolse autoriteiten wordt gestuurd opdat zij, indien zij dat dienstig achten, de staatsmiddelen tot een maximum van x miljoen PLN, in opeenvolgende jaarlijkse periodes, ter beschikking stellen van ondernemingen in de elektriciteitssector. Indien die autoriteiten gedurende die jaarlijkse periodes of boekjaren ervoor kiezen de wet van 29 juni 2007 in die zin uit te leggen dat het bedrag van de toegestane „uitgaven” wordt verlaagd – nooit verhoogd –, kan hun handelwijze niet leiden tot bezwaren op grond van beschikking 2009/287. Nogmaals: deze beschikking „verplicht” noch vereist dat staatssteun wordt uitgekeerd, en beperkt zich ertoe te verklaren dat deze verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt.
62.
Met dit voorbehoud, dat ik later nog zal benadrukken, zeg ik nu alvast dat ik mij in het algemeen en in beginsel kan vinden in de tweede van de tegenover elkaar staande zienswijzen, namelijk in een „dynamische uitlegging”, die kijkt naar de wijziging in de omstandigheden. Beschikking 2009/287 bevordert dat de jaarlijkse aanpassing van de compensatie voor gestrande kosten overeenstemt met de werkelijke marktsituatie ten tijde van de uitkering ervan, hetgeen betekent dat de ontwikkelingen van de mededinging en de markt zelf moeten worden beoordeeld. De samenstelling van de concerns gedurende het jaar waarop de aanpassing betrekking heeft kan, vanuit dit gezichtspunt, een vooruitgang of achteruitgang op het gebied van eerlijke mededingingsvoorwaarden op de elektriciteitsmarkt aan het licht brengen. De beschikking sluit deze aanpassingsfactor niet uit.
63.
De bepalingen in de punten 3.3 en 4.2 van de methode voor gestrande kosten waarborgen dat een aantal variabele omstandigheden in aanmerking worden genomen. Volgens punt 3.3 zal de Commissie, „[o]m dit oorzakelijke verband vast te stellen, [...] met name de dalingen van de elektriciteitsprijzen of de verloren marktaandelen van de betrokken ondernemingen in aanmerking nemen”. En volgens punt 4.2 moet „[d]e regeling voor de uitkering van de steun [...] het mogelijk maken de toekomstige effectieve ontwikkeling van de concurrentie in aanmerking te nemen. Deze ontwikkeling kan met name worden gemeten aan de hand van kwantificeerbare factoren (prijzen, marktaandelen, door de lidstaat vermelde andere pertinente factoren).” Blijkens hetzelfde punt „zal het bedrag van de uitgekeerde steun noodzakelijk afhankelijk zijn van de ontwikkeling van een echte mededinging, en bij de berekening van de in de loop van de tijd uitgekeerde steun zal derhalve rekening moeten worden gehouden met de ontwikkeling van de relevante factoren voor de meting van de bereikte mate van mededinging”.
64.
Men mag er echter van uitgaan dat de Commissie al deze beoordelingsfactoren al had afgewogen alvorens zij beschikking 2009/287 uitvaardigde en de bij de wet van 29 juni 2007 vastgestelde compensatieregeling goedkeurde. De Commissie was zich ervan bewust dat, toen zij onderzocht of steunmaatregelen voor gestrande kosten verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt, zij zich uitsprak over een – door de wet van 29 juni 2007 ingevoerde – compensatieregeling die was bestemd om voor langere tijd te worden toegepast en derhalve conjunctuurgevoelig is. De ten tijde van de goedkeuring van de wet van 29 juni 2007 gehanteerde gegevens (waaronder gegevens betreffende de eigendom van de productie-eenheden en het al dan niet behoren van ondernemingen tot een concern) waren niet constant.
65.
In casu kon de Commissie logischerwijs niet voorbijgaan aan de mogelijkheid dat er later wijzigingen zouden kunnen optreden in de samenstelling van de geconsolideerde concerns, en daarmee in de marktomstandigheden, waardoor de berekening van de aanpassing zoals voorzien bij wet van 29 juni 2007 ongunstig zou kunnen worden beïnvloed. Wanneer in overweging 352 van beschikking 2009/287 staat dat „[d]e Commissie [...] ook rekening [heeft] gehouden met het feit dat de impact van de gestrande kosten berekend wordt onder verwijzing naar de geconsolideerde concerns”, heeft zij eventuele wijzigingen in de samenstelling van die concerns niet buiten beschouwing kunnen laten.
66.
Het standpunt van de Commissie over de wet van 29 juni 2007, waarbij ervan is uitgegaan dat de gegevens in bijlage 7 bij deze wet relevant zijn voor de berekening van de gestrande kosten, staat er dus niet aan in de weg dat latere veranderingen van invloed kunnen zijn op de jaarlijkse aanpassing als zij gevolgen hebben voor factoren die zowel in de methode voor gestrande kosten als in beschikking 2009/287 zijn genoemd.
67.
Een van die factoren was de mededingingssituatie in de elektriciteitssector. Juist om deze reden is in punt 4.3 van de methode voor gestrande kosten bepaald dat „[d]e lidstaat [...] zich ertoe [moet] verbinden de Commissie jaarlijks verslag uit te brengen over met name de ontwikkeling van de mededingingssituatie op zijn elektriciteitsmarkt, met vermelding van met name de waargenomen variaties van de relevante kwantificeerbare factoren”. ( 16 ) Luidens overweging 369 van beschikking 2009/287 hebben „[c]onform punt 4.3 van de methode voor gestrande kosten [...] de Poolse autoriteiten zich ertoe verbonden de Commissie jaarlijks verslag uit te brengen over de tenuitvoerlegging van de [wet van 29 juni 2007]”.
68.
Mijns inziens is dat de aangewezen weg om de in de nationale wet vastgestelde compensatieregeling voor gestrande kosten bij de vaststelling van de opeenvolgende aanpassingen van die steun aan te passen aan de werkelijke omstandigheden op de elektriciteitsmarkt.
69.
Eventuele wijzigingen in de lijst met aan de respectieve ondernemingen (en bijgevolg aan de concerns waarvan zij deel uitmaken) toegewezen productie-eenheden, die vermeld waren in de bijlagen bij de wet van 29 juni 2007, vormden een van de in punt 4.2 van de methode voor gestrande kosten genoemde pertinente „kwantificeerbare factoren” om „de toekomstige daadwerkelijke ontwikkeling van de mededinging” te beoordelen. Dat was dus een relevant gegeven voor de vaststelling van het steunbedrag, bij de berekening waarvan „in de loop van de tijd [...] de ontwikkeling van de relevante factoren voor de meting van de bereikte mate van mededinging” moest worden beoordeeld.
70.
Ik ben van mening dat beschikking 2009/287, voor zover deze gebruikmaakt van de methode voor gestrande kosten, het mechanisme verschaft om in de loop van de tijd de staatssteun aan te passen aan de ontwikkeling van de factoren die bepalend zijn voor de jaarlijkse aanpassing ervan. Beschikking 2009/287 heeft gekozen voor een „dynamische uitlegging” van de samenstelling van de concerns en de wijzigingen in de eigendom van de productie-eenheden en, voor hetzelfde doel, aangegeven hoe de lidstaten de Commissie op de hoogte moeten stellen van veranderingen in de geconsolideerde concerns die genoemd zijn in de bijlage van de wet van 29 juni 2007.
71.
Zolang de Poolse autoriteiten de Commissie niet op de hoogte stellen van de wijzigingen in verband met de in bijlage 7 bij de wet van 29 juni 2007 opgenomen eenheden, moeten zij zich houden aan de inhoud van die bijlage zoals door de Commissie gesteund middels haar beschikking 2009/287. Genoemde autoriteiten mogen niet zelf de methode voor gestrande kosten toepassen bij de jaarlijkse aanpassing van de compensatie, als zij daarmee afbreuk doen aan beschikking 2009/287.
72.
Ter terechtzitting is vastgesteld dat de Poolse autoriteiten destijds het in punt 4.3 van de methode voor gestrande kosten genoemde jaarlijkse verslag hebben opgestuurd, met vermelding van de wijzigingen die zich hadden voorgedaan in de structuur van de elektriciteitsmarkt. Volgens de verklaring van haar vertegenwoordiger tijdens diezelfde zitting heeft de Commissie akte genomen van die wijzigingen en was zij van mening dat, aangezien de nationale autoriteiten het vastgelegde maximaal te betalen bedrag niet hadden overschreden, het niet passend was aanvullende maatregelen te nemen, aangezien de „dynamische uitlegging” van beschikking 2009/287 op zich aanpassingen in de berekening van de compensatie toestond.
73.
Nadat de Poolse autoriteiten de nieuwe samenstelling van de concerns en het effect hiervan op de verdeling van de in de bijlagen bij de wet van 29 juni 2007 genoemde installaties of productie-eenheden hadden aangetoond, kon de Commissie zich uitspreken over de gevolgen hiervan voor de berekening van het jaarlijkse bedrag en indien nodig, in het kader van haar exclusieve bevoegdheden, de prognoses van beschikking 2009/287 aanpassen aan de nieuwe marktsituatie. Na wijziging van de in de wet van 29 juni 2007 genoemde omstandigheden is voor de betaling van compensatie niet noodzakelijkerwijs vereist dat de voorafgaande controleprocedure van artikel 108 VWEU wordt heropend. Om preciezer te zijn: via het in overweging 369 bedoelde jaarlijkse verslag dient gebruik te worden gemaakt van de correctieprocedure van beschikking 2009/287. Dat is wat in casu is gebeurd.
74.
De bewoordingen waarin ik het Hof in overweging geef te antwoorden op de tweede prejudiciële vraag sluiten mijns inziens aan bij de ratio van de systematiek van de toekenningsprocedure voor deze staatssteun en eerbiedigen enerzijds de exclusieve bevoegdheid van de Commissie en vormen anderzijds de beste garantie voor de doeltreffendheid van deze systematiek, want zij waarborgen dat de berekening van de steunmaatregelen wordt aangepast aan het tijdstip waarop de steun worden uitbetaald.
75.
Het moge duidelijk zijn dat mijn voorstel uitsluitend betrekking heeft op de communautaire dimensie van de staatssteunregeling van de wet van 29 juni 2007. Het staat niet aan het Hof een door de Poolse wetgeving ingevoerde regeling voor de aanpak van problemen als gevolg van de openstelling van de nationale elektriciteitsmarkt voor concurrentie uit te leggen. De Poolse autoriteiten en gerechten mogen hun eigen nationale regels inzake staatssteun voor gestrande kosten naar eigen inzicht uitleggen mits het bedrag van de bij beschikking 2009/287 verenigbaar verklaarde staatssteun niet wordt overschreden en geen afbreuk wordt gedaan aan de inhoud van deze beschikking. In het bijzonder staat niets eraan in de weg dat de uitlegging van de wet van 29 juni 2007, ofwel op basis van de inhoud van de bijlagen, ofwel op basis van de ontwikkelingen van de omstandigheden op de elektriciteitsmarkt, leidt tot een hoger of lager bedrag van de jaarlijkse compensatie voor gestrande kosten, mits deze de genoemde grens niet overschrijden.
76.
Hiermee wil ik zeggen dat beschikking 2009/287 uitsluitend beoogt groen licht te geven voor door de nationale autoriteiten ingevoerde steunmaatregelen, nadat de Commissie heeft vastgesteld dat zij verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt. Vanuit het perspectief van artikel 107 VWEU leidt dit niet tot een subjectief recht op staatssteun voor eventuele begunstigden. Of sprake is van een subjectief recht, en wat de omvang hiervan is, is iets wat de nationale wetten moeten bepalen, volgens de uitlegging van de bevoegde rechter.
77.
Ten slotte zouden de Poolse autoriteiten, ook als zij beschikken over de toestemming van de Commissie voor toekenning van de betrokken staatssteun, deze later, om louter binnenlandse redenen gebaseerd op het nationale recht, kunnen verlagen of zelfs afschaffen, met inachtneming van de beperkingen van hun eigen grondwettelijke regels. Ook een uitspraak van de nationale rechter die bij de uitlegging van zijn nationale wetgeving de met de interne markt verenigbaar verklaarde overheidsfinanciering van ondernemingen in de elektriciteitssector verlaagt (in casu, die de jaarlijkse aanpassingen zou vaststellen op lagere dan de uit beschikking 2009/287 blijkende bedragen) zou niet aanvechtbaar zijn op grond van artikel 107 VWEU.
78.
Ik geef het Hof dan ook in overweging een tweeledig antwoord te geven op de tweede prejudiciële vraag: a) artikel 107 VWEU, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 3, VEU, artikel 4, leden 1 en 2, van beschikking 2009/287 en de punten 3.3 en 4.2 van de methode voor gestrande kosten, staat er niet aan in de weg dat bij de jaarlijkse aanpassing van de compensatie voor gestrande kosten wordt uitgegaan van de situatie van de concerns zoals bedoeld in de nationale wetgeving betreffende de door de Commissie goedgekeurde staatssteunregeling, en b) het staat aan de nationale rechter het nationale recht uit te leggen teneinde in overeenstemming daarmee de gevolgen van wijzigingen in de samenstelling van de concerns in de elektriciteitssector die staatssteun ontvangen in goede banen te leiden; het na aanpassing als gevolg van de nieuwe omstandigheden vastgestelde bedrag van die steun mag evenwel niet hoger liggen dan het in beschikking 2009/287 bepaalde maximum en er mag geen afbreuk worden gedaan aan die beschikking.
VII – Conclusie
79.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
„1)
Artikel 107 VWEU, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 3, VEU en artikel 4, lid 2, van beschikking 2009/287/EG van de Commissie van 25 september 2007 betreffende de door Polen toegekende staatssteun in het kader van de Koopovereenkomsten Energie en betreffende de staatssteun die Polen voornemens is toe te kennen als compensatie voor de vrijwillige beëindiging van de Koopovereenkomsten Energie, moet aldus worden uitgelegd dat wanneer de Europese Commissie staatssteun verenigbaar met de interne markt verklaart, de nationale rechter niet mag nagaan of de nationale bepalingen ter vaststelling van die staatssteun in overeenstemming zijn met de richtsnoeren in de methode voor gestrande kosten.
2)
Artikel 107 VWEU, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 3, VEU, artikel 4, leden 1 en 2, van beschikking 2009/287 en de punten 3.3 en 4.2 van de methode voor gestrande kosten, dient aldus te worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat bij de jaarlijkse aanpassing van de compensatie voor gestrande kosten wordt uitgegaan van de situatie van de concerns zoals bedoeld in de nationale wetgeving betreffende de door de Commissie goedgekeurde staatssteunregeling. Het staat aan de nationale rechter het nationale recht uit te leggen teneinde in overeenstemming daarmee de gevolgen van wijzigingen in de samenstelling van de concerns in de elektriciteitssector die staatssteun ontvangen in goede banen te leiden; het na aanpassing als gevolg van de nieuwe omstandigheden vastgestelde bedrag van die steun mag evenwel niet hoger liggen dan het in beschikking 2009/287 bepaalde maximum en er mag geen afbreuk worden gedaan aan die beschikking.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Spaans.
( 2 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996 (PB L 27, blz. 20).
( 3 ) Wet van 29 juni 2007 over de voorwaarden voor de compensatie van de kosten die producenten dragen wegens de voortijdige beëindiging van langlopende stroomleveringsovereenkomsten (Ustawa o zasadach pokrywania kosztów powstałych u wytwórców w związku z przedterminowym rozwiązaniem umów długoterminowych sprzedaży mocy i energii elektrycznej), Dz. U. Nr. 130, volgnr. 905, zoals gewijzigd (hierna: „wet van 29 juni 2007”).
( 4 ) Beschikking van de Commissie van 25 september 2007 betreffende de door Polen toegekende staatssteun in het kader van de Koopovereenkomsten Energie en betreffende de staatssteun die Polen voornemens is toe te kennen als compensatie voor de vrijwillige beëindiging van de Koopovereenkomsten Energie (PB 2009, L 83, blz. 1).
( 5 ) Brief van de Commissie SG(2001) D/290869 van 6 augustus 2001, . De alinea-indeling van de Nederlandse tekst wijkt af van de Poolse versie .
( 6 ) PB 2009, C 85, blz. 1.
( 7 ) Onder meer, in het algemeen, arrest Lucchini (C‑119/05, EU:C:2007:434, punten 51 en 52).
( 8 ) Arrest Deutsche Lufthansa (C‑284/12, EU:C:2013:755, punt 27).
( 9 ) Arrest Deutsche Lufthansa (C‑284/12, EU:C:2013:755, punt 28), waarin de arresten Van Calster e.a. (C‑261/01, EU:C:2003:571, punt 75) en Transalpine Ölleitung in Österreich (C‑368/04, EU:C:2006:644, punt 38) worden aangehaald.
( 10 ) Zoals het Hof in herinnering heeft gebracht in de zaak Lucchini (C‑119/05, EU:C:2007:434, punt 53), is de nationale rechter, „[h]oewel [hij] in beginsel genoopt kan zijn om de geldigheid van een gemeenschapshandeling te onderzoeken, [...] niet bevoegd om zelf de ongeldigheid van handelingen van de gemeenschapsinstellingen vast te stellen (arrest [...] Foto-Frost, 314/85, [EU:C:1987:452], punt 20). Alleen het Hof is dus bevoegd om de ongeldigheid van handelingen van de gemeenschapsinstellingen vast te stellen (arresten [...], Zuckerfabrik Süderdithmarschen en Zuckerfabrik Soest, C‑143/88 en C‑92/89, [EU:C:1991:65], punt 17, [en] [...] IATA en ELFAA, C‑344/04, [EU:C:2006:10], punt 27).”
( 11 ) Verwijzingsbeslissing, blz. 13.
( 12 ) Verwijzingsbeslissing, blz. 14.
( 13 ) Verwijzingsbeslissing, blz. 16.
( 14 ) Ibidem.
( 15 ) Verwijzingsbeslissing, blz. 14.
( 16 ) „Dit jaarverslag”, gaat dit punt verder, „zal een gedetailleerde berekening bevatten van de gestrande kosten die voor het desbetreffende jaar in aanmerking zijn genomen, en zal tevens de uitgekeerde steunbedragen nauwkeurig vermelden”.
Full & Egal Universal Law Academy