ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
26 februari 2015 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing — Bescherming van de ozonlaag — Regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Europese Unie — Methode voor de toewijzing van emissierechten — Kosteloze toewijzing van emissierechten — Heffing van schenkbelasting over die toewijzing”
In zaak C‑43/14,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Nejvyšší správní soud (hoogste administratieve rechterlijke instantie van Tsjechië) bij beslissing van 18 december 2013, ingekomen bij het Hof op 27 januari 2014, in de procedure
ŠKO-Energo s. r. o.
tegen
Odvolací finanční ředitelství,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, kamerpresident, K. Lenaerts, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Tweede kamer, J.‑C. Bonichot (rapporteur), A. Arabadjiev en J. L. da Cruz Vilaça, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: M. Aleksejev, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 19 november 2014,
gelet op de opmerkingen van:
—
ŠKO-Energo s. r. o., vertegenwoordigd door T. Zatloukal, raadsman,
—
Odvolací finanční ředitelství, vertegenwoordigd door D. Jeroušek en E. Nedorostková als gemachtigden,
—
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
—
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door E. Kružíková, P. Němečková en K. Mifsud-Bonnici als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 december 2014,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 10 van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275, blz. 32).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen ŠKO-Energo s. r. o. (hierna: „ŠKO-Energo”) en Odvolací finanční ředitelství (het directoraat financiën), betreffende de voldoening van een belasting over de toewijzing van broeikasgasemissierechten voor de jaren 2011 en 2012.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Volgens overweging 5 van richtlijn 2003/87 draagt deze richtlijn ertoe bij dat de Europese Gemeenschap en haar lidstaten door middel van een efficiënte Europese markt voor broeikasgasemissierechten doeltreffend en met een zo gering mogelijke teruggang van de economische ontwikkeling en de werkgelegenheid voldoen aan de verplichtingen betreffende de vermindering van antropogene broeikasgasemissies die zij zijn aangegaan overeenkomstig beschikking 2002/358/EG van de Raad van 25 april 2002 betreffende de goedkeuring, namens de Europese Gemeenschap, van het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en de gezamenlijke nakoming van de in dat kader aangegane verplichtingen (PB L 130, blz. 1).
4
Overweging 7 van richtlijn 2003/87 luidt:
„Gemeenschapsbepalingen inzake de toewijzing van emissierechten door de lidstaten zijn noodzakelijk om de eenheid van de interne markt te helpen bewaren en concurrentieverstoring te voorkomen.”
5
Artikel 1 van richtlijn 2003/87, met het opschrift „Onderwerp”, bepaalt:
„Bij deze richtlijn wordt een gemeenschapsregeling vastgesteld voor de handel in broeikasgasemissierechten, [...] teneinde de emissies van broeikasgassen op een kosteneffectieve en economisch efficiënte wijze te verminderen.”
6
Artikel 10 van richtlijn 2003/87, met het opschrift „Toewijzingsmethode”, luidt als volgt:
„Voor de periode van drie jaar die ingaat op 1 januari 2005 wijzen de lidstaten ten minste 95 % van de emissierechten kosteloos toe. Voor de periode van vijf jaar die ingaat op 1 januari 2008 wijzen de lidstaten ten minste 90 % van de emissierechten kosteloos toe.”
Tsjechisch recht
7
Wet nr. 357/1992 betreffende erfbelasting, schenkbelasting en overdrachtsbelasting, zoals gewijzigd bij wet nr. 402/2010 (hierna: „wet nr. 357/1992”), bepaalt dat schenkbelasting verschuldigd is over de kosteloze verwerving van broeikasgasemissierechten.
8
§ 6, lid 8, van wet nr. 357/1992 luidt:
„Schenkbelasting wordt geheven over de kosteloze verwerving van broeikasgasemissierechten in 2011 en 2012 voor de productie van elektriciteit in een installatie die op of na 1 januari 2005 elektriciteit produceerde voor de verkoop aan derden en waarin geen andere activiteit in verband met de handel in broeikasgasemissierechten wordt uitgeoefend dan de verbranding van brandstoffen [...] door een elektriciteitsproducent.”
9
§ 7a van deze wet, met het opschrift „Heffingsgrondslag bij kosteloze verwerving van rechten”, luidt als volgt:
„1) Bij kosteloze verwerving van rechten wordt de grondslag van de schenkbelasting als volgt berekend: de gemiddelde marktwaarde van het broeikasgasemissierecht op 28 februari van het relevante kalenderjaar, vermenigvuldigd met het aantal rechten dat kosteloos is verworven voor de productie van elektriciteit in het relevante kalenderjaar.
2) De gemiddelde marktwaarde van een broeikasgasemissierecht op 28 februari van het relevante kalenderjaar wordt door het ministerie van Milieu bekendgemaakt op een wijze die toegang op afstand mogelijk maakt.”
10
§ 14a van wet nr. 357/1992, met het opschrift „Tarief van de schenkbelasting bij kosteloze verwerving van rechten”, preciseert:
„Het tarief van de schenkbelasting bij kosteloze verwerving van rechten bedraagt 32 %.”
11
§ 20, leden 1 en 15, van deze wet bepaalt:
„1) Van erfbelasting en schenkbelasting is vrijgesteld: de kosteloze verwerving van goederen
a)
door Tsjechië of een andere lidstaat van de Europese Unie, dan wel door Noorwegen of IJsland (hierna: ‚een andere Europese staat’), alsook de kosteloze overdracht van eigendom door Tsjechië, met uitzondering van kosteloos verworven emissierechten, en de verwerving van eigendom uit een andere Europese staat [...]”
[...]
15) Van schenkbelasting is vrijgesteld: de kosteloze verwerving van een aantal emissierechten dat overeenkomt met het aandeel van de door middel van warmtekrachtkoppeling opgewekte elektriciteit in de totale hoeveelheid in 2005 en 2006 opgewekte elektriciteit.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
12
ŠKO-Energo heeft voor de jaren 2011 en 2012 kosteloos broeikasgasemissierechten voor de opwekking van elektriciteit verkregen. Naar aanleiding van deze verwerving hebben de belastingautoriteiten (Finanční úřad) een aanslag in de schenkbelasting vastgesteld, waarbij ŠKO-Energo werd verzocht om 20473152 Tsjechische kroon (CZK) te betalen.
13
ŠKO-Energo heeft vruchteloos bezwaar gemaakt tegen deze aanslag bij het Finanční ředitelství en heeft de zaak daarna aanhangig gemaakt bij de Krajský soud v Praze, waarbij zij heeft aangevoerd dat deze belasting in strijd is met artikel 10 van richtlijn 2003/87.
14
De Krajský soud v Praze heeft haar vordering toegewezen.
15
De Nejvyšší správní soud, waarbij hogere voorziening is ingesteld, betwijfelt of deze belasting in overeenstemming is met het Unierecht en in het bijzonder met artikel 10 van richtlijn 2003/87, waarin is bepaald dat in de periode 2008‑2012 ten minste 90 % van de emissierechten kosteloos wordt toegewezen.
16
In die omstandigheden heeft de Nejvyšší správní soud de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Moet artikel 10 van [richtlijn 2003/87] aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de toepassing van bepalingen van nationaal recht die de kosteloze toewijzing van emissierechten in de relevante periode onderwerpen aan schenkbelasting?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
17
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 10 van richtlijn 2003/87, waarin is bepaald dat de lidstaten voor de periode 2008‑2012 minstens 90 % van de broeikasgasemissierechten kosteloos moeten toewijzen, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de toepassing van een schenkbelasting als die welke in het hoofdgeding aan de orde is.
18
Zoals blijkt uit de bewoordingen van artikel 10 van richtlijn 2003/87, volgens welke de lidstaten tijdens de in casu aan de orde zijnde periode minstens 90 % van de broeikasgasemissierechten kosteloos moesten toewijzen, verzet dit artikel zich ertegen dat lasten worden opgelegd naar aanleiding van de toewijzing van emissierechten (arrest Iberdrola e.a., C‑566/11, C‑567/11, C‑580/11, C‑591/11, C‑620/11 en C‑640/11, EU:C:2013:660, punt 27).
19
Het Hof heeft evenwel gepreciseerd dat noch artikel 10 van richtlijn 2003/87, noch een andere bepaling van die richtlijn ziet op het gebruik van deze emissierechten of uitdrukkelijk het recht van de lidstaten beperkt om maatregelen te nemen die de economische impact van het gebruik van deze rechten kunnen beïnvloeden (arrest Iberdrola e.a., EU:C:2013:660, punt 28).
20
De lidstaten mogen dus in beginsel economische beleidsmaatregelen nemen, zoals toezicht invoeren op de prijzen die voor bepaalde essentiële goederen en middelen op de markten worden gehanteerd, waarbij zij bepalen hoe de waarde van kosteloos toegewezen broeikasgasemissierechten aan de consument wordt doorberekend (arrest Iberdrola e.a., EU:C:2013:660, punt 29).
21
De vaststelling van dergelijke maatregelen mag het beginsel van kosteloze toewijzing van de broeikasgasemissierechten evenwel niet neutraliseren en evenmin afbreuk doen aan de door richtlijn 2003/87 nagestreefde doelstellingen (arrest Iberdrola e.a., EU:C:2013:660, punt 30).
22
Het in artikel 10 van richtlijn 2003/87 vastgestelde beginsel van kosteloosheid staat er niet alleen aan in de weg dat rechtstreeks een prijs voor de toewijzing van de broeikasgasemissierechten wordt bepaald, maar ook dat achteraf een last voor de toewijzing van die rechten wordt opgelegd (arrest Iberdrola e.a., EU:C:2013:660, punt 31).
23
In casu blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde schenkbelasting van 32 % wordt geheven over de kosteloze verwerving van broeikasgasemissierechten voor de opwekking van elektriciteit met brandstoffen, met uitzondering van elektriciteitsopwekking door middel van warmtekrachtkoppeling.
24
Derhalve moet worden geconstateerd dat een maatregel als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die geen betrekking heeft op het gebruik van emissierechten maar enkel op de toewijzing ervan, en dit bovendien in een welbepaalde sector en tijdens een beperkte periode die ten dele overeenstemt met die waarvoor de wetgever van de Unie bij wijze van overgangsmaatregel het beginsel heeft ingesteld dat de emissierechten vrijwel kosteloos moeten worden toegekend, een last vormt die drukt op de kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten en onverenigbaar is met het in richtlijn 2003/87 neergelegde vereiste van kosteloosheid.
25
Tevens moet erop worden gewezen dat een dergelijke maatregel, die blijkens de verwijzingsbeslissing tot doel had om extra inkomsten te genereren voor de exploitanten van zonne-energiecentrales, andere doelstellingen nastreeft dan richtlijn 2003/87, zodat hij evenmin kan worden aangemerkt als een verdergaande beschermingsmaatregel in de zin van artikel 193 VWEU (zie naar analogie arresten Deponiezweckverband Eiterköpfe, C‑6/03, EU:C:2005:222, punten 49 en 52, en Azienda Agro-Zootecnica Franchini en Eolica di Altamura, C‑2/10, EU:C:2011:502, punt 50).
26
De Tsjechische regering heeft evenwel betoogd dat artikel 10 van richtlijn 2003/87 niet in de weg staat aan een schenkbelasting als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, aangezien deze belasting in de praktijk drukt op minder dan 10 % van de totale waarde van de door deze lidstaat toegewezen broeikasgasemissierechten.
27
In dit verband moet echter worden opgemerkt dat de tweede volzin van datzelfde artikel bepaalt dat voor de betrokken periode minstens 90 % van de rechten kosteloos moet worden toegewezen, maar niets zegt over de waarde daarvan.
28
Tevens moet worden benadrukt dat de door de Tsjechische regering voorgestane uitlegging indruist tegen de doelstelling van artikel 10 van richtlijn 2003/87, te weten de economische impact van de invoering door de Europese Unie van een markt voor broeikasgasemissierechten tijdelijk verzachten door te vermijden dat bepaalde onder deze richtlijn vallende productiesectoren concurrentievermogen verliezen (arrest Iberdrola e.a., EU:C:2013:660, punt 39). Die doelstelling brengt namelijk mee dat dat de beperking van het aantal rechten dat tegen betaling kan worden toegewezen tot 10 %, moet worden beoordeeld vanuit het gezichtspunt van de exploitanten in elk van de betrokken sectoren en niet in verhouding tot het geheel van de door de lidstaat toegekende rechten, met inachtneming van het gelijkheidsbeginsel.
29
Het staat aan de verwijzende rechter om, tegen de achtergrond van deze overwegingen, na te gaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde schenkbelasting kan worden geacht te voldoen aan de in artikel 10 van richtlijn 2003/87 neergelegde regel dat hoogstens 10 % van de emissierechten tegen betaling mag worden toegewezen.
30
Derhalve moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 10 van richtlijn 2003/87 aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan de toepassing van een schenkbelasting als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, wanneer deze belasting in strijd is met de in dat artikel neergelegde regel dat hoogstens 10 % van de emissierechten tegen betaling mag worden toegewezen. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of dit het geval is.
Kosten
31
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
Artikel 10 van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan de toepassing van een schenkbelasting als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, wanneer deze belasting in strijd is met de in dat artikel neergelegde regel dat hoogstens 10 % van de emissierechten tegen betaling mag worden toegewezen. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of dit het geval is.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Tsjechisch.
Full & Egal Universal Law Academy