ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
9 juli 2015 ( *1 )
„Niet-nakoming — Staatssteun — Onrechtmatige en met de interne markt onverenigbare steun — Verplichting tot terugvordering — Volstrekte onmogelijkheid — Compensatie voor een dienst ter aanvulling van een basisdienst”
In zaak C‑63/14,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 108, lid 2, VWEU, ingesteld op 10 februari 2014,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Stromsky als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Franse Republiek, vertegenwoordigd door G. de Bergues, D. Colas, N. Rouam en J. Bousin als gemachtigden,
verweerster,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: T. von Danwitz, kamerpresident, C. Vajda, A. Rosas, E. Juhász (rapporteur) en D. Šváby, rechters,
advocaat-generaal: M. Wathelet,
griffier: V. Tourrès, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 5 februari 2015,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 maart 2015,
het navolgende
Arrest
1
Met haar verzoekschrift verzoekt de Europese Commissie het Hof om vast te stellen dat de Franse Republiek de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 288, vierde alinea, VWEU en de artikelen 3 tot en met 5 van besluit 2013/435/EU van de Commissie van 2 mei 2013 betreffende steunmaatregel SA.22843 (2012/C) (ex 2012/NN) die door Frankrijk is toegekend aan de Société Nationale Corse Méditerranée en de Compagnie Méridionale de Navigation (PB L 220, blz. 20; hierna: „litigieus besluit”), doordat zij niet binnen de gestelde termijnen alle maatregelen heeft genomen die nodig zijn om de staatssteun die bij artikel 2, lid 1, van dat besluit onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard, van de begunstigde terug te vorderen, doordat zij niet binnen de gestelde termijnen alle uitkeringen van de in dit artikel 2, lid 1, bedoelde steun heeft geschrapt, en doordat zij de Commissie niet binnen de gestelde termijn op de hoogte heeft gesteld van de maatregelen die zijn genomen om aan dit besluit te voldoen.
Toepasselijke bepalingen
2
Artikel 14 van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [108 VWEU] (PB L 83, blz. 1) bepaalt:
„1. Indien negatieve beschikkingen worden gegeven in gevallen van onrechtmatige steun beschikt de Commissie dat de betrokken lidstaat alle nodige maatregelen dient te nemen om de steun van de begunstigde terug te vorderen (‚terugvorderingsbeschikking’). De Commissie verlangt geen terugvordering van de steun indien zulks in strijd is met een algemeen beginsel van het [Unie]recht.
2. De op grond van een terugvorderingsbeschikking terug te vorderen steun omvat rente tegen een door de Commissie vastgesteld passend percentage. De rente is betaalbaar vanaf de datum waarop de onrechtmatige steun voor de begunstigde beschikbaar was tot de datum van daadwerkelijke terugbetaling van de steun.
3. Onverminderd een beschikking van het Hof van Justitie van de Europese [Unie] overeenkomstig artikel [278 VWEU], dient terugvordering onverwijld en in overeenstemming met de nationaalrechtelijke procedures van de betrokken lidstaat te geschieden, voor zover die procedures een onverwijlde en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de beschikking van de Commissie toelaten. Daartoe nemen de betrokken lidstaten in geval van een procedure voor een nationale rechtbank alle nodige maatregelen, met inbegrip van voorlopige maatregelen, waarover zij binnen hun nationale rechtsstelsel beschikken om dit doel te bereiken, onverminderd de [Unie]wetgeving.”
Voorgeschiedenis van het geding en litigieus besluit
Voorgeschiedenis van het geding
3
Het parlement van Corsica heeft bij besluit van 7 juni 2007 de overheidsdienst bestaande in het verzorgen van de scheepvaartverbinding tussen de haven van Marseille en de havens van Corsica uitbesteed aan het consortium van de Société nationale maritime Corse-Méditerranée (SNCM) SA (hierna: „SNCM”) en de Compagnie Méridionale de Navigation SA (hierna: „CMN”). De voorzitter van de uitvoerende raad van de Territoriale Autoriteiten van Corsica is bij besluit van dezelfde dag gemachtigd om de overeenkomst inzake uitbesteding van de overheidsdienst te ondertekenen.
4
De overeenkomst inzake de uitbesteding van de overheidsdienst is gesloten voor de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 december 2013.
5
Artikel 1 van deze overeenkomst stelt het voorwerp ervan vast, namelijk de verlening van geregelde scheepvaartdiensten op alle lijnverbindingen tussen de haven van Marseille en de havens van Bastia, Ajaccio, Porto-Vecchio, Propriano en Balagna waarop de uitbestede overheidsdienst betrekking heeft.
6
Het bestek in bijlage 1 bij de overeenkomst inzake de uitbesteding van de overheidsdienst omschrijft de aard van deze diensten. Het voorziet met name in:
—
een permanente dienst „vracht- en passagiersvervoer” die het consortium van de SNCM en de CMN het hele jaar door moet verzorgen (hierna: „basisdienst”), en
—
de aanvullende „passagiersdienst” die door de SNCM moet worden verleend om de verkeerspieken op te vangen gedurende ongeveer 37 weken op de lijnen Marseille-Ajaccio en Marseille-Bastia en tijdens de periode van 30 mei tot en met 30 september op de lijn Marseille-Propriano (hierna: „aanvullende dienst”).
7
Krachtens de overeenkomst inzake de uitbesteding van de overheidsdienst ontvangen de twee opdrachtnemers van het Office des transports de Corse een jaarlijkse bijdrage ter compensatie van de basisdienst en de aanvullende dienst. De uiteindelijke jaarlijkse financiële compensatie is voor elke opdrachtnemer beperkt tot het exploitatietekort dat voortvloeit uit de verplichtingen die worden opgelegd door het bestek, waarbij rekening wordt gehouden met een redelijk rendement van de vloot naar rato van het aantal dagen waarop de vloot daadwerkelijk op grond van die verplichtingen voor overtochten is ingezet. Voor het geval dat de inkomsten lager uitvallen dan de geraamde inkomsten die de opdrachtnemers in hun offerte hadden vastgesteld, voorziet de overeenkomst in een aanpassing van de overheidscompensatie.
8
De overeenkomst inzake de uitbesteding van de overheidsdienst is na de ondertekening ervan in die zin gewijzigd dat meer dan 100 overtochten per jaar tussen Corsica en Marseille zijn geschrapt, de jaarlijkse referentiecompensatiebedragen voor de twee opdrachtnemers met 6,5 miljoen EUR zijn verlaagd en een bovengrens is vastgesteld voor het mechanisme van jaarlijkse aanpassing van de inkomsten van elke opdrachtnemer.
Litigieus besluit
9
Na een klacht van Corsica Ferries France SAS (hierna: „Corsica Ferries”) over onrechtmatige en met de interne markt onverenigbare staatssteun die de SNCM en de CMN zouden hebben ontvangen op grond van de overeenkomst inzake de uitbesteding van de overheidsdienst die betrekking had op de scheepvaartverbindingen tussen Corsica en Marseille, heeft de Commissie de Franse Republiek bij brief van 27 juni 2012 in kennis gesteld van haar besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure van artikel 108, lid 2, VWEU ten aanzien van de potentiële steunmaatregelen ten gunste van de SNCM en de CMN die in de overeenkomst inzake de uitbesteding van de overheidsdienst waren vervat (PB 2012, C 301, blz. 1).
10
In het kader van haar onderzoek heeft de Commissie de twee betrokken diensten, namelijk de basisdienst en de aanvullende dienst, beoordeeld.
11
De Commissie heeft opgemerkt dat de compensaties die de SNCM en de CMN voor de basisdienst hebben ontvangen, onwettige steunmaatregelen vormden, aangezien zij waren toegekend zonder dat de procedure van artikel 108, lid 3, VWEU in acht was genomen. Zij heeft evenwel vastgesteld dat deze compensaties verenigbaar waren met de interne markt.
12
Voorts heeft de Commissie vastgesteld dat de in de overeenkomst inzake de uitbesteding van de overheidsdienst vastgestelde compensaties die betrekking hadden op de aanvullende dienst, die enkel door de SNCM werd verzorgd, onrechtmatige en met de interne markt onverenigbare staatssteun vormden. Deze vaststelling was gebaseerd op de overweging dat niet was voldaan aan twee van de vier criteria die het Hof heeft vastgesteld in het arrest Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg (C‑280/00, EU:C:2003:415).
13
De Commissie stelde namelijk in de eerste plaats vast dat de door de SNCM verstrekte aanvullende dienst niet noodzakelijk was om in een reële behoefte aan een overheidsdienst te voorzien en evenmin evenredig was aan deze behoefte. In de tweede plaats was zij van mening dat de aanbestedingsvoorwaarden geen daadwerkelijke concurrentie konden waarborgen en dat de financiële compensaties niet berekend waren op basis van een vooraf vastgestelde kostengrondslag of op basis van een vergelijking met de kostenstructuur van andere vergelijkbare scheepvaartmaatschappijen.
14
Gelet op het bovenstaande heeft de Commissie in het litigieuze besluit, dat op 3 mei 2013 ter kennis is gebracht van de Franse Republiek, het volgende vastgesteld:
„Artikel 1
De compensaties die ten gunste van de SNCM en de CMN in het kader van de overeenkomst inzake delegatie van openbare dienst van 7 juni 2007 zijn uitgekeerd, vormen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. Deze staatssteun vormt een inbreuk op de verplichtingen van artikel 108, lid 3, VWEU.
Artikel 2
1. De compensaties die ten gunste van de SNCM zijn uitgekeerd voor het opzetten van de aanvullende capaciteit op grond van I a) 2), I b) 2) en I d) 1.4) van het bestek van de bovengenoemde [overeenkomst inzake delegatie van openbare dienst], zijn onverenigbaar met de interne markt.
2. De compensaties die ten gunste van de SNCM en de CMN zijn uitgekeerd voor de overige diensten in het kader van de bovengenoemde overeenkomst inzake delegatie van openbare dienst, zijn verenigbaar met de interne markt.
Artikel 3
1. Frankrijk dient de in artikel 2, lid 1, bedoelde steun van de begunstigde terug te vorderen.
2. Over de terug te vorderen bedragen is rente verschuldigd vanaf de datum waarop de bedragen voor de begunstigde beschikbaar waren tot de datum van daadwerkelijke terugbetaling van de bedragen.
3. De rente wordt berekend op samengestelde grondslag overeenkomstig hoofdstuk V van verordening (EG) nr. 794/2004 [van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 659/1999 (PB L 140, blz. 1)] en verordening (EG) nr. 271/2008 [van de Commissie van 30 januari 2008 tot wijziging van verordening (EG) nr. 794/2004 (PB L 82, blz. 1)].
4. Frankrijk schrapt alle uitkeringen van de in artikel 2, lid 1, bedoelde steun, die na de datum van kennisgeving van dit besluit zouden kunnen plaatsvinden.
Artikel 4
1. De terugvordering van de in artikel 2, lid 1, bedoelde steun geschiedt onverwijld en daadwerkelijk.
2. Frankrijk ziet erop toe dat dit besluit binnen vier maanden na kennisgeving ten uitvoer wordt gelegd.
Artikel 5
1. Binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van dit besluit verstrekt Frankrijk de volgende informatie aan de Commissie:
(a)
het totale van de begunstigde terug te vorderen bedrag (hoofdsom en rente);
(b)
een gedetailleerde beschrijving van de reeds genomen en de voorgenomen maatregelen om aan dit besluit te voldoen;
(c)
documenten waaruit blijkt dat de begunstigde gelast werd tot terugbetaling van de steun;
(d)
de precieze datums en bedragen van de maandelijkse betalingen en de jaarlijkse bijstellingen die zijn verricht sinds de inwerkingtreding van de overeenkomst [inzake delegatie van openbare dienst] tot de datum van vaststelling van dit besluit.
2. Frankrijk houdt de Commissie op de hoogte van de ontwikkelingen met betrekking tot de nationale maatregelen die het land heeft genomen om dit besluit ten uitvoer te leggen, totdat de in artikel 2, lid 1, bedoelde steun volledig is teruggevorderd. Frankrijk verstrekt, op verzoek van de Commissie, onverwijld informatie over de reeds genomen en de voorgenomen maatregelen om aan dit besluit te voldoen. Het land verstrekt tevens gedetailleerde informatie over de reeds van de begunstigde teruggevorderde steunbedragen en rente.
Artikel 6
Dit besluit is gericht tot de Franse Republiek.”
15
Volgens de Commissie werd de terug te vorderen som op het ogenblik van de vaststelling van het litigieuze besluit geraamd op ongeveer 220,224 miljoen EUR.
16
Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht van de Europese Unie op 12 juli en 26 augustus 2013, hebben de Franse Republiek en de SNCM elk een beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld [zaken Frankrijk/Commissie (T‑366/13) en SNCM/Commissie (T‑454/13), aanhangig voor het Gerecht].
17
Op dezelfde dag heeft de Franse Republiek bij een ter griffie van het Gerecht neergelegde akte in kort geding gevorderd dat de tenuitvoerlegging van het litigieuze besluit zou worden opgeschort totdat het Gerecht ten gronde zou hebben geoordeeld over bovengenoemd verzoek tot nietigverklaring. Dat verzoek is afgewezen bij beschikking van de president van het Gerecht Frankrijk/Commissie (T‑366/13 R, EU:T:2013:396). De hogere voorziening die de Franse Republiek tegen deze beschikking heeft ingesteld, is afgewezen bij beschikking van de vicepresident van het Hof Frankrijk/Commissie [C‑574/13 P(R), EU:C:2014:36].
18
Bij brief van 20 juni 2013 heeft de voorzitter van de Territoriale Autoriteiten van Corsica de vicevoorzitter van de Commissie verzocht om mee te delen hoe het litigieuze besluit moest worden uitgevoerd.
19
Op 10 juli 2013 heeft de prefect van Corsica aan de voorzitter van de Territoriale Autoriteiten van Corsica een brief gezonden waarbij het litigieuze besluit was gevoegd. In deze brief vroeg de prefect van Corsica aan deze voorzitter om hem mee te delen welk gevolg hij aan dat besluit zou geven. De prefect van Corsica deelde bovendien mee dat de Franse Republiek van plan was een beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit in te stellen en tegelijkertijd een verzoek in kort geding in te dienen.
20
Op dezelfde dag heeft de prefect van Corsica de voorzitter van de SNCM een afschrift gezonden van de aan de voorzitter van de Territoriale Autoriteiten van Corsica verzonden brief en van het litigieuze besluit.
21
Bij brief van 17 juli 2013 heeft de vicevoorzitter van de Commissie aan de voorzitter van de Territoriale Autoriteiten van Corsica meegedeeld dat de uitkeringen van de compensaties aan de SNCM uit hoofde van de aanvullende dienst onverwijld moesten worden stopgezet op grond van het litigieuze besluit, dat de in dat besluit gestelde termijn om de in artikel 5, lid 1, ervan bedoelde informatie te verstrekken reeds verstreken was en dat het bovendien belangrijk was de uitvoeringstermijn van artikel 4, lid 2, van dat besluit na te leven. In deze brief heeft de vicevoorzitter van de Commissie eraan herinnerd dat de steun in beginsel „door de instantie die deze heeft toegekend moet worden teruggevorderd op basis van een door haar afgegeven volledig uitvoerbare titel (op voorwaarde dat zij daartoe wettelijk gemachtigd is) of, indien dit niet mogelijk is, door een andere openbare autoriteit die wel over een dergelijke bevoegdheid beschikt. In het onderhavige geval lijkt de verplichting tot terugvordering dus op de uitvoerende raad [van de Territoriale Autoriteiten van Corsica] te rusten, aangezien deze de met de interne markt onverenigbare steun heeft toegekend, zoals in punt 28 van het [litigieuze] besluit wordt vermeld”.
22
Bij brief van 29 juli 2013 heeft de voorzitter van de Territoriale Autoriteiten van Corsica de vicevoorzitter van de Commissie meegedeeld dat hij de nodige maatregelen had genomen om de betaling van de compensatie uit hoofde van de aanvullende dienst te schrappen. Hij heeft hieraan toegevoegd dat hij problemen ondervond met de autoriteiten van de Franse Staat, in het bijzonder de diensten van de prefect van Corsica en de Chambre régionale de comptes, die de geldigheid van het besluit van de Commissie betwistten en meenden dat het geen executoriale kracht had.
Precontentieuze procedure
23
Bij brief van 2 september 2013 heeft de Commissie de Franse Republiek verzocht om haar binnen tien dagen na de datum van haar brief in te lichten over de maatregelen die zij had genomen om het litigieuze besluit uit te voeren. Zij herinnerde deze lidstaat er in deze brief aan dat een besluit tot terugvordering van staatssteun volledig en onmiddellijk uitvoerbaar is zolang het niet rechtsgeldig is opgeschort. Zij verzocht bovendien om haar mee te delen welke gevolgen de tenuitvoerlegging van het litigieuze besluit zou hebben voor de financiële situatie van de SNCM, aangezien de tenuitvoerlegging van dit besluit volgens de Franse Staat onvermijdelijk tot de insolvabiliteit en de gerechtelijke liquidatie van deze vennootschap zou leiden. In dit verband uitte de Commissie haar bezorgdheid over het feit dat de uitvoerende raad van Corsica volgens de informatie waarover zij beschikte van plan was om op basis van een rapport van het Office des transports de Corse aan het parlement van Corsica voor te stellen, de overeenkomst inzake de uitbesteding van de overheidsdienst voor het passagiers- en goederenvervoer tussen Marseille en de havens van Corsica voor de periode van 2014 tot en met 2023 te gunnen aan het consortium van de SNCM en de CMN.
24
Bij brief van 20 september 2013 heeft de Commissie „[de Franse Republiek] opnieuw [uitgenodigd] om de steun met inbegrip van rente onmiddellijk terug te vorderen, alle steunbedragen die [moesten] worden betaald uit hoofde van de aanvullende dienst vanaf de datum van de kennisgeving van het [litigieuze besluit] te schrappen (en in voorkomend geval terug te vorderen) en haar een verslag te bezorgen over de stand van de terugvordering, samen met een toelichting bij de methode voor de berekening van de rente”. De Commissie deelde deze lidstaat mee dat zij haar die informatie binnen een termijn van 20 werkdagen moest doen toekomen. De Commissie wees er ten slotte op dat de verlening van deze bijkomende termijn niets veranderde aan de verplichting om het besluit onmiddellijk ten uitvoer te leggen, en dat haar diensten haar zouden moeten voorstellen, op grond van artikel 108, lid 2, VWEU een beroep in te stellen tegen de Franse Republiek, indien dit besluit niet onverwijld ten uitvoer werd gelegd.
25
Op 29 november 2013 heeft de Franse Republiek de Commissie met name meegedeeld dat de Territoriale Autoriteiten van Corsica de uitkering van compensaties voor de „aanvullende” dienst vanaf eind juli 2013 hadden opgeschort op basis van een voorlopige raming aan de hand van de in het litigieuze besluit vermelde bedragen. Zij gaf te kennen dat zij het totale bedrag van de compensatie dat zij van de begunstigde moest terugvorderen (hoofdsom en rente) moeilijk kon ramen, omdat het door de Commissie gemaakte onderscheid tussen „basisdienst” en „aanvullende dienst” haars inziens kunstmatig was. Volgens de Franse Republiek waren deze twee diensten immers onlosmakelijk met elkaar verbonden en waarborgden zij samen de territoriale continuïteit.
26
In die omstandigheden was de Commissie van mening dat de Franse Republiek niet de nodige maatregelen had getroffen om aan het litigieuze besluit te voldoen en heeft zij dus besloten het onderhavige beroep in te stellen.
Gebeurtenissen die na de inleiding van het beroep hebben plaatsgevonden
27
Verschillende gebeurtenissen hebben plaatsgevonden tussen de inleiding van dit beroep en de terechtzitting van 5 februari 2015, waarop de Commissie en de Franse Republiek hun opmerkingen hebben ingediend.
28
Tijdens die terechtzitting heeft de Franse Republiek meegedeeld dat de vennootschap Veolia-Transdev, die een lening aan de SNCM had toegekend, op 29 oktober 2014 om vervroegde terugbetaling daarvan had verzocht. Naar aanleiding daarvan had de voorzitter van het Tribunal de commerce de Marseille op 28 november 2014 vastgesteld dat de SNCM in surseance van betaling verkeerde, en haar voor een periode van zes maanden aan een gerechtelijke sanering onderworpen.
29
Zij heeft daaraan toegevoegd dat het Office des transports de Corse op 7 en 19 november 2014 twee bevelen had afgegeven om de met de interne markt onverenigbaar verklaarde steun terug te vorderen, maar slechts voor een bedrag van ongeveer 198 miljoen EUR, dat volgens de Commissie lager was dan het in het litigieuze besluit vermelde bedrag, namelijk 220,224 miljoen EUR.
30
Het vonnis waarbij de gerechtelijke sanering werd gelast, werd op 14 december 2014 gepubliceerd, waardoor de termijn van twee maanden begon te lopen waarover schuldeisers beschikten om hun schuldvorderingen in te dienen.
31
Op 9 januari 2015 hebben de Franse autoriteiten de met de interne markt onverenigbaar verklaarde steun voor een bedrag van ongeveer 198 miljoen EUR op de passiefzijde van de liquidatie van de SNCM opgenomen.
32
Ter terechtzitting heeft de Franse Republiek het Hof bovendien meegedeeld dat op 2 februari 2015, in het kader van de gerechtelijke sanering, meerdere voorstellen voor de overname van de SNCM bij het Tribunal de commerce de Marseille zijn ingediend.
Beroep
33
Ter ondersteuning van haar beroep voert de Commissie drie grieven aan. Volgens haar zijn de artikelen 3, 4 en 5 van het litigieuze besluit geschonden.
34
De Commissie betoogt ten eerste dat de Franse Republiek niet de nodige maatregelen heeft genomen om de onrechtmatige steun binnen de gestelde termijn terug te vorderen, ten tweede dat weliswaar geen steun meer is uitgekeerd vanaf juli 2013, maar dat de uitkeringen zijn stopgezet na de in het litigieuze besluit vastgestelde datum, namelijk 3 mei 2013, en ten derde en ten slotte dat de bij het litigieuze besluit gevraagde inlichtingen pas op 29 november 2013 zijn verstrekt, terwijl zij twee maanden na de kennisgeving van dat besluit, die heeft plaatsgevonden op 3 mei 2013, hadden moeten worden verschaft.
Eerste grief: verzuim om de onrechtmatige steun terug te vorderen
Argumenten van partijen
35
De Commissie betoogt dat de Franse Republiek niet de nodige maatregelen heeft genomen om de onrechtmatige steun binnen de gestelde termijn terug te vorderen.
36
Zij betwist het argument van verweerster dat deze in de volstrekte onmogelijkheid verkeert om het litigieuze besluit uit te voeren.
37
De Commissie stelt met name dat van een dergelijke onmogelijkheid geen sprake is wanneer de adressaat van het litigieuze besluit, zoals in casu, geen enkele daadwerkelijke poging heeft ondernomen om dit besluit uit te voeren.
38
Zij voegt hieraan toe dat de sociale onlusten waarop verweerster zich beroept om deze onmogelijkheid aan te tonen, moeten worden gerelativeerd.
39
In dit verband stelt de Commissie ten eerste dat, wanneer er werkelijk dringend moet worden opgetreden tegen een maatregel waarvan de rechtmatigheid ernstig wordt betwist, de door deze maatregel getroffen lidstaten of marktdeelnemers steeds over een rechtsmiddel beschikken om de opschorting van de tenuitvoerlegging ervan te vorderen. Ten tweede dient de Franse Republiek op zijn grondgebied het recht te doen naleven en de openbare orde te handhaven, zonder toe te geven aan de loutere dreiging dat de openbare orde zal worden verstoord. Ten derde en ten slotte moet het argument inzake de verbreking van de territoriale continuïteit tussen het vasteland en Corsica wegens de stopzetting van de scheepvaartverbindingen van en naar Corsica door de SNCM worden gerelativeerd, aangezien deze dienst met name door andere, concurrerende, maatschappijen en hoe dan ook tevens via de lucht kan worden verzekerd.
40
In haar verweerschrift betoogt de Franse Republiek dat zij in de volstrekte onmogelijkheid verkeert om het in het litigieuze besluit genoemde bedrag van 220,224 miljoen EUR terug te vorderen.
41
Dienaangaande stelt zij dat de terugvordering van een dergelijk bedrag onvermijdelijk zou leiden tot de gerechtelijke liquidatie van de SNCM, wat dan weer een zeer zware verstoring van de openbare orde zou meebrengen, zoals het geval was bij de staking van 2005 en, in mindere mate, in 2014. Zo zouden dergelijke stakingen opnieuw kunnen leiden tot een langdurige blokkering van de haven van Marseille, de territoriale continuïteit tussen het Franse vasteland en Corsica kunnen ondermijnen en ten slotte het economische evenwicht van een hele regio ernstig kunnen aantasten, zoals dat reeds in het verleden is gebeurd.
42
De Franse Republiek beklemtoont dat de tijdelijke of definitieve onderbreking van de activiteit van de SNCM de scheepvaartverbindingen – en dus de territoriale continuïteit – tussen het vasteland en Corsica, minstens op korte termijn, ernstig zou verstoren, met name de scheepvaartverbindingen tussen Marseille en de verschillende havens van Corsica, aangezien particuliere ondernemingen het in gebreke blijven van de SNCM niet zouden kunnen compenseren.
43
De Franse Republiek stelt dat de SNCM een aanzienlijk deel van de scheepvaartverbindingen tussen Corsica en het vasteland verzorgt, aangezien deze vennootschap 34,2 % van het passagiersvervoer en 39 % van het vrachtvervoer op deze verbindingen voor haar rekening neemt. Zij voegt hieraan toe dat de CMN slechts 40 % van deze verbindingen verzorgt wat de basisdienst betreft. Zij merkt op dat Corsica Ferries als enige met de SNCM en de CMN heeft geconcurreerd in het kader van de aanbestedingsprocedure voor de uitbesteding van de overheidsdienst voor de periode 2007‑2013 – wat uitsluit dat een andere particuliere vennootschap de door de SNCM verrichte dienst zou kunnen verzekeren – en dat Corsica Ferries hoe dan ook enkel vanuit de haven van Marseille zou kunnen opereren indien deze vennootschap een deel van haar activiteit vanuit de havens waar zij opereert, namelijk Nice en Toulon, zou verplaatsen, wat de territoriale continuïteit tussen Corsica en deze twee havens zou aantasten.
Beoordeling door het Hof
44
Volgens vaste rechtspraak is de intrekking van onrechtmatige steun door terugvordering ervan het logische gevolg van de vaststelling dat de steun onrechtmatig is. Het op grond van artikel 108, lid 2, VWEU vastgestelde besluit waarbij een lidstaat wordt verplicht om onrechtmatige steun terug te vorderen, wordt vermoed wettig te zijn, en blijft voor de adressaat ervan verbindend in al haar onderdelen, ook al is een beroep tot nietigverklaring ervan ingesteld op grond van artikel 263 VWEU (zie in die zin arrest Commissie/Frankrijk, C‑261/99, EU:C:2001:179, punten 22 en 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De lidstaat die adressaat is van dit besluit, is dus krachtens artikel 288, vierde alinea, VWEU verplicht om alle nodige maatregelen te nemen om dit besluit uit te voeren.
45
Overeenkomstig artikel 14, lid 3, van verordening nr. 659/1999 moet de steun onverwijld worden teruggevorderd of, in voorkomend geval, binnen de termijnen die zijn vastgesteld in het besluit waarbij deze terugvordering wordt gelast. Een te late terugvordering, nadat de gestelde termijnen zijn verstreken, voldoet niet aan de vereisten van het VWEU (zie in die zin arrest Commissie/Italië, C‑353/12, EU:C:2013:651, punten 31 en 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46
In casu wordt niet betwist dat de Franse Republiek bij het verstrijken van de bij het litigieuze besluit voorgeschreven termijn, namelijk 3 september 2013, niet de nodige maatregelen had genomen om de onrechtmatige steun terug te vorderen. Pas op 7 en 19 november 2014 heeft deze lidstaat twee bevelen tegen de SNCM uitgevaardigd voor een bedrag van ongeveer 198 miljoen EUR, dat lager is dan het door de Commissie genoemde bedrag van 220,224 miljoen EUR, zonder dat de onrechtmatige steun evenwel daadwerkelijk is teruggekregen. De loutere uitvaardiging van deze uitvoerbare titels betekent nog niet dat de onrechtmatige steun is teruggekregen (zie in die zin arrest Commissie/Slowakije, C‑507/08, EU:C:2010:802, punt 48).
47
Het beroep tot nietigverklaring dat de Franse Republiek en de SNCM tegen het litigieuze besluit hebben ingesteld, heeft geen invloed op het onderhavige geding. Zoals blijkt uit artikel 278 VWEU, heeft een beroep tot nietigverklaring immers, behoudens een andersluidende beslissing van het Gerecht, geen opschortende werking (zie arrest Commissie/Frankrijk, C‑232/05, EU:C:2006:651, punt 60). Aangezien het door de Franse Republiek ingestelde beroep tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het litigieuze besluit in hogere voorziening door het Hof is verworpen, doet de inleiding van een beroep tot nietigverklaring door deze lidstaat geen afbreuk aan het uitvoerbare karakter van het litigieuze besluit.
48
Volgens vaste rechtspraak is het enige verweer dat een lidstaat kan aanvoeren tegen een door de Commissie krachtens artikel 108, lid 2, VWEU ingesteld beroep wegens niet-nakoming, de volstrekte onmogelijkheid om het tot hem gerichte besluit uit te voeren, behoudens het geval waarin een terugvorderingsbesluit krachtens artikel 263 VWEU nietig is verklaard (zie in die zin arrest Commissie/Duitsland, C‑527/12, EU:C:2014:2193, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49
Aan de voorwaarde van een volstrekte onmogelijkheid tot uitvoering is niet voldaan wanneer de verwerende lidstaat zich ertoe beperkt de Commissie in kennis te stellen van de juridische, politieke of praktische moeilijkheden die de uitvoering van het besluit meebrengt, zonder tegen de betrokken ondernemingen tot werkelijke actie over te gaan om de steun terug te krijgen en zonder de Commissie alternatieven voor de uitvoering van het besluit voor te stellen waardoor de moeilijkheden hadden kunnen worden overwonnen (zie arresten Commissie/Griekenland, C‑415/03, EU:C:2005:287, punt 43; Commissie/Polen, C‑331/09, EU:C:2011:250, punt 70; Commissie/Italië, C‑305/09, EU:C:2011:274, punt 33, en Commissie/Italië, C‑243/10, EU:C:2012:182, punt 41).
50
In casu voert de Franse Republiek twee soorten argumenten aan om het Hof te doen vaststellen dat zij in de volstrekte onmogelijkheid verkeert om het litigieuze besluit uit te voeren.
51
Het eerste argument betreft de sociale onlusten die naar aanleiding van de aankondiging van de gerechtelijke liquidatie van de SNCM zouden kunnen ontstaan en die de openbare orde zouden kunnen verstoren en aldus zouden kunnen leiden tot een verbreking van de territoriale continuïteit tussen Corsica en het vasteland. Het tweede argument betreft de materiële moeilijkheden die bij het wegvallen van de SNCM zouden voortvloeien uit de noodzaak om een procedure te voeren teneinde een nieuwe overeenkomst inzake de uitbesteding van de overheidsdienst te sluiten met een andere onderneming dan de SNCM, die niet noodzakelijkerwijs onmiddellijk over de materiële en personele middelen zou beschikken om de uitbestede overheidsdienst naar behoren te kunnen uitvoeren. De noodzaak om een dergelijke procedure te volgen zou dus minstens gedurende een bepaalde tijd ook bovengenoemde territoriale continuïteit kunnen verstoren.
52
Wat de eventuele sociale onlusten betreft die de openbare orde zouden kunnen verstoren, is het – zoals de advocaat-generaal in punt 86 van zijn conclusie heeft opgemerkt – vaste rechtspraak dat de betrokken lidstaat, wanneer dergelijke onlusten dreigen, alle dienstige maatregelen dient te treffen om de doeltreffende werking van het Unierecht te waarborgen, teneinde de correcte uitvoering van dit recht in het belang van alle marktdeelnemers te verzekeren, tenzij zou vaststaan dat zijn optreden gevolgen voor de openbare orde zou hebben waaraan hij met de hem ter beschikking staande middelen niet het hoofd kan bieden (zie in die zin arrest Commissie/Frankrijk, C‑265/95, EU:C:1997:595, punten 56 en 57).
53
In casu heeft de Franse Republiek niet aangetoond dat de stappen die zij zou ondernemen om een einde te maken aan de eventuele publieke onlusten die zij aanvoert, gevolgen zouden hebben waaraan zij met de haar ter beschikking staande middelen niet het hoofd kan bieden. Zelfs indien onrechtmatige acties zouden leiden tot een langdurige blokkering van de scheepvaartverbindingen met Corsica, wettigt geen enkel van de door de Franse Republiek aangevoerde argumenten de conclusie dat het onmogelijk zou zijn om via andere scheepvaartroutes of via de lucht een verbinding tussen Corsica en het vasteland tot stand te brengen, waardoor dit eiland met basisproducten zou kunnen worden bevoorraad.
54
Voorts zij opgemerkt dat het feit dat een uitvoerbare titel is uitgevaardigd voor een bedrag van ongeveer 198 miljoen EUR en dat de Franse regering vervolgens aangifte heeft gedaan van haar schuldvordering in de collectieve procedure die tegen de SNCM is ingeleid, geen bijzondere onlusten heeft veroorzaakt.
55
Gelet op het bovenstaande kunnen de eventuele sociale onlusten of verstoringen van de openbare orde die in casu door de Franse Republiek zijn aangevoerd, niet worden geacht te leiden tot de volstrekte onmogelijkheid om het litigieuze besluit uit te voeren.
56
Wat de stelling betreft dat de territoriale continuïteit zou kunnen worden verbroken tussen het ogenblik waarop de SNCM zou verdwijnen en het ogenblik waarop een nieuwe overeenkomst inzake de uitbesteding van de overheidsdienst zou worden gesloten, blijkt uit alle door de Franse Republiek aangevoerde argumenten weliswaar dat de eventuele stopzetting van de activiteit van de SNCM op korte termijn zou kunnen leiden tot een zekere afname van het verkeer op de scheepvaartverbindingen tussen Marseille en de havens van Corsica, maar deze lidstaat heeft niet aangetoond dat de omstandigheden van dien aard zijn dat kan worden geconcludeerd dat een dergelijke afname zodanig verstrekkende gevolgen zou hebben dat kan worden gesproken van een volstrekte onmogelijkheid om het litigieuze besluit uit te voeren.
57
Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de Franse Republiek niet het bewijs heeft geleverd dat zij zich in de volstrekte onmogelijkheid bevond om de onrechtmatige steun terug te vorderen en dat zij dus de krachtens artikel 3, leden 1 tot en met 3, en artikel 4 van het litigieuze besluit op haar rustende verplichting om de ten onrechte betaalde steun terug te vorderen niet is nagekomen.
Tweede grief: verzuim om de uitkering van de onrechtmatige steun binnen de gestelde termijn te schrappen
58
Artikel 3, lid 4, de het litigieuze besluit legt de Franse Republiek de verplichting op om alle uitkeringen van de onrechtmatige steun vanaf de datum van kennisgeving van dit besluit, namelijk 3 mei 2013, te schrappen.
59
Uit de overwegingen in de memorie van repliek van de Commissie, die niet worden betwist door de Franse Republiek, blijkt evenwel dat zij pas op 23 juli 2013 deze verplichting is nagekomen en dat zij dus in de periode van 3 mei 2013 tot 23 juli 2013 niet heeft voldaan aan haar verplichtingen.
60
Bijgevolg moet worden vastgesteld dat deze verplichting niet is nagekomen.
Derde grief: verzuim om de Commissie binnen de gestelde termijn in te lichten
61
Artikel 5 van het litigieuze besluit legt de Franse Republiek de verplichting op om binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van dit besluit een aantal inlichtingen te verstrekken.
62
Aangezien de Franse Republiek niet binnen de gestelde termijnen de maatregelen heeft genomen die nodig zijn om de uitkering van de steun voor de toekomst te schrappen en de reeds uitgekeerde steun terug te vorderen, is zij evenmin de krachtens artikel 5 van het litigieuze besluit op haar rustende verplichting nagekomen om de Commissie binnen twee maanden na de kennisgeving van dit besluit op de hoogte te stellen van de genomen maatregelen.
63
Bijgevolg moet worden vastgesteld dat deze verplichting niet is nagekomen.
64
Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat de Franse Republiek niet de verplichtingen is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 288, vierde alinea, VWEU en de artikelen 3 tot en met 5 van het litigieuze besluit, doordat zij niet binnen de gestelde termijnen alle maatregelen heeft genomen die nodig zijn om de staatssteun die bij artikel 2, lid 1, van dat besluit onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard, van de SNCM terug te vorderen, doordat zij niet binnen de gestelde termijnen alle uitkeringen van de in dit artikel 2, lid 1, bedoelde steun heeft geschrapt, en doordat zij de Commissie niet binnen de gestelde termijn op de hoogte heeft gesteld van de maatregelen die zijn genomen om aan dit besluit te voldoen.
Kosten
65
Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien de Franse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart:
1)
De Franse Republiek is niet de verplichtingen nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 288, vierde alinea, VWEU en de artikelen 3 tot en met 5 van besluit 2013/435/EU van de Commissie van 2 mei 2013 betreffende steunmaatregel SA.22843 (2012/C) (ex 2012/NN) die door Frankrijk is toegekend aan de Société Nationale Corse Méditerranée en de Compagnie Méridionale de Navigation, doordat zij niet binnen de gestelde termijnen alle maatregelen heeft genomen die nodig zijn om de staatssteun die bij artikel 2, lid 1, van dat besluit onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard, van Société nationale maritime Corse-Méditerranée (SNCM) SA terug te vorderen, doordat zij niet binnen de gestelde termijnen alle uitkeringen van de in dit artikel 2, lid 1, bedoelde steun heeft geschrapt, en doordat zij de Europese Commissie niet binnen de gestelde termijn op de hoogte heeft gesteld van de maatregelen die zijn genomen om aan dit besluit te voldoen.
2)
De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy