ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
26 februari 2015 ( *1 )
„Niet-nakoming — Sociale politiek — Richtlijn 1999/70/EG — Raamovereenkomst EVV, Unice en CEEP inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd — Losse medewerkers in de amusementsindustrie — Opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd — Clausule 5, lid 1 — Maatregelen ter voorkoming van misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd — Begrip ‚objectieve redenen’ die dergelijke overeenkomsten rechtvaardigen”
In zaak C‑238/14,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 258 VWEU, ingesteld op 13 mei 2014,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Enegren en D. Martin als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Groothertogdom Luxemburg, vertegenwoordigd door D. Holderer als gemachtigde,
verweerder,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, A. Ó Caoimh (rapporteur), C. Toader, E. Jarašiūnas en C. G. Fernlund, rechters,
advocaat-generaal: P. Mengozzi,
griffier: V. Tourrès, administrateur,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
De Europese Commissie verzoekt het Hof vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door handhaving van uitzonderingen op de maatregelen ter voorkoming van misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die worden aangegaan met losse medewerkers in de amusementsindustrie, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op deze lidstaat rusten krachtens clausule 5 van de op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (hierna: „raamovereenkomst”), die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (PB L 175, blz. 43).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
2
Blijkens artikel 1 van richtlijn 1999/70 is de richtlijn gericht op „de uitvoering van de [...] door de algemene brancheoverkoepelende organisaties (EVV, Unice, CEEP) gesloten raamovereenkomst [...], die in de bijlage is opgenomen”.
3
De punten 6 tot en met 8 en 10 van de algemene overwegingen van de raamovereenkomst luiden als volgt:
„6.
Overwegende dat arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd de normale arbeidsverhouding zijn en bijdragen tot de levenskwaliteit van de betrokken werknemers en de rendementsverhoging;
7.
Overwegende dat het gebruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd op basis van objectieve gronden een manier is om misbruik te voorkomen;
8.
Overwegende dat arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd typisch zijn voor sommige sectoren, beroepen en activiteiten en zowel de werkgevers als de werknemers goed kunnen uitkomen;
[...]
10.
Overwegende dat deze overeenkomst voor de vaststelling van de wijze van toepassing van de hierin opgenomen algemene beginselen, minimumnormen en bepalingen verwijst naar de lidstaten en de sociale partners, teneinde rekening te houden met de situatie in iedere lidstaat en de omstandigheden van bijzondere sectoren en beroepen, met inbegrip van seizoenactiviteiten”.
4
Volgens clausule 1 van de raamovereenkomst heeft deze onder meer tot doel een kader vast te stellen om misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd te voorkomen.
5
Clausule 5 van de raamovereenkomst („Maatregelen ter voorkoming van misbruik”) luidt:
„1.
Teneinde misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd te voorkomen, voeren de lidstaten, na raadpleging van de sociale partners overeenkomstig de nationale wetgeving, collectieve overeenkomsten of gebruiken, en/of de sociale partners, wanneer er geen gelijkwaardige wettelijke maatregelen ter voorkoming van misbruik bestaan, op een wijze die rekening houdt met de behoeften van bepaalde sectoren en/of categorieën werknemers, een of meer van de volgende maatregelen in:
a)
vaststelling van objectieve redenen die een vernieuwing van dergelijke overeenkomsten of verhoudingen rechtvaardigen;
b)
vaststelling van de maximale totale duur van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd;
c)
vaststelling van het aantal malen dat dergelijke overeenkomsten of verhoudingen mogen worden vernieuwd.
2.
De lidstaten, na raadpleging van de sociale partners, en/of, waar nodig, de sociale partners bepalen onder welke voorwaarden arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd:
a)
als ,opeenvolgend’ worden beschouwd;
b)
geacht worden voor onbepaalde tijd te gelden.”
Luxemburgs recht
Arbeidswetboek
6
Artikel L. 121‑2 van het arbeidswetboek, dat is opgenomen in afdeling 1 van hoofdstuk I van titel II („Algemene bepalingen”), luidt:
„De arbeidsovereenkomst wordt voor onbepaalde tijd aangegaan.
Evenwel kan in de gevallen en onder de voorwaarden als bedoeld in hoofdstuk 3 van deze titel sprake zijn van een einde dat bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst nauwkeurig wordt vastgelegd of voortvloeit uit de verwezenlijking van het doel waarvoor de arbeidsovereenkomst is aangegaan.”
7
Artikel L. 122‑1 van dat wetboek, dat is opgenomen in afdeling 1 van hoofdstuk II van titel II („Gebruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd”), bepaalt:
„(1) De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kan worden aangegaan voor de uitvoering van een specifieke, tijdelijke taak; de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd mag niet worden gebruikt om voor langere tijd een arbeidsplaats te vervullen die verband houdt met de normale, vaste bedrijfsactiviteit van de onderneming.
(2) Specifieke, tijdelijke taken in de zin van lid 1 zijn met name:
1.
de vervanging van een tijdelijk afwezige werknemer of een werknemer van wie de arbeidsovereenkomst is opgeschort wegens een andere reden dan een collectief arbeidsgeschil of gebrek aan werk door economische omstandigheden of slecht weer, en de vervanging van een werknemer met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wiens functie vacant is geworden, in afwachting van de indiensttreding van de werknemer die de werknemer zal vervangen van wie de arbeidsovereenkomst is beëindigd;
2.
seizoensarbeid als omschreven bij groothertogelijk besluit;
3.
arbeidsplaatsen waarbij het in bepaalde sectoren gebruikelijk is om geen gebruik te maken van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd vanwege de aard van de verrichte activiteit of de tijdelijkheid van die arbeidsplaatsen; de lijst van sectoren en arbeidsplaatsen wordt vastgesteld bij groothertogelijk besluit;
4.
de uitvoering van een concrete incidentele taak die niet tot de bedrijfsactiviteit van de onderneming behoort;
5.
de uitvoering van een specifieke, tijdelijke taak in geval van een tijdelijke en uitzonderlijke toename van de activiteiten van de onderneming of bij de start of uitbreiding van de onderneming;
6.
de uitvoering van dringende werkzaamheden om ongevallen te voorkomen, defecte apparatuur te herstellen en instandhoudingsmaatregelen te treffen voor installaties of gebouwen van de onderneming teneinde te voorkomen dat de onderneming of haar personeel schade ondervindt;
7.
de indienstneming van een bij het ,bureau voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid’ ingeschreven werkloze in het kader van een op integratie of re‑integratie op de arbeidsmarkt gerichte maatregel of als behorend tot een categorie van werklozen die in aanmerking komen voor arbeidsplaatsen voor bepaalde tijd, welke categorie bij groothertogelijk besluit wordt bepaald na advies van de Raad van State en met instemming van de Conferentie van voorzitters van de Kamer van Afgevaardigden. Bij de criteria voor het bepalen van de categorieën in aanmerking komende werklozen wordt in het bijzonder rekening gehouden met de leeftijd, opleiding, werkloosheidsduur en sociale omgeving van de ingeschreven werkloze;
8.
arbeidsplaatsen waarmee wordt beoogd het in dienst nemen van bepaalde categorieën werkzoekenden te stimuleren;
9.
arbeidsplaatsen waarbij de werknemer een aanvullende beroepsopleiding krijgt van de werkgever.
[...]
(3) In afwijking van het bepaalde in de leden 1 en 2 mogen arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd ook worden gebruikt wanneer:
[...]
2.
losse medewerkers in de amusementsindustrie als bedoeld in artikel [4] van de wet van 30 juli 1999 betreffende a) de status van zelfstandige professionele kunstenaars en losse medewerkers in de amusementsindustrie b) de stimulering van artistieke activiteiten, zoals gewijzigd bij de wet van 26 mei 2004 (hierna: „gewijzigde wet van 30 juli 1999”), arbeidsovereenkomsten aangaan met een onderneming uit de amusementsindustrie of in het kader van een film-, audiovisuele, theater- of muziekproductie.
[...]”
8
Artikel L. 122‑3 van het arbeidswetboek, dat is opgenomen in afdeling 3 van hoofdstuk II van titel II („Duur van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd”), bepaalt:
„(1) In de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd moet bij het aangaan ervan nauwkeurig worden vastgelegd wanneer de overeenkomst eindigt.
Het einde van de arbeidsovereenkomst hoeft niet nauwkeurig te worden vastgelegd wanneer de overeenkomst wordt aangegaan:
1.
ter vervanging van een afwezige werknemer of een werknemer van wie de arbeidsovereenkomst is opgeschort wegens een andere reden dan een collectief arbeidsgeschil, dan wel ter vervanging van een werknemer wiens functie vóór de indiensttreding van zijn opvolger vacant is geworden;
2.
voor het verrichten van seizoensarbeid;
3.
ter vervulling van arbeidsplaatsen waarbij het gebruikelijk is om geen gebruik te maken van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd vanwege de aard van de verrichte activiteit of de tijdelijkheid van die arbeidsplaatsen.
Wordt in die gevallen niet nauwkeurig vastgelegd wanneer de overeenkomst eindigt, dan moet zij voor een minimumlooptijd worden gesloten en eindigt zij bij de terugkeer van de afwezige werknemer of bij de verwezenlijking van het doel waarvoor zij is aangegaan.
[...]”
9
Artikel L. 122‑4 van dat wetboek, dat ook is opgenomen in afdeling 3, bepaalt:
„(1) De duur van een op grond van artikel L. 122‑1 gesloten arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd mag voor één en dezelfde werknemer niet meer bedragen dan 24 maanden, inclusief verlengingen. Dit geldt niet voor arbeidsovereenkomsten voor het verrichten van seizoensarbeid.
[...]”
10
Artikel L. 122‑5 van het arbeidswetboek, dat is opgenomen in afdeling 4 van hoofdstuk II van titel II („Verlenging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd”), bepaalt:
„(1) De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd mag tweemaal voor bepaalde tijd worden verlengd.
Het beginsel van verlenging en/of de voorwaarden voor verlenging moeten worden vermeld in een bepaling van de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst of een daaraan op later tijdstip toegevoegd aanhangsel.
Bij gebreke van een vermelding overeenkomstig het bepaalde in dit artikel wordt de verlengde arbeidsovereenkomst geacht te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd; het tegenbewijs is niet toelaatbaar.
[...]
(3) In afwijking van het bepaalde in dit artikel kunnen de volgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd meer dan tweemaal en zelfs voor een totale duur van meer dan 24 maanden worden verlengd zonder dat deze worden geacht te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd:
[...]
2.
arbeidsovereenkomsten die worden aangegaan door losse medewerkers in de amusementsindustrie als bedoeld in artikel 4 van de [gewijzigde wet van 30 juli 1999];
[...]”
11
Artikel L. 122‑6 van het arbeidswetboek, dat is opgenomen in afdeling 5 van hoofdstuk II van titel II („Opeenvolgende arbeidsovereenkomsten”), luidt:
„Wordt het dienstverband voortgezet na afloop van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, dan wordt deze overeenkomst een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.”
Gewijzigde wet van 30 juli 1999
12
Artikel 3 van de gewijzigde wet van 30 juli 1999 („Erkenning als zelfstandig professioneel kunstenaar”) luidt als volgt:
„De erkenning als zelfstandig professioneel kunstenaar kan worden verkregen na een schriftelijk verzoek aan de minister die verantwoordelijk is voor cultuur (hierna: ‚minister’). Bij het verzoek moet een dossier worden gevoegd waarvan de inhoud bij groothertogelijk besluit wordt vastgesteld.
De minister gaat nadat het advies van de bij deze wet ingestelde adviescommissie is ingewonnen, over tot erkenning van personen die sedert ten minste drie jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek voldoen aan de in deze wet gestelde criteria.
De minimumperiode van drie jaar onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek wordt teruggebracht naar twaalf maanden voor personen die in het bezit zijn van een officieel diploma dat is behaald na voltooiing van een gespecialiseerde opleiding in één van de in deze wet genoemde vakrichtingen.
De erkenning blijft 24 maanden geldig en kan telkens worden verlengd na een schriftelijk verzoek aan de minister. Na advies van de adviescommissie verlengt de minister de erkenning van personen die aan de in deze wet gestelde criteria voldoen sedert hun erkenning als zelfstandig professioneel kunstenaar, respectievelijk sedert de verlenging van die erkenning. De minister kan vóór het nemen van zijn besluit na advies van de adviescommissie besluiten dat de verzoeker een nieuw of gedeeltelijk nieuw dossier als bedoeld in de eerste alinea van dit artikel moet indienen.
De besluiten van de minister kunnen voorwerp zijn van een verzoek tot nietigverklaring.”
13
Artikel 4 van de gewijzigde wet van 30 juli 1999 („Definitie van losse medewerkers in de amusementsindustrie”) luidt als volgt:
„Losse medewerkers in de amusementsindustrie zijn artiesten of podium- en studiotechnici die hoofdzakelijk werken voor een onderneming uit de amusementsindustrie of in het kader van met name een film-, audiovisuele, theater- of muziekproductie en die hun diensten tegen loon, vergoeding of gage op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd of op basis van een overeenkomst van opdracht of een aannemingsovereenkomst aanbieden.”
Precontentieuze procedure
14
Op 12 maart 2009 heeft de Commissie een brief naar het Groothertogdom Luxemburg gezonden waarin het de lidstaat verzocht om wat het arbeidswetboek betreft bepaalde aspecten van het Luxemburgse recht in het licht van de raamovereenkomst nader toe te lichten met betrekking tot het feit dat er ten eerste geen definitie wordt gegeven van het begrip „vergelijkbare werknemer in vaste dienst”, dat er ten tweede uitzonderingen bestaan op de maatregelen ter voorkoming van misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en dat er ten derde voor werkgevers geen verplichting geldt om aan werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd informatie over arbeidskansen te verstrekken.
15
Aangezien deze brief onbeantwoord bleef, heeft de Commissie op 1 oktober 2010 een aanmaningsbrief gestuurd naar het Groothertogdom Luxemburg, waarop deze lidstaat op 20 december 2010 heeft geantwoord.
16
Daar de Commissie slechts gedeeltelijk genoegen kon nemen met het antwoord van het Groothertogdom Luxemburg, heeft zij op 1 oktober 2012 een aanvullende aanmaningsbrief doen toekomen aan deze lidstaat. Daarin wees de Commissie erop dat zij haar eerste grief liet varen. Met betrekking tot de tweede grief meende deze instelling echter dat in het antwoord van de Luxemburgse autoriteiten niet was aangegeven welke beperkingen aan de verlenging van arbeidsovereenkomsten voor twee categorieën werknemers, namelijk docent-onderzoekers van de Universiteit Luxemburg en losse medewerkers in de amusementsindustrie, waren gesteld zodat misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd zou worden voorkomen. De Commissie herhaalde ook de derde grief, namelijk de omstandigheid dat werkgevers niet verplicht zijn om aan werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd informatie over arbeidskansen te verstrekken.
17
Aangezien de aanvullende aanmaningsbrief onbeantwoord bleef, heeft de Commissie op 26 april 2013 een met redenen omkleed advies toegezonden aan het Groothertogdom Luxemburg en in dat advies haar tweede en derde grief staande gehouden. Het Groothertogdom Luxemburg heeft hier op 10 juli 2013 op geantwoord.
18
De Commissie kon geen genoegen nemen met het door deze lidstaat gegeven antwoord en heeft het onderhavige beroep ingesteld.
Beroep
Argumenten van partijen
19
Om te beginnen wijst de Commissie het Hof erop dat het beroep in vergelijking met de inhoud van het met redenen omkleed advies een beperktere omvang heeft aangezien zij haar grieven over docent-onderzoekers van de Universiteit Luxemburg en het niet bestaan van een verplichting voor werkgevers tot het verstrekken van informatie over arbeidskansen in hun onderneming aan werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd heeft laten varen omdat de Luxemburgse autoriteiten hebben aangetoond dat docent-onderzoekers bescherming genieten tegen misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, en de Commissie op de hoogte is gesteld van de wettelijke bepalingen waarmee een einde wordt gemaakt aan de verweten niet-nakoming van de verplichting tot informatieverstrekking.
20
Het onderhavige beroep ziet dus uitsluitend op de niet-nakoming door het Groothertogdom Luxemburg van de op deze lidstaat krachtens clausule 5 van de raamovereenkomst rustende verplichtingen, voor zover sprake is van het handhaven van uitzonderingen op de maatregelen ter voorkoming van misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die worden aangegaan met losse medewerkers in de amusementsindustrie.
21
De Commissie betoogt dat clausule 5 van de raamovereenkomst, op grond waarvan de lidstaten maatregelen moeten nemen ter voorkoming van misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, in het Luxemburgse recht is omgezet in artikel L. 122‑4 van het arbeidswetboek, waarvan lid 1 bepaalt dat „[d]e duur van een op grond van artikel L. 122‑1 gesloten arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd [...] voor één en dezelfde werknemer niet meer [mag] bedragen dan 24 maanden, inclusief verlengingen” en dat „[d]it [...] niet [geldt] voor arbeidsovereenkomsten voor het verrichten van seizoensarbeid”. Artikel L. 122‑5 bepaalt in lid 3 echter dat „[i]n afwijking van het bepaalde in dit artikel [...] de volgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd meer dan tweemaal en zelfs voor een totale duur van meer dan 24 maanden [kunnen] worden verlengd zonder dat deze worden geacht te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd: [...] 2. de arbeidsovereenkomsten die worden aangegaan door losse medewerkers in de amusementsindustrie als bedoeld in artikel 4 van de [gewijzigde wet van 30 juli 1999]”.
22
De Commissie merkt op dat voor losse medewerkers in de amusementsindustrie in het Luxemburgse recht dus geen sprake is van een objectieve reden waarmee misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd kan worden voorkomen. In het antwoord op de aanmaningsbrief heeft het Groothertogdom Luxemburg slechts gesteld dat voor de met losse medewerkers in de amusementsindustrie aangegane arbeidsovereenkomsten overeenkomstig artikel L. 122‑5 van het arbeidswetboek „in elk geval de in artikel L. 122‑1, leden 1 en 2, gestelde beperkingen [blijven] gelden”. Volgens de Commissie worden losse medewerkers in de amusementsindustrie in die bepalingen echter uitgesloten van bescherming. Voor de arbeidsovereenkomsten van dergelijke werknemers geldt blijkens de genoemde bepalingen immers niet de eis dat er een objectieve reden is voor de verlenging van hun arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, en er is evenmin sprake van een beperking van het aantal verlengingen of van de totale duur van hun arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.
23
In reactie op het met redenen omkleed advies heeft het Groothertogdom Luxemburg volgens de Commissie overigens de strekking van zijn betoog gewijzigd en gesteld dat „voor losse medewerkers in de amusementsindustrie moet worden geconstateerd dat het gaat om een sector waar het gebruikelijk is om geen gebruik te maken van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd vanwege de aard van de verrichte activiteit en de tijdelijkheid van de arbeidsplaatsen”. De Commissie bestrijdt dit betoog onder verwijzing naar de bewoordingen van het Luxemburgse recht.
24
In de eerste plaats wijst de Commissie erop dat uit hoofdstuk II van titel II van het arbeidswetboek, dat betrekking heeft op arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, volgt dat bij de werkzaamheden van losse medewerkers in de amusementsindustrie niet noodzakelijkerwijs sprake hoeft te zijn van de uitvoering van een specifieke, tijdelijke taak. Artikel L. 122‑1, lid 1, van dat wetboek bevat immers de regel dat bij wijze van uitzondering arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd mogen worden aangegaan voor de uitvoering van een specifieke, tijdelijke taak, terwijl in lid 2 meerdere voorbeelden van de toepassing van die regel worden gegeven. Volgens lid 3 mogen arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd echter ook door losse medewerkers in de amusementsindustrie worden aangegaan „[i]n afwijking van het bepaalde in de leden 1 en 2”. Naar mening van de Commissie leidt dit tot de logische conclusie dat, in het geval van losse medewerkers in de amusementsindustrie, op grond van artikel L. 122‑1, lid 3, van het arbeidswetboek arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd kunnen worden aangegaan voor de uitvoering van meer algemene en/of permanente of vaste taken.
25
In de tweede plaats voert de Commissie aan dat artikel 4 van de gewijzigde wet van 30 juli 1999 als enige criterium voor de definitie van „losse medewerkers in de amusementsindustrie” een verwijzing naar het soort dienstverband bevat, zonder dat rekening wordt gehouden met de aard van de activiteiten die daadwerkelijk worden verricht. Met deze definitie kunnen losse medewerkers in de amusementsindustrie dus worden ingezet in situaties waarbij van tijdelijkheid geen sprake is.
26
Dienaangaande meent de Commissie dat ofschoon voor een groot deel van de losse medewerkers in de amusementsindustrie het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd kan worden gerechtvaardigd door een objectieve reden, namelijk het feit dat de arbeidsovereenkomsten worden aangegaan voor een bepaald project, veel werknemers in de amusementsindustrie, zoals vaste orkestleden en kernleden van theatergezelschappen of televisiezenders, een vast dienstverband met hun werkgever hebben. Ook die werknemers zouden volgens de definitie die in het Luxemburgse recht wordt gegeven, „losse medewerkers in de amusementsindustrie” zijn voor zover de arbeidsverhouding met hun werkgever voldoet aan de criteria van de gewijzigde wet van 30 juli 1999.
27
De Commissie is dan ook van mening dat in de in het Luxemburgse recht gegeven definitie van losse medewerkers in de amusementsindustrie geen sprake is, in de zin van clausule 5, lid 1, onder a), van de raamovereenkomst, van objectieve redenen die een vernieuwing van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd rechtvaardigen, en dat er voorts geen aanleiding is om onderscheid te maken tussen losse medewerkers in de amusementsindustrie met een vast dienstverband en werknemers in andere sectoren waar de werkbelasting ook sterk varieert.
28
Het Groothertogdom Luxemburg is het er niet mee eens dat het zijn verplichtingen niet is nagekomen.
29
Om te beginnen bestrijdt deze lidstaat met betrekking tot de werkingssfeer van artikel L. 122‑5, lid 3, van het arbeidswetboek het argument van de Commissie dat werknemers in de amusementsindustrie met een vast dienstverband „losse medewerkers in de amusementsindustrie” in de zin van het Luxemburgse recht zijn wanneer zij voldoen aan de criteria van de gewijzigde wet van 30 juli 1999. Het Groothertogdom Luxemburg stelt dat om te kunnen spreken van een losse medewerker in de amusementsindustrie de werknemer noodzakelijkerwijs met onderbrekingen moet werken in de amusementsindustrie. Het begrip „losse medewerkers in de amusementsindustrie” impliceert reeds dat perioden van arbeid worden afgewisseld met perioden waarin niet gewerkt wordt. Volgens deze lidstaat zijn losse medewerkers in de amusementsindustrie in de praktijk betrokken bij afzonderlijke, in de tijd begrensde projecten, zoals het maken van een film of een theatervoorstelling.
30
Dit vindt volgens het Groothertogdom Luxemburg bevestiging in het feit dat de uitkering die losse medewerkers in de amusementsindustrie bij onvrijwillige inactiviteit krijgen op grond van artikel 7 van de gewijzigde wet van 30 juli 1999, op dagbasis wordt berekend op basis van het aantal dagen inactiviteit tussen twee projecten, alsmede in het feit dat het in artikel 8 van die wet genoemde werkschrift van een losse medewerker in de amusementsindustrie dient om de door de werknemer verrichte activiteiten op dagbasis in te vermelden. Tegen deze achtergrond heeft een dusdanige uitlegging van artikel 4 van die wet dat een vaste medewerker in de amusementsindustrie ook een „losse medewerker in de amusementsindustrie” is, geen zin.
31
Bovendien wordt in artikel 2 van het groothertogelijk besluit van 11 juli 1989 tot uitvoering van de artikelen L. 122‑1, L. 122‑4, L. 121‑5 en L. 125‑8 van het arbeidswetboek expliciet een opsomming gemaakt van de sectoren, waaronder ook de amusementsindustrie, waar arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd mogen worden gebruikt voor arbeidsplaatsen waarbij het gebruikelijk is om geen gebruik te maken van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd vanwege de aard van de verrichte activiteit of de tijdelijkheid van die arbeidsplaatsen.
32
Verder merkt het Groothertogdom Luxemburg op dat artikel L. 122‑5, lid 3, van het arbeidswetboek is ingegeven door sociale overwegingen. Uit de voorstukken van de wet van 26 mei 2004 tot wijziging van de wet van 30 juli 1999 betreffende a) de status van zelfstandige professionele kunstenaars en losse medewerkers in de amusementsindustrie, en b) de stimulering van artistieke activiteiten volgt immers dat die bepaling van het arbeidswetboek, aangezien het moeilijk kan zijn voor losse medewerkers in de amusementsindustrie om arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd aan te gaan en de freelancestatus waar veel artiesten en technici voor kiezen vaak leidt tot precaire en juridisch onduidelijke situaties, in het leven is geroepen om deze specifieke sector de gelegenheid te bieden om herhaaldelijk gebruik te maken van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, zodat de werknemer garanties en voordelen heeft, in het bijzonder wat sociale verzekeringen betreft, die een freelancer niet heeft.
33
Ten slotte erkent het Groothertogdom Luxemburg dat er in het Luxemburgse recht geen sprake is van een maximale totale duur in de zin van clausule 5, lid 1, onder b), van de raamovereenkomst voor met losse medewerkers in de amusementsindustrie als bedoeld in artikel 4 van de gewijzigde wet van 30 juli 1999 aangegane arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en ook niet van een beperking van het aantal verlengingen van dergelijke overeenkomsten in de zin van clausule 5, lid 1, onder c), van de raamovereenkomst. Deze lidstaat meent evenwel, hierbij verwijzend naar het arrest Márquez Somohano (C‑190/13, EU:C:2014:146, punt 45), dat de situatie van losse medewerkers in de amusementsindustrie wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van „objectieve redenen” in de zin van clausule 5, lid 1, onder a), van de raamovereenkomst en de rechtspraak van het Hof. Deze werknemers zijn met name betrokken bij afzonderlijke, in de tijd begrensde projecten en uit de mogelijkheid die een werkgever heeft om de met hen voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten te verlengen, vloeien een zekere flexibiliteit en sociale voordelen voort. Daarenboven erkent de Commissie dat het werken op basis van afzonderlijke projecten een objectieve reden is die kan rechtvaardigen dat gebruik wordt gemaakt van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Het Groothertogdom Luxemburg wijst erop dat het Hof in het arrest Kücük (C‑586/10, EU:C:2012:39, punt 56) heeft geoordeeld dat indien een objectieve reden voortvloeit uit de bijzondere aard van de uit te voeren taken, de omstandigheid dat een werkgever herhaaldelijk gebruik moet maken van werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet betekent dat er geen sprake is van een objectieve reden in de zin van clausule 5 van de raamovereenkomst en evenmin dat er sprake is van misbruik in de zin van deze clausule.
Beoordeling door het Hof
34
De Commissie verwijt het Groothertogdom Luxemburg dat het niet heeft voldaan aan de verplichtingen die krachtens clausule 5 van de raamovereenkomst op deze lidstaat rusten, daar in het Luxemburgse recht geen maatregelen ter voorkoming van misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd bestaan voor losse medewerkers in de amusementsindustrie.
35
Met clausule 5, lid 1, van de raamovereenkomst wordt beoogd uitvoering te geven aan een van de doelstellingen van de raamovereenkomst, namelijk het vaststellen van een kader voor het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd, welk gebruik wordt beschouwd als een mogelijke bron van misbruik ten nadele van werknemers, door te voorzien in een aantal minimale beschermende bepalingen om te voorkomen dat werknemers in een precaire situatie komen te verkeren (zie arrest Mascolo e.a., C‑22/13, C‑61/13–C‑63/13 en C‑418/13, EU:C:2014:2401, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36
Zoals immers naar voren komt uit de tweede alinea van de preambule van de raamovereenkomst en uit de punten 6 en 8 van de algemene overwegingen ervan, wordt het genot van vaste dienstbetrekkingen opgevat als een essentieel onderdeel van de werknemersbescherming, terwijl arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd slechts in sommige omstandigheden in de behoeften van zowel de werkgever als de werknemer kunnen voorzien (arrest Mascolo e.a., EU:C:2014:2401, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37
Clausule 5, lid 1, van de raamovereenkomst legt de lidstaten dus de verplichting op, teneinde misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd te voorkomen, ten minste één van de daarin genoemde maatregelen op effectieve en bindende wijze vast te stellen wanneer er in hun nationale recht geen gelijkwaardige wettelijke maatregelen bestaan. De drie in lid 1, onder a) tot en met c), van die clausule genoemde maatregelen betreffen respectievelijk de objectieve redenen die een vernieuwing van dergelijke arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen rechtvaardigen, de maximale totale duur van deze opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen, en het aantal malen dat dergelijke overeenkomsten of verhoudingen mogen worden vernieuwd (arrest Mascolo e.a., EU:C:2014:2401, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38
De lidstaten beschikken in dat verband over een beoordelingsmarge, aangezien zij naar keuze een of meer van de in clausule 5, lid 1, onder a) tot en met c), van de raamovereenkomst genoemde maatregelen kunnen invoeren, of gebruik kunnen maken van bestaande gelijkwaardige wettelijke maatregelen, op een wijze die rekening houdt met de behoeften van bepaalde sectoren en/of categorieën werknemers (arrest Mascolo e.a., EU:C:2014:2401, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39
Aldus stelt clausule 5, lid 1, van de raamovereenkomst de lidstaten een algemeen doel, bestaande in het voorkomen van misbruik, maar laat zij hun de vrijheid om de middelen voor het bereiken daarvan te kiezen, mits daarmee geen afbreuk wordt gedaan aan het doel of het nuttig effect van de raamovereenkomst (arrest Mascolo e.a., EU:C:2014:2401, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40
Voorts hebben de lidstaten, zoals blijkt uit clausule 5, lid 1, van de raamovereenkomst en in overeenstemming met de derde alinea van de preambule en de punten 8 en 10 van de algemene overwegingen, bij de tenuitvoerlegging van de raamovereenkomst de mogelijkheid, voor zover dit objectief wordt gerechtvaardigd, rekening te houden met de specifieke behoeften van de desbetreffende bepaalde sectoren en/of categorieën werknemers (zie in die zin arrest Mascolo e.a., EU:C:2014:2401, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41
In de onderhavige zaak staat vast dat met de aan de orde zijnde nationale regeling losse medewerkers in de amusementsindustrie op basis van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd kunnen worden ingezet zonder dat er een maatregel is genomen die in overeenstemming met clausule 5, lid 1, onder b) en c), van de raamovereenkomst voorziet in een beperking van de maximale totale duur van de arbeidsovereenkomsten of het aantal verlengingen ervan. In het bijzonder kunnen blijkens de bewoordingen van artikel L. 122‑5, lid 3, van het arbeidswetboek door losse medewerkers in de amusementsindustrie als bedoeld in artikel 4 van de gewijzigde wet van 30 juli 1999 aangegane arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd meer dan tweemaal en zelfs voor een totale duur van meer dan 24 maanden worden verlengd zonder dat deze worden geacht te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd. Tevens staat vast dat er voor losse medewerkers in de amusementsindustrie in de regeling geen wettelijke maatregelen voorhanden zijn die gelijkwaardig zijn aan die welke in clausule 5, lid 1, van de raamovereenkomst worden genoemd.
42
In dat geval moet de verlenging van met dergelijke werknemers aangegane opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd worden gerechtvaardigd door een „objectieve reden” als bedoeld in clausule 5, lid 1, onder a), van de raamovereenkomst.
43
Zoals blijkt uit punt 7 van de algemene overwegingen van de raamovereenkomst en uit punt 37 van het onderhavige arrest, hebben de ondertekenende partijen immers geoordeeld dat het gebruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd op basis van objectieve redenen een manier is om misbruik te voorkomen (arrest Mascolo e.a., EU:C:2014:2401, punt 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44
Met betrekking tot dat begrip „objectieve redenen” heeft het Hof reeds geoordeeld dat het aldus moet worden opgevat dat het ziet op precieze en concrete omstandigheden welke een bepaalde activiteit kenmerken en dus rechtvaardigen dat in die bijzondere context gebruik wordt gemaakt van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Die omstandigheden kunnen met name voortvloeien uit de bijzondere aard van de taken waarvoor dergelijke overeenkomsten zijn gesloten en uit de daaraan inherente kenmerken, of eventueel uit het nastreven van een legitieme doelstelling van sociaal beleid van een lidstaat (arrest Mascolo e.a., EU:C:2014:2401, punt 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45
Daarentegen zou een nationaal voorschrift dat zich ertoe zou beperken via een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling in het algemeen en op abstracte wijze de mogelijkheid te creëren gebruik te maken van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, niet voldoen aan de in het vorige punt van het onderhavige arrest gepreciseerde vereisten. Uit een dergelijke louter formele bepaling kunnen namelijk geen objectieve en transparante criteria worden afgeleid om na te gaan of de vernieuwing van dergelijke overeenkomsten beantwoordt aan een werkelijke behoefte, geschikt is om de nagestreefde doelstelling te bereiken, en daartoe noodzakelijk is. Een dergelijke bepaling brengt dus een reëel risico van misbruik van dit type overeenkomsten met zich, zodat zij in strijd is met het doel en het nuttig effect van de raamovereenkomst (arrest Mascolo e.a., EU:C:2014:2401, punt 88 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46
In de onderhavige zaak moet wat het argument van het Groothertogdom Luxemburg betreft dat losse medewerkers in de amusementsindustrie als bedoeld in het Luxemburgse recht feitelijk betrokken zijn bij afzonderlijke, in de tijd begrensde projecten, worden vastgesteld dat, zelfs als wordt aangenomen dat de werkgever bij dergelijke projecten een tijdelijke behoefte aan arbeidskrachten heeft en dat die behoefte een „objectieve reden” kan zijn die een vernieuwing van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd rechtvaardigt in de zin van clausule 5, lid 1, onder a), van de raamovereenkomst, deze lidstaat niet uitlegt in hoeverre de nationale regeling van losse medewerkers in de amusementsindustrie als bedoeld in het Luxemburgse recht verlangt dat zij hun activiteiten in het kader van dergelijke projecten verrichten. Zoals de Commissie opmerkt, blijkt uit de in artikel 4 van de gewijzigde wet van 30 juli 1999 opgenomen definitie van het begrip „losse medewerkers in de amusementsindustrie” daarentegen wel dat deze definitie niet ziet op de al dan niet tijdelijkheid van de activiteit van die werknemers.
47
Zoals de Commissie betoogt, is de stelling dat losse medewerkers in de amusementsindustrie als bedoeld in het Luxemburgse recht worden ingezet voor de uitvoering van tijdelijke projecten bovendien in tegenspraak met artikel L. 122‑1 van het arbeidswetboek. Zoals immers blijkt uit de punten 7 en 24 van het onderhavige arrest, bevat artikel L. 122‑1, lid 1, de regel dat bij wijze van uitzondering arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd mogen worden aangegaan voor de uitvoering van een specifieke, tijdelijke taak. In lid 2 van dat artikel worden meerdere voorbeelden van de toepassing van die regel gegeven, waaronder „arbeidsplaatsen waarbij het in bepaalde sectoren gebruikelijk is om geen gebruik te maken van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd vanwege de aard van de verrichte activiteit of de tijdelijkheid van die arbeidsplaatsen; de lijst van sectoren en arbeidsplaatsen wordt vastgesteld bij groothertogelijk besluit”. Volgens lid 3 mogen arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd echter ook met losse medewerkers in de amusementsindustrie worden aangegaan „[i]n afwijking van het bepaalde in de leden 1 en 2”.
48
Hieruit volgt dat de taken van losse medewerkers in de amusementsindustrie niet noodzakelijkerwijs voldoen aan de in artikel L. 122‑1 van het arbeidswetboek gestelde criteria van specificiteit en tijdelijkheid en dat de door die werknemers verrichte activiteit dus niet noodzakelijkerwijs tijdelijk van aard is. Vastgesteld moet dan ook worden dat de aan de orde zijnde Luxemburgse regeling niet belet dat werkgevers opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd aangaan met losse medewerkers in de amusementsindustrie om in een permanente en blijvende behoefte aan personeel te voorzien.
49
Aan deze conclusie doet niet af het in punt 31 van het onderhavige arrest uiteengezette argument met betrekking tot het groothertogelijk besluit van 11 juli 1989. Met dit argument voert het Groothertogdom Luxemburg immers slechts aan dat op grond van dat besluit in de amusementsindustrie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd mogen worden aangegaan ter vervulling van arbeidsplaatsen waarbij het gebruikelijk is om geen gebruik te maken van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd vanwege de tijdelijkheid van die arbeidsplaatsen. Deze lidstaat legt echter niet uit in hoeverre dat besluit gevolgen heeft voor de werkingssfeer of uitlegging van de in artikel L. 122‑1, lid 3, van het arbeidswetboek opgenomen uitzondering die, zoals uit de punten 7, 47 en 48 van het onderhavige arrest blijkt, werkgevers de mogelijkheid biedt om losse medewerkers in de amusementsindustrie op basis van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd ook in te zetten voor taken die niet tijdelijk zijn. De juridische situatie van losse medewerkers in de amusementsindustrie die voortvloeit uit de aan de orde zijnde nationaalrechtelijke bepalingen, zoals zij het Hof zijn voorgesteld, voldoet dus niet aan de vereisten van duidelijkheid en nauwkeurigheid die nationale omzettingsmaatregelen moeten kenmerken (zie in die zin arrest Commissie/Spanje, C‑151/12, EU:C:2013:690, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50
Zelfs als wordt aangenomen dat met de aan de orde zijnde nationale regeling het door het Groothertogdom Luxemburg aangevoerde doel wordt beoogd, namelijk ervoor zorgen dat losse medewerkers in de amusementsindustrie een zekere flexibiliteit en sociale voordelen hebben doordat hun werkgevers hen herhaaldelijk kunnen inzetten op basis van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, dan nog kan een dergelijk doel niet tot verenigbaarheid van die regeling met clausule 5, lid 1, onder a), van de raamovereenkomst leiden omdat daarmee niet wordt aangetoond dat overeenkomstig de in punt 44 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak sprake is van precieze en concrete omstandigheden welke de betrokken activiteit kenmerken en dus rechtvaardigen dat in die bijzondere context gebruik wordt gemaakt van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd.
51
Zoals reeds in punt 40 van het onderhavige arrest is aangegeven, heeft een lidstaat bij de uitvoering van clausule 5, lid 1, van de raamovereenkomst inderdaad het recht om rekening te houden met de specifieke behoeften van een bepaalde sector, maar dat recht gaat niet zo ver dat hij zich ten aanzien van die sector kan onttrekken aan de verplichting een adequate maatregel te treffen om misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te voorkomen en eventueel te bestraffen. Zou een lidstaat een doelstelling zoals de uit het gebruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd voortvloeiende flexibiliteit kunnen aanvoeren om zich aan die verplichting te onttrekken, dan zou immers worden gehandeld in strijd met een van de doelstellingen van de raamovereenkomst, die in de punten 35 en 36 van het onderhavige arrest in herinnering is geroepen, namelijk het genot van vaste dienstbetrekkingen, hetgeen een essentieel onderdeel van de werknemersbescherming is, en zou voorts het aantal categorieën personen die mogelijkerwijs de beschermende maatregelen van clausule 5 van de raamovereenkomst genieten, aanzienlijk kunnen dalen.
52
Vastgesteld moet dus worden dat blijkens de aan het Hof in de onderhavige zaak voorgelegde gegevens er in de aan de orde zijnde Luxemburgse regeling, in strijd met de in punt 37 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, voor losse medewerkers in de amusementsindustrie geen maatregel voorhanden is ter voorkoming van misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in de zin van clausule 5, lid 1, van de raamovereenkomst. Derhalve dient het beroep van de Commissie gegrond te worden verklaard.
53
Gelet op al het voorgaande moet worden geoordeeld dat het Groothertogdom Luxemburg, door handhaving van uitzonderingen op de maatregelen ter voorkoming van misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die worden aangegaan met losse medewerkers in de amusementsindustrie, niet heeft voldaan aan de op deze lidstaat krachtens clausule 5 van de raamovereenkomst rustende verplichtingen.
Kosten
54
Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de niet-nakoming is vastgesteld, dient het Groothertogdom Luxemburg overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.
Het Hof (Derde kamer) verklaart:
1)
Het Groothertogdom Luxemburg heeft, door handhaving van uitzonderingen op de maatregelen ter voorkoming van misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die worden aangegaan met losse medewerkers in de amusementsindustrie, niet voldaan aan de verplichtingen die op deze lidstaat rusten krachtens clausule 5 van de op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd.
2)
Het Groothertogdom Luxemburg wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy